Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Heischraal grasland

Heischraal grasland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

KENSCHETS
Essentiële standplaatscondities
Niet zo zuur
Droge en natte heischrale graslanden
Soortenrijk in velerlei opzicht
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattype
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Zowel in het droge zandlandschap als het natte zandlandschap zijn heischrale graslanden verrijkende elementen. Allereerst zijn ze rijk aan bijzondere soorten planten, dieren en paddestoelen. Daarnaast vormen heischrale graslanden belangrijke aanvullende biotopen voor veel dieren die van meerdere landschapselementen gebruik maken. Doorgaans komen heischrale graslanden op minder zure plekken voor in een over het algemeen zuur landschap. Veel soorten vlinders, bijen en zweefvliegen vinden juist in deze iets minder zure heischrale milieus voldoende nectarplanten. Vaak liggen heischrale graslanden op de overgang naar het cultuurlandschap of naar elementen daarvan. Ze zijn bijvoorbeeld te vinden langs wegen door de heide, in leemkuilen aan de rand van dekzandruggen en op de overgang naar beekdalen. Op landschapsniveau dragen goed ontwikkelde heischrale graslanden dus bij aan de geleidelijke overgang van voedselarme, zure landschappen naar meest voedselrijkere en sterker gebufferde biotopen. Ook in het heuvelland nemen de heischrale graslanden een dergelijke positie in.

Opvallend veel nog goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn door nog tamelijk recent ingrijpen van de mens ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan met leem of klei verharde landingsstrips voor vliegvelden, leem- en zandgroeven, wegbermen, begraafplaatsen en militaire oefenterreinen. Juist in heischrale graslanden liggen er kennelijk mogelijkheden voor recreatie en economisch medegebruik, zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van de natuurfunctie. Zie voor ontstaan en de landschappelijke relaties ook tekst ‘Heide en Stuifzand'.

Heischrale graslanden zijn in Europa wijd verspreid en komen over grote oppervlakten voor in gebergten. In het laagland zijn ze betrekkelijk tot zeer zeldzaam en beperkt tot kleine oppervlakten. Nederland ligt centraal in het verspreidingsgebied van deze laaglandvorm en in ons land komt naar verhouding een betrekkelijk grote oppervlakte ervan voor. Daarom is de Europese betekenis van onze heischrale graslanden groot.

KENSCHETS

Essentiële standplaatscondities
In het Nederlandse zandlandschap blijken hydrologie, zuurgraad of buffercapaciteit en het voedingsstoffenaanbod de bepalende sturende factoren te zijn voor de vegetatiesamenstelling van heide en heischrale graslanden (zie Figuur 1). Heischrale graslanden of Borstelgraslanden zijn vegetaties op voedselarme, droge tot natte, meestal zwak zure, vaak wat lemige zandbodems. Grassen bepalen het aspect van de begroeiing, maar kruiden en heidestruiken kunnen eveneens talrijk zijn. In het heidelandschap vallen ze vanouds op als de grazige, soortenrijke locaties.

heischraal grasland figuur 1
Figuur 1. Schematische weergave van het heidemilieu. Natte, heischrale graslanden komen voor in zone III en V, droge heischrale graslanden in zone II (uit de Graaf et al. 1994).

Niet zo zuur
Kenmerkend voor de heischrale graslanden is dat de pH van de bodem waarop zij voorkomen zich bevindt tussen pH 4,5-6 en er een zuurbuffering plaatsvindt door kationuitwisseling. Goed ontwikkelde heischrale graslanden hebben een lage aluminium/calcium-verhouding (Al/Ca-verhouding) in het bodemvocht, als gevolg van deze kationenbuffering. Bij bodemverzuring neemt het aluminiumgehalte in het bodemvocht toe en daalt de calciumconcentratie: het gevolg is dat de Al/Ca-verhouding stijgt. Al/Ca-verhoudingen boven 5 worden in goed ontwikkelde heischrale vegetaties niet aangetroffen. Stikstof komt in de bodems van de standplaatsen van het heischraal grasland voor als nitraat of een mengsel van nitraat en ammonium. Hoge ammoniumconcentraties in de bodem zijn, zeker in combinatie met een lage pH, vaak giftig voor kenmerkende heischrale plantensoorten. In de meeste situaties beperkt stikstof de plantengroei, al kan in natte heischrale graslanden ook fosfaat mee van invloed zijn.

Droge en natte heischrale graslanden
Het onderscheid tussen de droge en natte heischrale graslanden is uiteraard gebaseerd op de hydrologie. De natte heischrale graslanden worden ten minste gedurende één periode van het jaar beïnvloed door lokaal, zwak gebufferd grondwater, of soms schoon oppervlaktewater. De grondwaterstand bevindt zich gemiddeld 20 à 30 cm beneden het maaiveld, terwijl in droge perioden dalingen tot op meer dan 1 m diepte beneden het maaiveld optreden. De droge heischrale graslanden liggen in inzijgingsgebieden en zijn voor hun buffering vooral afhankelijk van leemhoudend of minder verweerd bodemmateriaal. Menselijke activiteiten zoals het graven van leemkuilen kunnen zeker hebben bijgedragen tot deze meer gebufferde situaties.

Soortenrijk in velerlei opzicht
Heischrale graslanden zijn laagblijvende, gesloten vegetaties met grasachtige soorten als Borstelgras (Nardus stricta), Tandjesgras (Danthonia decumbens) en Pilzegge (Carex pilulifera), waarin laagblijvende kruiden als Tormentil (Potentilla erecta), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta) en Liggend walstro (Galium saxatile) voorkomen. Dwergstruiken als Struikheide (Calluna vulgaris) en Gewone dophei (Erica tetralix) komen ook voor, maar domineren niet in heischrale graslanden.

Drogere heischrale graslanden (zie Figuur 2) worden behalve door de genoemde soorten gekenmerkt door het voorkomen van Valkruid (Arnica montana), Hondsviooltje (Viola canina), Mannetjesereprijs (Veronica officinalis), Rozenkransje (Antennaria dioica) en Gelobde Maanvarentje (Botrychium lunaria). Meer algemene soorten zijn Fijn schapengras (Festuca ovina), Muizenoortje (Hieracium pilosella) en Gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata).

heischraal grasland figuur 2
Figuur 2. Droog heischraalland (foto R. Bobbink)

Karakteristiek voor de natte heischrale graslanden zijn soorten als Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Liggende vleugeltjesbloem (Polygala serpyllifolia), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata) en Welriekende nachtorchis (Plantanthera bifolia). Ook soorten van de natte heide zoals Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en Beenbreek (Narthecium ossifragum) behoren tot de karakteristieke vegetatie. Algemene soorten zijn Blauwe zegge (Carex panicea), Pijpenstrootje (Molinea caerulea) en Moerasstruisgras (Agrostris canina). Naarmate de bodem sterker gebufferd raakt, gaat het natte heischrale grasland over in blauwgrasland (zie natuurtype ‘Nat schraalgrasland'). Er bestaat geen scherpe grens tussen beiden.

In droog heischraal grasland zijn Ruig haarmos (Polytrichum piliferum), Zandhaarmos (Polytrichum juniperum), Gewoon dikkopmos (Brachythecium rutabulum) en Groot laddermos (Scleropodium purum) de algemeenste soorten. Ook Heideklauwtjesmos (Hypnum jutlandicum) en Purpersteeltje (Ceratodon purpureus) komen regelmatig voor, samen met enkele korstmossen (Cladonia-soorten). Verder worden een 20-25 andere mossoorten sporadisch gevonden. In natte heischrale graslanden komen een vijftigtal mossoorten voor, waaronder levermossoorten waarvan een aantal kenmerkend is voor dit milieu. Er bestaat overigens een sterk vermoeden dat het aantal Cladonia-soorten sterk verminderd is sinds de tweede helft van de vorige eeuw.

Een bijzonder aspect van de heischrale graslanden is ook de aanwezigheid van een rijke paddenstoelenflora, die een groot aantal soorten herbergt van onbemeste, schrale graslanden, onder andere Satijnzwammen (Entoloma), Wasplaten (Hygrocybe) en Aardtongen (Geoglossum). Het kunnen echt juweeltjes van wasplaatgraslanden zijn. Veelal betreft het zeldzame tot zeer zeldzame soorten.

Hoewel heischrale graslanden vanouds maar een klein deel uitmaakten van het zandlandschap, is (of was) de rijkdom aan dagvlinders opvallend. Een typische soort van heischrale graslanden is bijvoorbeeld de Aardbeivlinder (Pyrgus malvae), die nu erg zeldzaam is geworden. Andere soorten dagvlinders uit het heischrale milieu zijn ondermeer Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), Tweekleurig hooibeestje (Coenonympha arcania), Bruin zandoogje (Maniola jurtina), Zilveren maan (Boloria selene) en verschillende Parelmoervlinders (Melitaea & Fabriciana). In de iets minder schrale, meer productievere vegetaties komen de meer gewonere dagvlinders voor zoals Hooibeestje (Coenonympha pamphilus) en Icarusblauwtje (Polyomnatus icarus). Structuurrijke vegetaties en overgangssituaties naar andere vegetatietypen zijn doorgaan het meest rijk aan diersoorten, bv. sprinkhanen. Ook andere faunagroepen, bijv. loopkevers en spinnen, tellen tal van zeldzame of bedreigde soorten in heischrale graslanden. Heischrale graslanden met overgangen naar struweel of ruigten zijn potentiële leefgebieden van Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) en Hazelworm (Anguis fragilis).

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattype
De vegetatie van de droge heischrale graslanden in het zandlandschap van de zuidoostelijke helft van ons land behoort tot de Associatie van Liggend walstro en Schapegras (19Aa1). De Associatie van Maanvaren en Liggende vleugeltjesbloem (19Aa3) is in het duinlandschap te vinden. Beide gemeenschappen behoren tot de Klasse der heischrale graslanden (19) en het verbond der heischrale graslanden (19Aa). Vegetatiekundig worden de natte heischrale graslanden gerekend tot de Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras (19Aa2) (zelfde verbond en klasse). De heischrale graslanden van dit type staan gewoonlijk in contact met de droge heide, natte heide of duinheide.
In het Zuid-Limburgse heuvelland komen heischrale graslanden voor op grindhoudende, lemige hellingen. Dit betreft de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel (19Aa4) die vooral bovenaan de steilere hellingen is gelegen waar maasafzettingen aan het oppervlak komen. Heischrale graslandplanten voeren de boventoon in deze gemeenschap, maar ook kalkgraslandsoorten komen voor, o.a Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum). De heischrale graslanden van dit type staan gewoonlijk in contact met het kalkgrasland.

Heischrale graslanden behoren in het systeem van natuurdoeltypen in verschillende categorieen en zijn daarbij deels samengevoegd met graslanden van kalkrijke bodem: plantengemeenschap 19Aa1 valt onder ‘Droog schraalgrasland van de hogere gronden' (3.33), gemeenschap 19Aa3 onder ‘Droog kalkrijk duingrasland (3.35) en 19Aa4 tot ‘Kalkgrasland' (3.36). Natte heischrale graslanden vallen onder natuurdoeltype ‘Natte heide' (3.42). Soortenrijke heischrale graslanden in het laagland zijn inbegrepen bij het habitattype Heischrale graslanden (H6230). Dat is een zogenoemd ‘prioritair' type waarbij de bescherming bijzondere voorrang krijgt.

Met bijdragen van:
Roland Bobbink & Maaike de Graaf, augustus 2007.

Literatuur:
Bobbink, R., De Graaf, M.C.C., Verheggen, G.M. & Roelofs, J.G.M. (1998). Heeft het heischrale milieu in Nederland nog toekomst? In: Bobbink, R, Roelofs, J.G.M. & Tomassen, H.B.M. (red.): Effectgerichte maatregelen en behoud van biodiversiteit in Nederland. Proc. Symp. K.U. Nijmegen.

De Graaf, M.C.C., Verbeek, P.J.M., Cals, M.J.R. & Roelofs J.G.M. (1994). Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring van matig mineraalrijke heide en schraallanden. Eindrapport monitoringsprogramma eerste fase. Vakgroep Oecologie, Katholieke Universiteit Nijmegen.

Schaminée, J.H.J., Stortelder, A.H.F. & Weeda, E.J. (1996). De vegetatie van Nederland Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en heiden. Opulus Press, Upssala/Leiden.

Weeda, E.J., Schaminée, J.H.J. & Van Duren, L. (2002). Atlas van plantengemeenschappen in Nederland - deel 2. Graslanden, zomen en droge heide. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website