Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Zinkweide

Zinkweide

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Zeer plaatselijk
Bijna-endemische planten

KENSCHETS
Groeiplaatsen van eerste, tweede en derde orde
Aanpassingen aan zware metalen
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Zeer plaatselijk

Zinkweides komen in Nederland alleen voor langs de Geul, vlakbij de grens met België. Het is een voor Nederland relatief nieuw vegetatietype dat zich na 1700 gevestigd heeft na het begin van de winning van zink en lood stroomopwaarts in België. De eerste melding van het voorkomen van zinkflora in Nederland, in Gulpen, stamt uit 1837. Het is niet precies bekend wat het verspreidingsgebied geweest is, maar uit oudere beschrijvingen valt op te maken dat de zinkflora rond 1925 in ons land vanaf de grens bij Cottessen tot voorbij Mechelen langs de Geul voorkwam als een lintvormige vegetatie van ca. 10 km lengte. Vanaf 1950 is het verspreidingsgebied weer kleiner geworden en de huidige restanten bedragen minder dan 10% van de oppervlakte in 1950. De achteruitgang is gestaag; tussen 1970 en 1980 waren er nog veel weilandjes in langs de Geul tot deze vegetatie te rekenen, nu is er eigenlijk nog maar één perceel met een oppervlakte van 1 hectare. Zinkweides komen buiten ons land ook voor, vlak over de grens langs de Geul in België, verder in verlaten zink- en loodgroeves in dezelfde streek in België, en rond Aken en Paderborn in Duitsland.
Naast de zinkweides kennen we ook nabij Budel-Dorplein terreinen met afvalhopen uit de zinkindustrie; daar heeft een zinkfabriek gestaan. Hier heeft zich nooit een zinkflora gevestigd, maar recent is daar wel een zinktolerant mos ontdekt: Scopelophila cataractae.
In vergelijking met sommige terreinen in naburig België en Duitsland, neemt de zinkflora in Nederland slechts een heel kleine plaats in. De Nederlandse begroeiingen van zinkplanten zijn Europees bezien nauwelijks van betekenis. Daar staat echter tegenover dat sommige van de kenmerkende soorten, waaronder het zinkviooltje, een dermate klein verspreidingsgebied hebben en een dusdanig gering aantal groeiplaatsen, dat elk verlies een aderlating betekent.

Bijna-endemische planten

Tot de zinkflora behoort allereerst het Zinkviooltje (Viola lutea ssp. calaminaria), een laaglandvorm van een soort die verder in de Alpen voorkomt. Verder de Zinkboerenkers (Thlaspi caerulescens), ook een laaglandvom van een plant die vooral in de bergen voorkomt. De derde zinkplant die nog in Nederland voorkomt, al is het maar met een paar pollen, is het Zinkschapengras (Festuca ovina ssp. ophioliticula), een ondersoort van het Genaald schapengras. Afhankelijk van de taxonomische opvattingen wordt aan deze taxa de status van soort, ondersoort, variëteit of ecotype toegekend. Tenslotte komt nog een zink-tolerante Blaassilene voor, die wel als Zinkblaassilene (Silene vulgaris ssp. humilis), wordt aangeduid. Twee andere zinkplanten, Zink-Engels gras (Armeria maritima) en Zinklepelblad (Cochlearia pyrenaica), zijn inmiddels in Nederland uitgestorven. Al deze taxa zijn zo zeldzaam dat ze ‘bijna-endemen' voor deze streek genoemd kunnen worden: ze komen alleen voor op enkele verspreide vindplaatsen in een straal van 50 km rond Aken. Een endeem is een organisme met een klein verspreidingsgebied, het komt bijv. slechts voor in een enkel meer, of op één eiland.
De fauna van de zinkweiden wordt onder andere gekenmerkt door de Gele weidemier (Lasius flavus), die bijvoorbeeld de bulten maakt waarin de twee nog overgebleven pollen Zinkschapegras groeien. Daarnaast is het waarschijnlijk dat zinkweides vroeger een belangrijke biotoop waren voor enkele soorten dagvlinders. Op de zinkweide van Plombière (België) vliegen nog steeds Zilveren maan (Boloria selene), Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia), Klaverblauwtje (Polyommatus semiargus) en Bruin dikkopje (Erynnis tagus). De eerste twee hebben daar het Zinkviooltje als waardplant. De laatste twee zijn aanwezig dankzij de lage, open structuur van de vegetatie en de grote bloemrijkdom. Vroeger is ook Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) in Nederland op zinkweiden waargenomen.

KENSCHETS

Groeiplaatsen van eerste, tweede en derde orde
Oorspronkelijk komen vegetaties met zinkflora ofwel metaaltolerante plantensoorten voor op bodems die van nature rijk zijn aan zware metalen zoals zink, lood en koper. Per bodemtype kan de metaalsamenstelling verschillen, maar de vegetatie die daar groeit is min of meer dezelfde. Natuurlijke, de eerste of zogenoemde ‘primaire, groeiplaatsen komen met name voor in gebergten waar metaalhoudende gesteenten aan het oppervlak komen. Verder zijn er ‘secundaire' groeiplaatsen van tweede orde, die zijn ontstaan bij mijnen. De bodem bestaat daar uit naar boven gehaalde, metaalhoudende grond zoals die in afvalhopen is achtergebleven. Op een aantal plekken lopen er waterstroompjes door secundaire groeiplaatsen. Deze transporteren een deel van de bodem en in het water lossen zware metalen op, waardoor stroomafwaarts ook nog groeiplaatsen van metaaltolerante planten ontstaan zijn op zinkhoudende afzettingen. Dit zijn groeiplaatsen van de derde orde of ‘tertiair'. Achteruitgang van de zinkflora vindt met name plaats op tertiair met metalen aangerijkte of vervuilde graslanden langs rivieren, zoals in ons land bij de Geul. Op secundair vervuilde locaties - buiten ons land - is de metaalconcentratie hoger en is de achteruitgang van de zinkflora vooralsnog minder dramatisch.

Aanpassingen aan zware metalen
Voor veel plantensoorten zijn hoge metaalconcentraties giftig, ze kunnen dus niet groeien op met zink- of lood verontreinigde bodem. Toch zijn de matig voedselrijke zinkweiden zoals we die kennen van rond 1950, relatief soorten- en bloemrijke graslanden. De zinkweides worden gekenschetst door het voorkomen van enkele zeer bijzondere planten, de zogenaamde zinkflora, bestaande uit een paar soorten, ondersoorten, variëteiten of ecotypen die alleen groeien op zink- of loodhoudende bodem: de zogenoemde ‘metallofyten. Dat zijn Zinkviooltje, Zinkboerenkers, Zinkblaassilene, Zinkschapegras, en Zink-Engels gras. Daarnaast groeien in zinkweides ook plantensoorten die de zinkverontreiging verdragen maar daar niet van afhankelijk zijn; die groeien dus ook op de niet met zinkverontreinigde bodems. Dit zijn ‘pseudometallofyten' ofwel zinkbestendige planten. Vaak zijn de pseudometallofyten die in zinkweides groeien toch wel ecotypen die in staat zijn een verontreiniging met zink nog iets beter te verdragen dan hun soortgenoten van niet met metalen verontreinigde groeiplaatsen. Grasklokje (Campanula rotundifolia), Veldzuring (Rumex acetosa) en Gewoon struisgras (Agrostis capillaris) komen vanouds in de zinkweides voor en staan bekend als zogenaamde ‘pseudo-metallofyten'.
Metallofyten bezitten speciale aanpassingen aan de hoge metaalconcentraties. Metalen worden zo veel mogelijk buiten de plant gehouden, zoals bij het Zinkviooltje, of opgeslagen in een onschadelijke vorm in het celvocht zoals bij Zinkboerenkers. De ‘echte' metallofyten kunnen het ontgiftingsmechanisme niet meer ‘uitzetten', en daardoor zijn ze afhankelijk geworden van zinkhoudende bodems. Bij dalende zinkgehaltes gaan deze planten trager groeien bij gebrek aan zink. Er moet namelijk voldoende zink de plant in blijven komen om genoeg over te houden voor het actief maken van enzymen die nodig zijn voor o.a. fotosynthese en eiwitsynthese.
In zinkweiden komen ook metaalbestendige grassoorten voor. Gewoon struisgras (Agrostis capillaris) en Gestreepte Witbol (Holcus lanatus) houden het zink heel efficiënt buiten de deur, waardoor ze hun metabolisme verder niet hoeven aan te passen. Die grassen kunnen dus zowel op metaalarme als metaalrijke bodem kunnen groeien.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De zinkweide is een speciaal vegetatietype, namelijk de Subassociatie van Zinkvooltje (14Bb1c) van de Associatie van Schapegras en Tijm. Zinkweide is geen apart natuurdoeltype, het hoort bij het ‘Bloemrijk grasland van het heuvelland'(3.37). Het is het habitattype Zinkweiden (H6130).

Met bijdragen van:
André Aptroot, september 2006 en Esther Lucassen, juni 2007.

Literatuur:
Lucassen, ECHET, Eygensteyn, J., Smolders, A.J.P., Riet, BP van de, Kuijpers, DJC, Bobbink, R. & JGM Roelofs. Causes for the decline of metallophytes in tertiary polluted floodplain grasslands: field investigations. submitted

Riet, BP van de, Lucassen, ECHET, Bobbink, R, Willems, J.H. & J.G.M. Roelofs, 2005. Preadvies Zinkflora. Rapport DK nr. 2005/DK007-O.

Willems, J.H.(2004). Hoe is het eigenlijk met onze zinkflora gesteld? Natuurhistorisch Maandblad 93(2): 21-25.

Schaminée, JHJ, AHF Stortelder & EJ Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3: Graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Uppsala.

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2002. Atlas van Plantengemeenschappen in
Nederland. Deel 2: Graslanden, zomen en droge heiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.


 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website