Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Kalkgrasland

Kalkgrasland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
In ons land beperkt tot Zuid-Limburg
Hoge natuurwaarden
Vroegere functie: duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen

KENSCHETS
Droog en voedselarm grasland op kalkgesteente
Rijk aan planten
Veel mossen en paddenstoelen
Grote verscheidenheid aan dieren
Relaties met aangrenzende graslandvegetaties
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

In ons land beperkt tot Zuid-Limburg
Kalkgraslanden komen voor op plaatsen met kalkgesteente in de ondiepe ondergrond. In Nederland zijn kalkgraslanden beperkt tot Zuid-Limburg, waar zich dicht onder de bodemoppervlakte kalkgesteente uit een ver verleden bevindt: uit een geologisch tijdvak van het ‘Boven-Krijt' dat het Maastrichtien heet. Vooral op de steilere hellingen waar kalkgesteente op slechts enkele decimeters diepte aanwezig is, komt het gesteente hier en daar bloot te liggen; dit noemen we ‘dagzomen'. De kalksteen die zich onder de Zuid-Limburgse kalkgraslanden bevindt wordt locaal ook mergel genoemd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen zachtere, meer westelijke Maastrichtse kalk die fijn- tot zeer grofkorrelig is en een zeer hoog gehalte aan kalk (ca. 99 % CaCO3) heeft, en oostelijke Kunrader kalksteen die harde lagen heeft (ca. 90-95 % CaCO3).

Hoge natuurwaarden
De Zuid-Limburgse kalkgraslanden herbergen een groot aantal planten- en diersoorten die in Nederland min of meer tot de kalkgraslanden beperkt zijn. Door hun schrale karakter en kalkrijke droge ondergrond bieden de kalkgraslandhellingen vestigingsmogelijkheden aan tal van planten van open, onbeschaduwde groeiplaatsen. Ze vormen geschikte standplaatsen voor soorten van natuurlijke open terreinen, zoals steile rotsrichels en steppen in het oosten en in het mediterrane gebied, of van boomloze plaatsen nabij rivieren en de zeekust. Ook de soortenrijkdom aan insecten en andere ongewervelden is ongekend hoog in de kalkgraslanden.

Kalkgraslanden komen in Europa wijdverbreid voor. In Nederland neemt het kalkgrasland een zeer geringe oppervlakte in, nu nog maar ca. 25 ha in het totaal, maar toch is de betekenis ervan binnen Europa groot. Allereerst heeft dat te maken met de ligging van ons land aan de (noordwest)grens van het areaal, op het knikpunt van heuvelland en laagland. Verder onderscheiden zich de kalkgraslanden op de schrale hellingen in Zuid-Limburg door een kleinschalige aanwezigheid in het landschap met fijnkorrelige vegetatiecomplexen en een relatieve rijkdom aan orchideeën. Aan de orchideeënrijkdom kent de Europese handleiding voor de habitats bijzondere waarde toe: dit maakt het kalkgrasland een zogenoemd prioritair habitattype dat in de bescherming voorkeur krijgt.

Vroegere functie: duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Kalkgraslanden zijn ontstaan nadat de mens het oorspronkelijk aanwezige loofhoutbos op de kalkrijke hellingen had gekapt en op de open plaatsen gedurende enkele jaren akkerbouw uitoefende, zogenoemde ‘zwerflandbouw'. Het rooien van het natuurlijke bos is in West-Europa reeds in de prehistorie begonnen. Nadat de bodem op de open plekken zelfs voor de toenmalige primitieve vorm van akkerbouw te arm was geworden, werden die plekken als weideplaatsen voor het vee benut, waardoor herstel van het oorspronkelijke bos werd verhinderd. Eeuwenlang graasde het vee overdag op de kalkgraslandhellingen die minder geschikt waren voor akkerbouw of fruitteelt (zie Figuur 1) en ging het 's avonds naar de stal. De mest die het vee daar deponeerde werd gebruikt om de akkers te bemesten. Het kalkgrasland heeft dus een soortgelijke functie gehad als de heidevelden: een functie in het traditionele duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Ten behoeve van de landbouw werden er voortdurend voedingsstoffen uit het kalkgrasland afgevoerd, terwijl er geen bemesting door de mens plaatsvond. Meestal dienden kalkgraslanden dus als graasweide voor mergellandschapen, sommige werden ook gebruikt als hooiland. Het gaat om zogenoemd halfnatuurlijke begroeiingen.

kalkgrasland figuur 1
Figuur 1. Schaapskudde met herder in de jaren dertig van de vorige eeuw op kalkgrasland in Zuid-Limburg. (ansichtkaart collectie J.H. Willems)

KENSCHETS

Droog en voedselarm grasland op kalkgesteente
De kalkgraslandvegetatie wortelt in een bodem die door verwering van het onderliggende kalkgesteente is ontstaan. De bodem is heel bepalend. Het is een ‘rendzinabodem' of ‘krijtverweringsbodem' met een ‘A-horizont' op een ondergrond van onverweerde kalksteen (zie Figuur 2). Die A-horizont is een 10-30 cm dikke, donkere humusrijke bodemlaag met verspreid voorkomende kalkbrokjes. Deze bodem heeft een hoge pH (pH = 7-8), een hoog kalkgehalte (in de A-horizont 10-35 % CaCO3) en een groot vermogen voedingsstoffen te binden. De humus is van het mull type dat een geschikte voedingsbodem is voor veel soorten en een kenmerkende relatief lage koolstof-stikstof verhouding heeft, een laag ‘C/N-getal'. Door de eeuwenlange traditionele begrazing zonder extra bemesting zijn kalkgraslanden voedselarm geworden, waarbij vooral fosfaat (P) en/of nitraat (N) in (zeer) beperkte mate voor plantengroei beschikbaar zijn.

De kalkgraslandbodem is sterk waterdoorlatend, heeft echter een beter vermogen water vast te houden dan veel zandbodems. Dat betere vermogen hangt samen met de aanwezigheid van zeer fijne bodemdeeltjes. Omdat kalkgraslanden op hellingen in het heuvelland liggen, bevinden ze zich minimaal enkele meters tot vele tientallen meters boven het grondwaterniveau. Ze worden dus niet beïnvloed door het grondwater en zijn droog of matig droog. De jaarlijkse bovengrondse biomassaproductie van kalkgraslanden is niet hoog, vergeleken met bijvoorbeeld moderne productiegraslanden. Jarenlange metingen in een op het noordwesten liggende helling in Zuid-Limburg laten zien, dat de bovengrondse productie gemiddeld 250-300 g drooggewicht per m2 bedraagt. Deze productie kan op éénzelfde terrein door de jaren heen aanzienlijke schommelingen vertonen: van ca. 100 g m-2 in extreem droge jaren tot bijna 400 g m-2 in meer vochtige, voor de plantengroei gunstigere jaren. Op terreindelen met een zeer dunne bodemlaag op de kalkrots, ook wel aangeduid als ‘zeer ondiepe bodem', is de productie duidelijk lager dan het bovengenoemde gemiddelde.

Het microklimaat is ook een belangrijke factor in de kalkgraslanden. Het hoge kalkgehalte van de bodem en een enigszins open vegetatiestructuur zorgen voor een iets warmer en droger microklimaat dan in graslanden van andere typen. Dit effect kan aanzienlijk versterkt worden door de hellingshoek en expositie van het kalkgrasland. Hellingen met een zuid-expositie zijn warmer en droger dan de op het noorden liggende graslanden. Steilere hellingen zijn door de meer loodrecht invallende zonnestraling warmer dan relatief vlakke hellingen. Bovendien verschillen de kalkgraslanden in Zuid-Limburg van elkaar doordat het klimaat in het westelijke deel anders is dan in het oostelijke deel wat betreft temperatuur en neerslag. Maastricht is één van de warmste en droogste plaatsen in Nederland, terwijl het slechts 20 km oostelijker gelegen Vaals koeler is en bijna hoogste neerslag van het land heeft.
Al met al verschillen de standplaatsen van de kalkgraslanden in Zuid-Limburg genoeg om een grote variatie in de soortensamenstelling te laten ontstaan. kalkgrasland figuur 2
Figuur 2. Kalkgraslandbodem. Duidelijk is de ondergrond van onverweerde kalksteen te zien en een humeuze bovenlaag met kalkbrokjes (foto R. Bobbink).

Rijk aan planten
Kalkgraslanden zijn kruiden- en mosrijke graslanden. Ook korstmossen horen er thuis, maar ze waren er vroeger meer algemeen dan tegenwoordig. Her en der verspreid is soms wat struweel aanwezig. De vegetatie heeft een lage structuur met veel open plekjes. Opmerkelijk is verder, dat er van vroeg in het voorjaar tot laat in het najaar bloeiende planten aanwezig zijn, terwijl vooral in de herfst en winter de moslaag opvalt. Kalkgraslanden zijn zeer soortenrijk, zowel wat betreft flora als fauna. Door de lage biomassaproductie en het open karakter van het kalkgrasland kunnen vele verschillende plantensoorten op een betrekkelijk klein oppervlak worden aangetroffen terwijl er geen soort sterk overheerst: 30-40 verschillende soorten hogere planten op één vierkante meter zijn niet uitzonderlijk.

Typische grasachtigen zijn Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum) en Bergdravik (Bromus erectus). In lagere dichtheid zijn ook Smal fakkelgras (Koeleria macrantha), Beemdhaver (Avenula pratensis) en Voorjaarszegge (Carex caryophyllea) kenmerkend. De bedekking van kruiden is hoog en veel soorten zijn kenmerkend voor deze graslanden. In een kalkgrasland komen veel meerjarige kruiden of zelfs ministruikjes voor met vaak lage groeivorm, bijv. Aarddistel (Cirsium acaule), Kalkwalstro (Galium pumillum), Ruige leeuwetand (Leontodon hispidus), Ruige weegbree (Plantago media), Voorjaarsganzerik (Potentilla verna), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor) en Grote tijm (Thymus pulegioides). Verder worden er opvallend veel kortlevende soorten aangetroffen. Dat zijn éénjarigen zoals Ogentroost-soorten (Euphrasia spp.) en Harige ratelaar (Rhinanthus alectorolophus) of tweejarige soorten zoals Driedistel (Carlina vulgaris), Duitse gentiaan (Gentianella germanica) en Geelhartje (Linum catharticum). Enkele soorten bloeien maar één keer in hun leven en zijn eveneens meestal kortlevend, maar kunnen soms wel 3 of 4 jaar oud worden: bijv. Wondklaver (Anthyllis vulneraria) en Duifkruid (Scabiosa columbaria). Veel soorten die in kalkgraslanden groeien waren vroeger algemeen in extensief gebruikte graslanden, maar zijn tegenwoordig vrijwel beperkt tot natuurreservaten. Voorbeelden hiervan zijn Bevertjes (Briza media), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris) en Kleine ratelaar (Rhinanthus minor). Ook is de pracht aan bloeiende orchideeën kenmerkend voor het kalkgrasland en voor Nederlandse begrippen uniek.

Veel mossen en paddenstoelen
In de Zuid-Limburgse kalkgraslanden zijn ruim 120 soorten mossen gevonden; dit is bijna 20 % van de totale mosflora van Nederland. In veel kalkgraslanden worden meer dan tien soorten per vierkante meter aangetroffen, waaronder veel zeldzame soorten. Kenmerkend zijn Kalkgoudmos (Campylium chrysophyllum), Kammos (Ctenidium molluscum), Smaragdmos (Camphothecium lutescens), Vedermos (Fissidens spp.) en Parelmosssorten (Weissia spp.).

Dat graslanden ook een belangrijke habitat voor paddenstoelen zijn, is niet zo bekend. Geschat wordt, dat ca. 350 ‘macrofungi' die we paddenstoelen noemen kenmerkend zijn voor graslanden. Vooral wasplaten, knotszwammen, aardtongen en een deel van de satijnzwammen worden in graslanden gevonden. Kalkgraslanden behoren tot de graslandvegetaties die het rijkst zijn aan deze paddenstoelen, samen met andere droge, onbemeste graslanden op licht zure tot basische bodems. In oude kalkgraslanden kunnen op een oppervlak van 500 m2 tussen de 30 en 80 soorten worden aangetroffen waarvan tegenwoordig 86 % op de Rode Lijst staat.

Grote verscheidenheid aan dieren
In samenhang met de grote soortenrijkdom aan hogere planten van de kalkgraslanden wordt in dit ecosysteem ook een grote verscheidenheid aan dieren aangetroffen. Veel diersoorten bereiken in Zuid-Limburgse kalkgraslanden de noord- of noordwestgrens van hun verspreidingsgebied. Vooral de diversiteit van de ‘entomofauna', de insecten en spinachtigen, is van oorsprong zeer groot in kalkgraslanden. Veel soorten sprinkhanen en krekels komen in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden voor. Ook de rijkdom aan dagvlinders is zowel nationaal als internationaal gezien erkend. Het gaat om veel karakteristieke soorten zoals Bruin dikkopje (Erynnis tages), Bruin blauwtje (Plebeius agestis), Klaverblauwtje (Polyommatus semiargus), Aardbeivlinder (Pyrgus malvae) en Dwergdikkopje (Thymelicus acteon), Kalkgraslanddikopje (Spialia sertorius) en Dwergblauwtje (Cupido minimus). Veel van deze soorten zijn de laatste decennia echter sterk achteruitgegaan en de drie laatstgenoemden zijn inmiddels uitgestorven in ons land. Deze soorten komen echter nog wel op het aangrenzende Belgische deel van de Sint Pietersberg voor.

Naast de zeer rijke entomofauna, kunnen ook verschillende soorten gewervelde dieren in kalkgraslanden worden aangetroffen. Zo gebruiken de Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) en de Geelbuikvuurpad (Bombina variegata) kalkgrasland als hun landbiotoop, vooral daar waar veel instraling van de zon is. Ook Hazelworm (Anquis fragilis) en Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) zijn (of waren) een algemene verschijning op Zuid-Limburgse hellingen. Van de reptielen wordt de Gladde Slang (Coronella austriaca) als een karakteristieke toppredator van kalkgraslanden en de daaraan grenzende heischrale graslanden beschouwd. De soort zou daar voornamelijk jagen op Hazelwormen en Levendbarende Hagedissen. Voor vogels is de Grauwe Klauwier (Lanius collurio) het voorbeeld van de kalkgraslanden. De klauwier is vooral toppredator van grote ongewervelden en kleine gewervelden en dan met name hagedissen.

Onderzoek in een tiental Nederlandse kalkgraslanden met behulp van potvallen in de jaren 1977 - 81 heeft veel gegevens opgeleverd over een groot aantal diergroepen zoals mollusken, landpissebedden, mieren, loopkevers, snuitkevers, cicaden, wantsen en spinnen. Daarnaast zijn er in ons land met betrekking tot kalkgraslanden ook nog enkele publicaties over andere insectengroepen zoals sprinkhanen en krekels, dagvlinders, wespen en bijen verschenen, die de enorme rijkdom van de fauna van kalkgraslanden en hun directe omgeving benadrukken. Een voorbeeld van de hoge verscheidenheid aan insectenfauna zijn de gegevens van de ca. 6 ha grote Bemelerberg: van dit terrein zijn 35 soorten dagvlinders bekend, waarvan er in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog 19 zijn aangetroffen. Verder zijn toen ca. 215 soorten kevers, 187 soorten wilde bijen en 141 soorten wespen, 20 mierensoorten en 10 soorten sprinkhanen aangetroffen.
Veelal wordt een onderscheid gemaakt in specifieke groepen van kalkgraslanddieren zoals:

Dat zoveel soorten met uiteenlopende eigenschappen samen in een terrein kunnen voorkomen, heeft waarschijnlijk te maken met veel kleine terrein- en milieuverschillen. Over de ‘heterogeniteit', deze milieuvariatie in relatie tot soortsdiversiteit is echter nog weinig bekend. Het staat echter wel vast, dat een deel van de in kalkgraslanden aangetroffen dieren gebonden is aan milieuovergangen of alleen overleeft wanneer een mozaïek van landschapselementen binnen hun leefgebied aanwezig is.

Relaties met aangrenzende graslandvegetaties
Kenmerkend voor de hellingen in Zuid-Limburg zijn de duidelijke overgangen in het moedermateriaal van de ondergrond. Boven aan de helling ligt op de mergel een laag van zure terrasafzettingen van de Oer-Maas. Het gaat hierbij om zand en grind en deze afzettingen vinden we met name in het westen van Zuid-Limburg. Op de steilere middengedeelten van de hellingen is het kalkgesteente zichtbaar aanwezig of door een dunne bodemlaag bedekt, terwijl onderaan de helling meestal een dikke laag ligt van afgespoeld materiaal, het zogenoemde ‘colluvium'. In samenhang met het eeuwenlange agrarische gebruik is een karakteristieke zonering van droge hellinggraslanden ontstaan. Bovenaan bevonden zich heiden en zure graslandvegetatie van bijv. het Dwerghaver-verbond (14Ba). Daaronder sloot een zone aan met heischrale graslanden; zie websitepagina ‘Heischraal grasland'. Dan volgde het kalkgrasland en onderaan de Glanshavergemeenschappen (16Bd); zie websitepagina ‘Bloemrijk grasland' of typische ruderale begroeiingen van bijv. het Kaasjeskruid-verbond (31Ab). De kleine landschapselementen die in sommige kalkgraslanden gevonden kunnen worden zoals kalksteenwanden, rotsblokken, groeven, heggen, struweelhagen, houtwallen en graften dragen bij aan de heterogeniteit van het landschap op de hellingen (zie de betreffende website pagina's; deels zijn die nog in voorbereiding). Het landschap met zijn ruimtelijke samenhang, met zijn vele biotopen en milieuovergangen, biedt levensmogelijkheden voor veel planten- en diersoorten.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Kalkgrasland als natuurtype omvat verschillende plantengemeenschappen, die niet altijd goed te scheiden zijn en vaak in een mozaïek voorkomen. Het omvat het natuurdoeltype kalkgrasland (3.36) en een gedeelte van het natuurdoeltype bloemrijk grasland in het heuvelland. Het komt overeen met het habitattype Kalkgraslanden (H6210). Aan belangrijke orchideeëngroeiplaatsen wordt de status van prioritair habitattype toegekend.
Het gaat bij dit natuurtype ten eerste om de plantengemeenschap die Kalkgrasland heet (15Aa1; Gentiano-Koelerietum) en hoort bij het Verbond der matig droge kalkgraslanden (15Aa). In Vlaanderen en Nederland rekenen we er ook de Associatie van Ruige weegbree en Aarddistel (16Bc2) bij, het door koeien begraasde grasland op gebufferde bodem dat hoort bij het Kamgras-verbond (16Bc2). Verder omvat dit natuurtype ook complexen met bijv. soortenrijke zomen van de Associatie van Dauwbraam en Marjolein (17Aa1) en struwelen van het Liguster-verbond (37Ac).

Met bijdragen van:
Roland Bobbink & Toos van Noordwijk, oktober 2007

Literatuur:
Anonymus 1983. Kalkgraslanden: beheren voor de toekomst. Verslag van het symposium te Maastricht op 29 april 1983. Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, reeks 33, 1-35.

Aukema, B. 1983. De wantsen (Hemiptera, Heteroptera). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 72, 129-135.
Bobbink, R. & Willems, J.H. (2001). Preadvies kalkgraslanden. Expertisecentrum LNV, Wageningen, rapport OBN-16.

Cobben, R.H. & Rozeboom, G.J. 1983. De cicaden in bodemvallen (Hemiptera, Homoptera Auchenorrhyncha). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 72, 102-110.

De Boer, D. 1983. Mieren (Hymenoptera: Formicidae). I. De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maanblad, 72, 5-12.
Etten & Roos 1984

Heijerman, T. & Booij, K. 1983. Bodembewonende snuitkevers (Coleoptera: Curculionidae). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 72, 164-172.
Hermans, J. 1985b. Sprinkhanen van de Bemelerberg. Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Reeks 34, pag. 80 -82.

Hofmans, K. 1992. Kalkgraslanden als biotoop voor sprinkhanen en krekels. Wielewaal, 58, 81‑86.
Kratochwil, A. 1984. Quelques observations sur la phenologie des plantes a fleurs et des insectes butinants dans un mesobrometum avec des especes d'ourlets au Kaiserstuhl (Allemagne). Colloques phytosocioloque, 11, 421‑456.

Koomen, P. 1986. Spinnen (Arachnida, Araneae) van het Gerendal en de Kruisberg. De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 75, 198-207.
Lefeber, V. 1984. Bijen (Hymenoptera Apoidea). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 73, 231-237.

Lefeber, V. 1985. Wespen (Hymenoptera Bethyloidea, Chrysididae, Trigonalidae, Aculeata). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 74, 85-91.
Lever, A.J. & Majoor, G.D. 1985. De huisjesslakken van de kalkgraslanden van de Sint Pietersberg (Maastricht). De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 74, 123-128.

Mabelis, A.A.1983. Mieren (Hymenoptera: Formicidae) II. De invertebratenfauna van de Zuidlimburgse kalkgraslanden. Natuurhistorisch Maandblad, 72, 33-37.

Mabelis, A. 1985. De Mieren van de Bemelerberg. Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Reeks 34, pag. 76 -80.

Poot, P. 1985. De Kevers van de Bemelerhei. Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, reeks 34, pag. 68 - 71.

Schaminée, J.H.J., Stortelder, A.H.F. & Weeda, E.J. (1996). De vegetatie van Nederland Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en heiden. Opulus Press, Upssala/Leiden.
van Swaay, C.A.M. 2002. The importance of calcareous grasslands for butterflies in Europe. Biological Conservation, 104, 315-318.

Turin, H. 1983. Loopkevers (Coleoptera: Carabidae) van kalkgraslanden en hellingbossen. Natuurhistorisch Maandblad, 72, 73‑83.

Weeda, E.J., Schaminée, J.H.J. & Van Duren, L. (2002). Atlas van plantengemeenschappen in Nederland - deel 2. Graslanden, zomen en droge heide. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Willems, J.H. (1987). Kalkgrasland in Zuid-Limburg. Wetensch. Med. KNNV, Hoogwoud, nr.184.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website