Pad: Natuurtypen / Vochtige schraalgraslanden (N10) / Nat schraalland (N10.01) / Nat schraalgrasland

Nat schraalgras 

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Oppervlakte drastisch afgenomen: blauwgrasland nu zeldzaam
Karakteristieke en habitatrichtlijnsoorten

KENSCHETS
Karakteristieke soortencombinatie
Veel zeldzame soorten, ook van het moeras en heischraal grasland
Mesotroof, in wankel evenwicht
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Blauwgrasland, de typicum subassociatie en de subassociatie van Borstelgras
Blauwgrasland, de subassociatie van Melkeppe
Blauwgrasland, de subassociatie van Parnassia
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Oppervlakte drastisch afgenomen: blauwgrasland nu zeldzaam 
Natte schraalgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die 's winters onder water staan en 's zomers oppervlakkig uitdrogen. Omdat de traditionele natte hooilanden van voedselarme gronden in ons land in de zomer een blauwige of zeegroene kleur hadden, gingen de boeren ze benoemen als blauwgraslanden. De kleur is afkomstig van de zegge- en grassensoorten die er overheersten, waaronder Blauwe zegge (Carex panicea) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). Later werd de traditionele naam blauwgrasland overgedragen op een plantengemeenschap (dat is nu Blauwgrasland in strikte zin, nr. 16Aa1 in de Vegetatie van Nederland; zie ook ‘Plantengemeenschappen' onder Kenschets). De blauwgraslanden die tot deze gemeenschap behoren, kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Blauwgraslanden waren honderd jaar geleden in ons land zeer algemeen. Ze kwamen vooral voor in het laagveenlandschap, in de veenweidegebieden van Zuid-Holland en Utrecht, De Gelderse Vallei, Noordwest-Overijsel, oostelijk Friesland, Noord-Drenthe en het naburige Groningen. Blauwgraslanden zijn vanouds ook aanwezig in het beekdallandschap in Drenthe, Twente, Achterhoek en Brabant en zijn daar min of meer gebonden aan benedenloop-, bovenloop- en oorsprongsystemen van de beken die de hoger gelegen zandgronden van ons land doorkruisen. Ook komen in oude kalkarme duinvalleien, bijv. op de Waddeneilanden, blauwgraslanden voor.

Nadat de landbouwers overgingen op het gebruik van kunstmest is het totale oppervlak van de blauwgraslanden in ons land drastisch afgenomen: sinds ca. 1850 met naar schatting 99%. Er zijn in ons land nu nog slechts enkele tientallen hectaren van het natte schraalgrasland over dat onder de definitie valt van de plantengemeenschap Blauwgrasland (16Aa1). Door intensief landbouwkundig gebruik en ontwatering van graslanden vormen natte schraalgraslanden nu meestal kleine snippers die te lijden hebben van verzuring, vermesting en verdroging. Het Blauwgrasland is beperkt tot een klein gebied aan de Atlantische kust van Europa. De soortensamenstelling, de geografische ligging en de oppervlakte maken dat de blauwgraslanden van ons land van groot Europees belang zijn.

Karakteristieke en habitatrichtlijnsoorten
Blauwgrasland is niet alleen beschermd als bijzonder habitattype (H6410) onder de Europese habitatrichtlijn; het bevat ook groeiplaatsen van enkele soorten die van Europees belang zijn, zogenoemde Annex II soorten. In de provincie Brabant treedt soms Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) naar voren in blauwgrasland, zoals in de Moerputten bij Den Bosch. De dagvlinders Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius; H1059) en Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous; H1061) gebruiken deze plant als waardplant. Ze zijn in het verleden door vernietiging van biotoop verloren gegaan. Herintroductie van beide soorten was succesvol, maar heeft vooralsnog niet geleid tot kolonisatie van andere terreinen. De karakteristieke dagvlinders Rode vuurvlinder (Lycaena hyppothoe) en Moerasparelmoervlinder (Euphydras aurinia) zijn in respectievelijk 1948 en 1983 uit Nederland verdwenen. Momenteel is de zeldzame Zilveren maan (Boloria selene) de meest karakteristieke dagvlinder van natte schraallanden, met Moerasviooltje (Viola palustris) als waardplant. De Rode vuurvlinder (Lycaena hippothoe) en de Zilveren maan (Boloria selene) staan niet op de Annex II lijst. Het blauwgrasland is eveneens rijk aan karakteristieke zweefvliegen en paddenstoelen, zoals Wasplaten (Hygrocybe sp. en Camarophyllopsis sp.). In overgangen van blauwgrasland naar kalkmoeras en vochtige duinvalleien kan incidenteel ook Groenknolorchis (Liparis loeselii; H1903) voorkomen.

KENSCHETS

Karakteristieke soortencombinatie
Natte schraalgraslanden danken hun bestaan aan het in cultuur nemen van moeras op de manier zoals dat vroeger gebeurde. De plantensoorten die nu een karakteristieke soortencombinatie van natte schraalgraslanden vormen, zijn Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Blauwe zegge (Carex panicea), Pijpenstrootje (Molinea caerulea), Kruipwilg (Salix repens), Tormentil (Potentilla erecta) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). Minder algemene karakteristieke soorten zijn Vlozegge (Carex pulicaria), Biezenknoppen (Juncus conglomeratus), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Kleine valeriaan (Valeriana dioica) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe).
Een aantal soorten kwam niet in de oorspronkelijke moerassen voor, maar is het moeras binnengedrongen bij de ontwatering zoals die bij het in cultuur nemen plaatsvond. Ze gingen op den duur deel uitmaken van de karakteristieke soortencombinatie van blauwgraslanden. Dit zijn onder andere Pijpenstrootje, Tandjesgras, Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Fijn Schapegras (Festuca filiformis ) en Reukgras (Anthoxanthum odoratum).

Veel zeldzame soorten, ook van het moeras en heischraal grasland

Niet aangetaste blauwgraslanden herbergen veel zeldzame soorten en kunnen bijzonder bloemrijk en soortenrijk zijn. De variatie die binnen het natte schraalgrasland is te onderscheiden zegt iets over het verleden en de ligging, de bodem en de hydrologie. Een deel van de natte schraalgraslanden laat nog zien dat zij zijn voortgekomen uit voedselarme zure moerassen, trilvenen en kalkmoerassen (zie ook vervolg). Andere wijzen veeleer op een ruimtelijke overgang naar op de hogere dalflank voorkomende heischrale graslanden.
Soorten die in hoofdzaak vertegenwoordigers zijn van het moerasverleden zijn bijv. Melkeppe (Peucedanum palustre), Moerasviooltje (Viola palustris), Wateraardbei (Potentilla palustris), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Stijf struisriet (Calamagrostis stricta), en Ronde zegge en Draadzegge (Carex diandra en C. lasiocarpa). Soorten die wijzen op een ruimtelijke overgang naar de heischrale graslanden zijn bijv. Borstelgras (Nardus stricta), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Gewone dopheide (Erica tetralix).

Mesotroof, in wankel evenwicht
Nat schraalgrasland is mesotroof, dat wil zeggen matig voedselrijk tot voedselarm, maar niet zeer voedselarm. De bodem bestaat uit zand of veen en is over het algemeen goed gebufferd. Voor de buffering van de zuurgraad zorgen door met grondwater (kwel) aangevoerde basen of - in het verleden - overstromingen met oppervlaktewater. De pH ligt bij goed ontwikkelde schraalgraslanden rond de 5 à 6. De laagste pH waarden zijn gevonden op standplaatsen van de subassociatie van Borstelgras en de hoogste waarden op die van de subassociatie met Parnassia. In natte schraalgraslanden is meestal sprake van een P-limitatie: de lage beschikbaarheid van fosfaat beperkt de voedingstoestand. Vastlegging van fosfaat aan het met grondwater aangevoerde ijzer en soms calcium is waarschijnlijk de oorzaak voor deze situatie. De waterstand is vaak variabel over het jaar, met in de winter een korte periode waarin het water boven het maaiveld staat. In de zomer bevinden zich de grondwaterstanden onder het niveau van het maaiveld. Door jaarlijks hooien ofwel maaien met afvoer van materiaal vindt de afvoer van voedingsstoffen plaats die nodig is voor de handhaving van het mesotrofe evenwicht in deze systemen. Vroeger zorgde een lichte bemesting van de natte schraalgraslanden -door het opbrengen van slootbagger, kranswier of Krabbenscheer (Stratiotes aloides)- anderzijds ook voor enige toevoer van voedingsstoffen. Mogelijk is deze aanvoer van voedingsstoffen nodig om een gebrek aan bijvoorbeeld kalium te voorkomen; hierover is echter nog onvoldoende bekend.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De natte schraalgraslanden hebben vanouds vooral betrekking op één associatie, het Blauwgrasland (16Aa1) en binnen deze associatie worden vier subassociaties onderscheiden (zie vervolg). Verder kan een deel van de Veldrus-associatie (16Ab1) eveneens gerekend worden tot het natuurtype natte schraalgraslanden (zie ook natuurtype ‘Dotterbloemgrasland'). Natte schraalgraslanden van matige kwaliteit zijn rompgemeenschappen van het verbond van Biezenknoppen en Pijpenstrootje (16Aa) met dominantie van grassen of ruigtesoorten. Karakteristieke soorten van het associatie-niveau ontbreken dan. Bij sterke aantasting gaan ook de voor het verbond karakteristieke soorten verloren en resteren graslanden of moeras waarin soorten overheersen zoals Moerasstruisgras (Agrostis canina), Pijpenstrootje, Veenmos (Sphagnum sp.) of Hennegras (Calamagrostis canescens) en Riet (Phragmites australis). Hier ligt een raakvlak met andere graslandtypen.

De meest voedselarme natte schraalgraslanden die behoren tot de Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge (9Aa3) nemen in de structuur van natuurtypen een ‘randpositie' in. Deels - in beekdal- en duinlandschappen - kunnen zulke schraallanden samen met blauwgrasland tot het natuurtype nat schraalgrasland gerekend worden. Deels - in laagveenlandschappen - hebben ze zoveel overeenkomst met kleine-zeggenmoerassen, dat ze als onderdeel daarvan zijn op te vatten (zie ook natuurtypen ‘Trilveen‘ en ‘Moerasheide'. Het natuurtype nat schraalgrasland overlapt met het natuurdoeltype Nat schraalgrasland (3.29). Het natuurtype nat schraalgrasland omsluit habitattype ‘H6410 Blauwgrasland' en omvat een deel van habitattype ‘H7140 Overgangs- en trilvenen'.

Blauwgrasland, de typicum subassociatie en de subassociatie van Borstelgras
De typicum of ‘typische' subassociatie vertegenwoordigt blauwgrasland dat meer algemeen is; de subassociatie van Borstelgras is beekbegeleidend. Ze komt veelal voor in het oorsprong- en bovenloopsysteem van beken, langs de flanken van het dal. Het gaat hier om de overgangszone van het beekdal naar het heischrale grasland op hogere gronden. Op de standplaatsen van deze subassociatie is de invloed van zuur basenarm water relatief groot ten opzichte van die van het basenhoudende grondwater. Bijzondere soorten die aan dit ondertype van blauwgrasland zijn gebonden, zijn naast Borstelgras ook Hondsviooltje (Viola canina), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris) en Kruipbrem (Genista pilosa).

Blauwgrasland, de subassociatie van Melkeppe
Dit type blauwgrasland komt vooral voor in de veenpolders van westelijk en noordelijk Nederland - in het, lager gelegen holocene deel. In mindere mate is het ook aanwezig op kortstondig geïnundeerde plaatsen in de beekdalen die de hogere pleistocene zandgronden doorkruisen. De gemeenschap heeft nauw contact met het kleine zeggemoeras en trilveenmoeras. Enerzijds vormen deze gemeenschappen vaak een ruimtelijk mozaïek - zoals in de Bennekomse Meent in de Gelderse vallei. Anderzijds gaan blauwgraslanden die behoren tot deze subassociatie vaak over in kleine zeggemoerassen als de standplaats door externe factoren voedselarmer wordt. Kenmerkend voor een goed ontwikkelde subbassociatie van Melkeppe zijn: Stijve zegge (Carex elata), Paddenrus (Juncus subnodulosus), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Wateraardbei (Potentilla palustris), Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Sterzegge (Carex echinata), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Veldrus (Juncus acutiflorus) en Wilde gagel (Myrica gale).

Blauwgrasland, de subassociatie van Parnassia
Dit orchideeënrijke type van blauwgrasland vormt de soortenrijkste gemeenschap binnen de blauwgraslanden. Bijzondere soorten die kunnen worden aangetroffen zijn bijv. Parnassia (Parnassia palustris), Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incaranata), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), Knotszegge (Carex buxbaumii), Vetblad (Pinguicula vulgaris), Welriekende nachtorchis (Plathanthera bifolia), Harlekijn (Orchis morio) en Groenknolorchis (Liparis loeselii). De gemeenschap komt voor op zacht glooiende hellingen in beekdalen en in zandgebieden met een lemige mineraalrijke ondergrond. Ook in overgangssituaties is het te vinden waar vooral in de eerste helft van de lente basenrijk grondwater tot in de wortelzone doordringt. De standplaats wordt zelden overstroomd. Dergelijke milieus komen en kwamen onder meer voor in de Gelderse vallei, Twente en Drenthe. In de duinen was dit blauwgraslandtype veelal schaars en arm aan kensoorten; Spaanse ruiter en Vlozegge bijv. komen daar zelden samen voor.
Basenrijke kwelmoerassen met Parnassia, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden overigens gerekend tot een ander natuurtype, zie ‘Kalkmoeras'.

Met bijdragen van:
André Aptroot, 30.06.06; Henk Everts & Ab Grootjans, april 2007, namens OBN-deskundigenteam beekdallandschap: Han Runhaar en Renée Bekker, september 2007.

Literatuur:
Barendregt, A. & B. Beltman 2007 Natte schraallanden vol met Rode Lijstsoorten. De Levende Natuur 108 (3): 75-76.

Duuren, L van, 2004. Natuurcompendium. RIVM, Bilthoven.

Everts, F.H. & de Vries, 1991. De vegetatieontwikkeling van beekdalsystemen. Een landschapsoecologische studie van enkele Drentse beekdalen. Historische uitgeverij Groningen.

Jongman, M. (2003) Vegetatiekartering Bennekomse Meent. Rapport EGG-mj 480. EGG consult Jongman ecologisch advies Groningen. SBB Regio Gelderland, Deventer.

Schaminée, JHJ, AHF Stortelder & EJ Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3: Graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Uppsala.

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2002. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 2: Graslanden, zomen en droge heiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Themanummer "Restauratie van Natte Schraallanden" (2007) De Levende Natuur 108 (3).

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website