Pad: Natuurtypen / Vochtige schraalgraslanden (N10) / Nat schraalland (N10.01) / Dotterbloemgrasland (nat)

Dotterbloemgrasland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Zeer bloemrijk
Goed ontwikkelde Dotterbloemgraslanden zijn zeldzaam
Het traditionele hooiland
Bevloeiing verhoogt productiviteit
Landschappelijke en cultuurhistorische waarde
Vijf habitatrichtlijnsoorten

KENSCHETS
Zowel moerassoorten als ‘productiegrassen'
Zonering binnen het Dotterbloemgrasland
's Winters nat, 's zomers vochtig
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Associatie van Boterbloemen en Waterkruiskruid
Veldrus-associatie
Bosbies-associatie
Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge
Associatie van Harlekijn en Ratelaar
Associatie van Echte koekoeksbloem en Gevleugeld hertshooi
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Zeer bloemrijk
Dotterbloemgraslanden zijn uitgesproken bloemrijk en daardoor ook voor het grote publiek aantrekkelijk om te zien. In het Drentsche Aa gebied bijvoorbeeld gaat het daarbij om bloemen van Dotterbloem (Caltha palustris), Waterkruiskruid (Senecio aquaticus), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi), Moerasvergeet-mij-nietje (Myosotis scorpioides) en Moerasstreepzaad (Crepis paludosa). Daar komt een reeks van zeldzame en algemenere soorten bij zoals Brede orchis (Orchis majalis majalis), Kleine valeriaan (Valeriana dioica), Kale jonker (Cirsium palustre), Moerasrolklaver (Lotus pedunculatus), Kruipend zenegroen (Ajuga reptans), Echte valeriaan (Valeriana officinalis), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Moeraswalstro (Galium palustre), Veldzuring (Rumex acetosa), Scherpe boterbloem (Ranunculuis acuta), Pinksterbloem (Cardamine pratensis) en Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius). In het vroege voorjaar springen de geel bloeiende Dotterbloemen in het oog en de lichtroze Pinksterbloemen. Daarna komt een bonte periode met roze bloemen van Echte koekoeksbloem, de paarse Brede orchis, het blauwe Moerasvergeet-mij-nietje en de gele bloemen van Ratelaars, Waterkruiskruid en Moerasstreepzaad. Later in het seizoen overheersen de grassen en contrasteren de rode bloeiwijzen van Veldzuring (Rumex acetosa) met het grasgroen. Kort voor het maaien is het grasland veelal wittig bepluimd door de uitgebloeide aren van Gestreepte witbol (Holcus lanatus). In de kruidenrijke Dotterbloemgraslanden komen veel soorten nectar- en waardplanten voor, die van betekenis zijn voor bedreigde vlinders en andere insecten.

Goed ontwikkelde Dotterbloemgraslanden zijn zeldzaam
Dotterbloemgraslanden zijn afhankelijk van hoge grondwaterstanden en een geringe tot matig hoge voedselrijkdom. Ze staan 's winters onder water en drogen 's zomers oppervlakkig uit. Wat de waterhuishouding betreft, komen ze overeen met de natte schraalgraslanden, die ook blauwgraslanden genoemd worden. Dotterbloemgraslanden komen echter op vruchtbaardere standplaatsen voor dan blauwgraslanden en produceren meer biomassa. Ze zijn wat minder soortenrijk dan karakteristieke, niet aangetaste blauwgraslanden en ze bevatten een kleiner aantal zeldzame soorten. De Dotterbloemgraslanden vormen wel een belangrijk leefgebied voor een groot aantal soorten. Daar horen zeldzame bij, maar vooral veel soorten die vroeger heel gewoon waren op natte plekken van het platteland en langs sloten en waterkanten. De industrialisatie van de landbouw en de verstedelijking heeft die soorten op talloze plaatsen doen verdwijnen.
Zeldzame en bedreigde soorten waarvoor Dotterbloemgraslanden van belang zijn, zijn o.a. Harlekijn (Orchis morio), Knolsteenbreek (Saxifraga granulata), Moeraspaardenbloem (Taraxacum palustre), Wilde herfsttijloos (Colchicum autumnale), Kemphaan (Philomachus pugnax), Kwartelkoning (Crex crex) en Aardbeivlinder (Pyrgus malvae).

Dotterbloemgraslanden waren net zo als blauwgraslanden honderd jaar geleden in ons land zeer algemeen. Ze kwamen vooral voor in het laagveenlandschap, in de veenweidegebieden en in het beekdallandschap. Ook langs de kust, rivieroevers en kleiputten in het rivierengebied vinden we standplaatsen voor Dotterbloemgraslanden. Dotterbloemgraslanden in beekdalen zijn in Europa niet schaars, maar die in laagveen en op klei zijn qua groeiplaats en samenstelling wel uniek en zeker de goed ontwikkelde vorm is zeldzaam, ook in Nederland. Nadat de landbouw overging op het gebruik van kunstmest is het totale oppervlak van de Dotterbloemgraslanden in ons land afgenomen. Door intensief landbouwkundig gebruik en vergaande ontwatering van graslanden zijn Dotterbloemgraslanden nu meestal kleine snippers die te lijden hebben van verzuring, vermesting en verdroging.

Het traditionele natte hooiland
Het Dotterbloemgrasland vertegenwoordigt meer nog dan het blauwgrasland het traditionele hooiland van natte gronden. In vergelijking met de moderne hoogproductieve cultuurgraslanden is het een ‘schraalland', een grasland met geringere opbrengst. In het verleden, voor de introductie van de kunstmest in de landbouw, waren de Dotterbloemgraslanden echter het meest productieve hooiland dat ‘haalbaar' was op natte plekken in landschappen met overigens voedselarme gronden. De opbrengst van Dotterbloemgraslanden werd hoog gewaardeerd, blauwgraslanden waren net als heischrale graslanden en heides écht schraal. Traditionele boeren hebben hun uiterste best gedaan de voedingswaarde van het hooi en de opbrengst van de beemden en andere natte gronden te verbeteren. Dotterbloemgraslanden werden in tegenstelling tot blauwgraslanden dikwijls licht bemest (stalmest). Verder werd de opbrengst verbeterd door ontwatering van de moerassen en door bevloeien met oppervlaktewater. De boeren waren daarbij heel vindingrijk. Alles werd gedaan om de toevoer van basenhoudend grondwater makkelijker te maken, te verdelen en over de graslandpercelen te laten vloeien en ongeschikt, zuur water, dat bijv. uit hoogvenen en heide toestroomde, te weren.

Bevloeiing verhoogt productiviteit
Boeren hebben eeuwenlang geprobeerd om laagproductieve vegetaties van natte heiden, schraallanden etc. meer productief te maken door het bevloeien met bij voorkeur grondwater. Grondwater is basenrijk en stimuleert de stikstofmineralisatie. Het graven van diepe sloten was geen optie, omdat dit in veengronden binnen de kortste keren tot sterke verzuring aanleiding gaf. Misschien nog wel belangrijker was dat bij bevloeiing met grondwater de graszode niet bevroor. Venige laagten waar geen grondwater omhoogkwam, bijvoorbeeld als gevolg van onderliggende leemlenzen, waren uiterst vorstgevoelig. Het opvriezen van de zode was een landbouwkundige ramp, want dat verminderde de opbrengst zeer sterk. Om dit te voorkomen, tapten de boeren warmer en bij voorkeur kalkrijk grondwater af en leidden dat over het veen. Een prachtig voorbeeld daarvan laat de Historische Atlas zien voor de plek onder Tynaarloo. Daar werd water uit de Eischer Broek - de naam verwijst naar de invloed van kalkrijk kwelwater- in het dal van het Zeegser loopje over de waterscheiding naar het belendende dal van de Runsloot geleid. Ook als het bevloeiingswater bevroor, bleef de zode voor vorst gevrijwaard - water onder ijs is ca. 4º C. Natuurlijk ging van kalkrijk bevloeiingswater een zekere bemesting uit. En verhoging van de pH in de wortelzone stimuleerde de afbraak van het veen, wat bijvoorbeeld een verhoging gaf van de stikstofbeschikbaarheid.

Boeren in het beekdalenlandschap waren er erg op gebrand om oppervlakkig afstromend water vanuit zure milieus, zoals heiden en hoogvenen, buiten de Dotterbloemgraslanden te houden. In vergelijking met het water in de beekdalsystemen bevroor dit water sneller, was zuurder en kon soms veel sulfaat bevatten. De boeren hielden de toestroom van dit water tegen door middel van -soms buitengewoon zware- wallen met of zonder houtgewas erop. Ze gebruikten daarvoor ook verhoogde wegen; die noemden ze dan vaak ‘leidijk', ‘dijk' of ‘stouwe'.

Het stroomafwaartse gedeelte van heel veel beken heeft meer vertakkingen dan er van nature te verwachten zijn. Dat komt doordat de boeren in het verleden de bekenstelsels flink hebben veranderd en zo gestructureerd dat de situatie de meest gunstige invloed had op de hooiopbrengst. Om de doorstroming te bevorderen, hebben ze sloten gegraven die het vloeiwater afvoerden. Deze afvoersloten werden vaak als ‘laak' aangeduid. Bij de vormgeving van de beken letten de boeren er op dat de stroomsnelheden niet te hoog konden oplopen. Bij hoge stroomsnelheden vindt zandtransport plaats en dat werd niet op prijs gesteld. Daarom werden de bodems van beken nooit vlak gemaakt, maar met reeksen van ondiepten. Het economische belang van het beekwater was groot. Dat valt ook op te maken uit de vele rechtspraken die er in de historie zijn geweest over de verdeling van het water.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarde
Dotterbloemhooilanden vertegenwoordigen belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ze vormen een kenmerkend onderdeel van natte landschappen zoals die in grote delen van Nederland vanaf de late middeleeuwen tot rond 1900 hebben bestaan. Natte hooilanden, weilanden en broekbos vormden een afwisselend geheel. Hun ligging in het landschap was in het laagveen- en kleigebied afhankelijk van de gebruiksintensiteit, terwijl in het beekdallandschap vooral de gradiënt van regen- naar kwelwaterdominantie bepalend was. De huidige Dotterbloemhooilanden worden doorgaans in stand gehouden door natuurbeheer. De exploitatie als hooiland door boeren is zo goed als overal gestopt.

Vijf habitatrichtlijnsoorten
Dotterbloemgrasland is niet als te beschermen habitattype opgenomen in de habitatrichtlijn. Het vormt wel een belangrijk leefgebied voor vijf op Europees niveau zeldzame soorten, zogenoemde Annex II soorten, die aan beekdalen zijn gebonden. Geel schorpioenmos (Hamatocaulis vernicosus; H1393) is in ons land alleen nog aanwezig in boezemlanden langs het Meppelerdiep en in een nabij gelegen deel van het laagveengebied De Wieden. Het komt daar voor in het Dotterbloemgrasland, maar leeft vooral in kwelmoerassen. De Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana; H1016) leeft voornamelijk op bladeren van Moeraszegge (Carex acutiformis) en dat is een soort die kenmerkend is voor Dotterbloemgraslanden op basenrijke standplaatsen. Dat slakje wordt vooral gevonden in broekbossen in Limburg, maar ook elders in zeggemoerassen die met kalkhoudend kwelwater worden gevoed. Van de vier in de habitatrichtlijn opgenomen vlinders zijn er drie aan beekdalen gebonden: Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius; H1059), Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous; H1061) en Grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava; H1060). De twee soorten blauwtjes zijn gebonden aan de Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), die bijvoorbeeld in Brabant veel in Dotterbloemgraslanden voorkomt. Ze zijn in het verleden door vernietiging van biotoop in ons land uitgestorven. Herintroductie van beide soorten was succesvol in een terrein bij Den Bosch, maar zij hebben zich van daaruit nog niet uitgebreid naar andere terreinen. Habitatvernietiging en struweelvorming in moerassen bracht ook de Grote vuurvlinder op de rand van de afgrond. Het gaat hier om een ondersoort die alleen in ons land voorkomt, in het grensgebied van Overijssel en Friesland. De rups is afhankelijk van Waterzuring (Rumex hydrolapathum) die onder meer voorkomt in een van de gemeenschappen van het Dotterbloem-verbond; de Associatie van Echte koekoeksbloem en Gevleugeld hertshooi, en in sloten rondom Dotterbloemhooilanden.

KENSCHETS

Zowel moerassoorten als ‘productiegrassen'
Het traditionele hooiland van de veengronden in een beekdallandschap zoals zich dat nu nog in het stroomdal van de Drentsche Aa uitstrekt - het gaat hier in hoofdzaak om de Associatie van Boterbloemen en Waterkruiskruid - laat heel goed zien uit welke onderliggende moerasgemeenschappen de Dotterbloemgraslanden zijn ontstaan. Het in gebruik nemen begon met lichte ontwatering van de reeks van begroeiingen die in een moeras voorkomen en het proces van verlanding of veenvorming weerspiegelen. De moerassen waren oorspronkelijk grasarm. Door de lichte ontwatering konden via de randzones en slootkanten grassen in het moeras doordringen. Daardoor steeg de voedingswaarde en de opbrengst van het maaisel en dat was natuurlijk gunstig voor het vee en de beurs van de boer. Deze omvorming van moeras naar Dotterbloemgrasland, de verandering van de soortensamenstelling van de vegetatie, kon vooral goed plaatsvinden bij kwel of toestroming van naar verhouding basenrijk grondwater. Zulke grondwaterinvloed bevorderde de uitbreiding van grassen zoals Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Veldbeemdgras (Poa pratensis), Ruwe smele (Deschampsia cespitosa), Fioringras (Agrostis stolonifera) en Reukgras (Anthoxanthum odoratum). Ook bepaalde kruiden zullen daardoor vooruit zijn gegaan, bijv. Moerasrolklaver (Lotus pedunculatus), Veldzuring (Rumex acetosa), Hoornbloem (Cerastium sp.), Ratelaar (Rhinanthus sp.), Brede orchis (Dactylorhiza majalis majalis) en Rode klaver (Trifolium pratense).

Zonering binnen het Dotterbloemgrasland
Binnen Dotterbloemgraslanden is veelal een zonering van soorten en van groepen van soorten zichtbaar. Zulk een zonering wordt bepaald door een overgang in milieuomstandigheden, en bij Dotterbloemgraslanden gaat het dan haast altijd om een verschil in zuurgraad. De ruimtelijke overgang wordt veelal veroorzaakt door de werking van verschillende grondwaterstromen - variërend van ondiep tot diep grondwater. Daarbij gaan basenarme ofwel zure omstandigheden over in basenrijke omstandigheden. In het stroomdal van de Drentsche A weerspiegelt de zonering die binnen de Dotterbloemgemeenschap te herkennen is, nog altijd de zonering van de oorspronkelijke moerasreeks of veenvormende vegetatie. Aan de rand van het dal zijn in de Dotterbloemgemeenschap min of meer zuurminnende zeggen aanwezig, bijv. Zwarte zegge (Carex nigra), Draadrus (Juncus filiformis) en Sterzegge (Carex echinata). Als zuurstofrijk water toestroomt, groeit daar ook Veldrus (Juncus acutiflorus). Deze vegetaties zijn ontstaan op oorspronkelijke ‘doorstroomvenen' die gevoed werden met basenarm water. Meer centraal in het dal was het grondwater vanouds iets basenhoudend. Daar heeft vroeger een veensysteem gelegen met soorten als Snavelzegge (Carex rostrata), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Wateraardbei (Potentilla palustris), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Ronde zegge (Carex diandra) en Noordse zegge (Carex aquatilis). Nabij de beek zien we de grote zeggensoorten verschijnen in de Dotterbloemgraslanden. Zij geven het oorspronkelijke ‘overstromingsmoeras' aan, met wederom Noordse zegge en bovendien Blaaszegge (Carex vesicaria) en Scherpe zegge (Carex acuta), op meer basenrijke standplaatsen ook afgewisseld met Tweerijige zegge (Carex disticha).
In de beekdalen zien we overigens soms ook overgangen tussen Dotterbloemgrasland en blauwgrasland, met name in de benedenloop- en in de bovenloopsystemen. Blauwe zegge, Gewone veldbies en Hazenzegge zijn soorten die dan verschijnen. Waarschijnlijk zijn een deel van de Dotterbloemgraslanden voortgekomen uit blauwgraslanden die werden bevloeid met basenhoudend water. De boeren hadden liever Dotterbloemgrasland, omdat dat meer hooi opleverde.

In de winter nat, in de zomer vochtig
Dotterbloemgraslanden ontwikkelen zich op matig voedselrijke, meestal moerig tot venige, soms slibhoudende klei- of veengronden die 's winters nat en 's zomers vochtig zijn. De grondwaterstand reikt 's winters voor een periode van 10 tot 20 weken tot aan het maaiveld. Soms wordt de standplaats 's winters overstroomd, maar meestal niet langer dan een periode van 10 weken per jaar, vooral in de winter. Gedurende de rest van het jaar bevindt zich de grondwaterstand ca. 10 tot 30 cm onder het niveau van het maaiveld. 's Zomers kan de grondwaterstand voor een korte periode in de grond wegzakken, naar 50 tot 80 cm diepte onder het maaiveld. In veengronden verdraagt de vegetatie diepste waterstanden van 50-60 cm, in klei- en leemgronden kan de waterstand in de zomer 70-80 cm onder het maaiveld in de grond wegzakken zonder nadelige gevolgen voor de vegetatie.

Dotterbloemgraslanden en zijn bijna altijd stikstof-gelimiteerd. Fosfaat is als gevolg van vroegere bemesting of zware beekinundaties in relatief grote hoeveelheden aanwezig, maar wordt door ijzer voor een groot deel gefixeerd, vooral als na de overstroming de bodem oppervlakkig droogvalt. In het vroege voorjaar is fosfaat redelijk oplosbaar en beschikbaar, omdat de bodem dan sterk anaeroob is. Het is van belang dat de bodems van Dotterbloemhooilanden nat blijven omdat hoge waterstanden de stikstofmineralisatie beperken. Met name veengronden gaan sterk mineraliseren wanneer de waterstanden in het vroege voorjaar en de zomer laag zijn. Omdat in organische bodems grote hoeveelheden stikstof liggen opgeslagen, zal sterke mineralisatie leiden tot een verhoging van de biomassapoductie en tot een verlies aan soorten. Alleen nat zijn is niet voldoende voor de handhaving van Dotterbloemgrasland: het water moet arm zijn aan sulfaat en rijk aan ijzer. Vernatten met sulfaatrijk en ijzerarm oppervlaktewater kan tot gevolg hebben dat sulfaat wordt gereduceerd door microorganismen die tegelijkertijd ook veel organische stof afbreken. Daarbij komen ook veel voedingstoffen vrij. Dat is te voorkomen door bij voorkeur met zuurstofloos grondwater te vernatten.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen

De goed ontwikkelde Dotterbloemgraslanden behoren tot één verbond, het Dotterbloem-verbond (Calthion palustris; 16Ab). Dat verbond omvat zes associaties waarbinnen we een onderscheid kunnen maken tussen associaties met weinig en veel Dotterbloem (Caltha palustris). Van de vier associaties met veel Dotterbloem (16Ab1, 16Ab4, 16Ab5 en 16Ab6) zijn er drie min of meer gebonden aan beekdalen. De twee associaties van het verbond met minder Dotterbloem (16Ab2 en 16Ab3) komen vooral voor in de lagere delen van ons land, in de veenpolders en kleigebieden en verder in de duinen. Het natuurtype Dotterbloemgrasland omvat de natuurdoeltypes Dotterbloemgrasland van beekdalen (3.30) en Dotterbloemgrasland van veen of klei (3.31).

Associatie van Boterbloemen en Waterkruiskruid (16Ab4)
Van alle typen Dotterbloemgraslanden is deze gemeenschap het meest wijd verbreid. Ze is buiten het zeekleigebied vrij algemeen in laag gelegen landschappen, vooral in beekdalen en in het laagveenlandschap. De benedenlooptrajecten van de beekdalen van het Drentsche keileemplateau zijn voorbeelden van zulke landschappen. Omdat die beekdaltrajecten in het verleden intensieve overstromingen kenden, is daar veel beekleem afgezet en heeft de bodem er de voor deze gemeenschap ‘juiste' vruchtbaarheidsgraad. Zulke Dotterbloemgraslanden zijn het meest algemeen in Nederland, maar ze zijn ook het meest gevoelig en weinig robuust. Ontwatering in de omgeving van de reservaten leidt al snel tot verdroging en achteruitgang. Ook in het zogenoemde Lage Midden van Friesland, in de Kop van Overijssel en in het Groene Hart van de Randstad komt dit type Dotterbloemgrasland voor.
In boven- en middenlooptrajecten van beekdalen grenzen deze Dotterbloemgraslanden vaak direct aan de heischrale graslanden en heidevelden van de uitgeloogde hogere zandgronden. De Dotterbloemgraslanden zijn hier afhankelijk van kwelwater dat vanuit grote hydrologische systemen toestroomt. Daardoor zijn ze robuster en verdragen ze locale verdroging beter. We treffen dit landschapstype vooral nog aan langs niet gekanaliseerde beken in Drenthe en Twente en ook hier en daar in de Achterhoek en Brabant.

Veldrus-associatie (16Ab1)
Deze gemeenschap is beekbegeleidend en niet zeldzaam. Ze komt vooral voor in slenken en langs de flanken van boven- en middenloop van beekdalen, waar basenarm, min of meer zuur en zuurstofhoudend grondwater ondiep afstroomt. Waar leem of beekleem ondiep voorkomt, strekt deze associatie zich uit van beekdalflank tot beek. Ze is niet zo heel Dotterbloemrijk, omdat op de standplaatsen basenarme condities overheersen.

Bosbies-associatie (16Ab5)
Ook deze gemeenschap is niet zeldzaam. Ze komt hoofdzakelijk voor in beekdalen in het zuidoosten van ons land. Het zijn altijd beekdalen in een reliëfrijk landschap. De dalen zijn naar verhouding diep ingesneden. De kweldruk van het grondwater is hier hoog, omdat het verschil in grondwaterniveaus van infiltratie- en kwelgebied groot is. Je treft de gemeenschap aan op drassige, vaak lage plekken in de beekdalen, bijv. langs kwelsloten en - veelal verruigd - ook op oevers van beken en rivieren en in bronbossen. Ze komt daarbij zowel voor bij kwel van basenrijk als basenarm grondwater. De soortenrijkdom van de gemeenschap hangt enerzijds samen met het basengehalte van de standplaats en anderzijds met het beheer. Verruigde gemeenschappen van dit type op basenarme standplaatsen zijn veelal arm aan soorten en aan bloemen, inclusief Dotterbloemen. Basenarme groeiplaatsen tref je bijvoorbeeld aan in het Springendal in Twente; dat dal wordt hoofdzakelijk door basenarm grondwater gevoed. Bij een zorgvuldig extensief maaibeheer kan de gemeenschap aan soortenrijkdom winnen en daarmee aan betekenis voor foeragerende insecten.

Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge (16Ab6)
Deze associatie beschrijft een bijzonder type van Dotterbloemgrasland. Het is zeldzaam in ons land en vrijwel beperkt tot het zuiden en noordoosten. Deze Dotterbloemgraslanden komen voor in middenlooptrajecten van de beekdalen en op veengrond. Ze zijn afhankelijk van plaatsen waar de kweldruk groot is en het grondwater basenrijk. We treffen dergelijke situaties bijvoorbeeld aan in het middenlooptraject van de Drentsche Aa en het Peizerdiep in Drenthe, in het middenlooptraject van het Merkske in Brabant en in beekdalen van Zuid-Limburg. Bijzondere soorten zijn hier vooral Moesdistel (Cirsium oleraceum) en Adderwortel (Persicaria bistorta), maar veelal ook Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), Slanke sleutelbloem (Primula elatior) en Moerasstreepzaad (Crepis paludosa). Welke van de genoemde soorten voorkomt, verschilt per beekdal. Verbindende soorten zijn altijd Moeraszegge (Carex acutiformis) en Moerastreepzaad. De hoge kwelintensiteit maakt dat de standplaatsen een karakteristiek microklimaat hebben: 's zomers relatief koel en vochtig en 's winters zacht. Daardoor treft men in dit type grasland in de regel ook bosplanten aan zoals Kruipend zenegroen (Ajuga reptans), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Bosanemoon (Anemone nemorosa) en Zwartblauwe rapunzel (Phyteuma spicatum nigrum).

Associatie van Harlekijn en Ratelaar (16Ab2)
Deze graslandgemeenschap is niet alleen uniek voor Nederland, maar ook zeldzaam en vertegenwoordigt daardoor een hoge natuurwaarde. Ze is niet beekbegeleidend en komt voor in zilte polders op de Waddeneilanden, zoals De Bol op Texel, en in het Deltagebied, bijvoorbeeld op Schouwen. De gemeenschap is gebonden aan voormalige kwelders waar de bodems bestaan uit zand of zandige klei en waar een ontziltingsproces heeft plaatsgevonden dat mede de standplaatscondities bepaalt. De standplaats heeft een hoge grondwaterstand en een goede basenverzadiging en vertoont daarmee overeenkomsten met de standplaatsen van de overige gemeenschappen van het Dotterbloem-verbond. De gemeenschap verdraagt echter geen overstromingen.

Associatie van Echte koekoeksbloem en Gevleugeld hertshooi (16Ab3)
Deze gemeenschap is niet zeldzaam en komt voor in zoete en zwak brakke laagveenmoerassen, sporadisch in kleiputten in het rivierengebied, langs kreken en in duinvalleien langs de kust. In Nederland heeft ze haar zwaartepunt in de moeraslandschappen - waar ze afwisselt met rietlanden -, in de veenpolders van Holland en Noordwest Overijssel en in de binnendijkse natte gebieden langs de IJsselmeerkust. Deze graslanden ontstaan door maaien in de nazomer uit rietland of uit trilveen, als daar voedselrijk water in doordringt.

Met bijdragen van:
Klaas van Dort, november 2006; Henk Everts & Ab Grootjans, mei 2007; Moniek Nooren, mei/juni 2007.

Literatuur:
Aggenbach, C.S.J. & M.H. Jalink. 2005. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in boezemlanden. Deel 9 uit de serie Indicatorsoorten. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Baaijens, G.J., F.H. Everts, & A.P. Grootjans (2001). Bevloeiing van grasland in Nederland; een studie naar mogelijke vroegere bevloeiing van reservaten, in het bijzonder in het Pleistocene deel van Nederland. Rapport OBN nr 18.

Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff 2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Everts & de Vries, 1991. De vegetatieontwikkeling van beekdalsystemen. Een landschapsoecologische studie van enkele Drentse beekdalen. Historische uitgeverij Groningen.

Opstal, A.J.F.M. van, L.J. Draaijer & P. Aukes. 1997. Ecosysteemvisie Graslanden. Rapport nr. 27. IKC Natuurbeheer, Wageningen. 176 pp.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren. 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 2. Graslanden, zomen en droge heiden. KNNV, Utrecht.

Zuidhoff, A.C., J.H.J. Schaminée & R. van ‘t Veer, 1996. Molinio-Arrhenatheretea. In
J.H.J. Schaminée, A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda (1996): De vegetatie van Nederland. Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press. Uppsala, Leiden.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website