Pad: Natuurtypen / Schorren of kwelders (N09) / Schor of kwelder (N09.01) / Kwelder en schor

Kwelder en schor

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Kwelder of schor
Soortenarm, maar specifiek
Vogels

KENSCHETS
Typen kwelders
Natuurlijk of kunstmatig
Zonatie en successie
Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Zilte pionierbegroeiingen
Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Slijkgrasvelden
Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Atlantische schorren
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Kwelder of schor
De termen ‘kwelder’ en ‘schor’ worden gehanteerd voor met hogere planten begroeide gebieden die blootgesteld worden aan periodieke overstroming met zout water als gevolg van peilfluctuaties van aangrenzende zoutwaterlichamen. Het gebruik van de term kwelder of schor is regio-afhankelijk: in zuidwest Nederland en de Kop van Noord-Holland spreekt men van schor, terwijl in noord Nederland van kwelder wordt gesproken. De naam schor is door inpolderaars uit zuidwest Nederland en Vlaanderen naar de kop van Noord-Holland en Texel gebracht, waar men in de 19e eeuw nog van kwelder sprak.
In de rest van deze tekst zal de term kwelder gebruikt worden ongeacht de regio.

Soortenarm, maar specifiek
Kwelders kennen een lage soortenrijkdom aan planten. Er zijn maar weinig soorten bestand tegen de extreme omstandigheden van het zoute milieu, de wisselende waterstanden en de ongerijpte bodem met weinig bodemdoorluchting. De soorten die er voorkomen zijn veelal specifiek voor kwelders; in andere habitats komen ze niet of nauwelijks voor. Kwelders kennen echter wel een hoge diversiteit aan ongewervelde dieren. Ook hiervoor geldt dat een groot deel uitsluitend voorkomt op kwelders. Veel van de ongewervelde planteneters zijn monofaag, d.w.z. gebonden aan slechts één plant. Waardplanten met een hoog aantal monofage gasten zijn Zulte (Aster tripolium), Lamsoor (Limonium vulgare), Zeeweegbree (Plantago maritima) en Zeealsem (Artemisia maritima).

Vogels
Kwelders hebben daarnaast een belangrijke functie als fourageer- en rustgebied voor een groot aantal doortrekkende en overwinterende vogelsoorten. Voor de Rotgans en de Brandgans (Branta bernicla en B. leucopsis) vormt de jonge kweldervegetatie een belangrijke voedselbron voor het aanleggen van lichaamsreserves alvorens ze wegtrekken naar arctische broedgebieden. In najaar en winter zijn kwelders ook belangrijk voor een aantal zangvogels, met name voor Sneeuwgors (Plectrophenax nivalis), Frater (Carduelis flavirostris), Strandleeuwerik (Eremophila alpestris) en Oeverpieper (Anthus petrosus). Deze vogels zijn voornamelijk zaadeters en foerageren op het vloedmerk of eten zaad direct van de planten. Daarnaast gebruiken grote aantallen steltlopers gebruiken vooral de lage delen intensief als hoogwatervluchtplaats. Veel van deze gebieden in de Waddenzee en het Deltagebied zijn mede vanwege deze functie aangewezen als Natura 2000-gebied.
Voor soorten als Kluut (Recurvirostra avosetta), Tureluur (Tringa totanus) en Lepelaar (Platalea leucorodia) is de kwelder een belangrijke broedplaats.

KENSCHETS

Typen kwelders
In Nederland komen verschillende typen kwelders voor die van elkaar kunnen worden onderscheiden op basis van geomorfologie en de herkomst van het substraat. De drie belangrijkste typen zijn (allen op allochtoon substraat):

  1. Met een strandwal verbonden kwelders. Deze kwelders ontstaan op zandplaten aan de luwzijde van een strandwal of duinenrij, zoals de kwelders op de Waddeneilanden en de Kwade Hoek in het Deltagebied. Ook groene stranden en slufters kunnen tot dit type gerekend worden.
  2. Voorlandkwelders. Deze kwelders ontwikkelen zich op opgeslibd sediment in de luwte van een beschutte zee of ondiepe baai, zoals de vastelandkwelders langs de Friese en Groninger Waddenzeekust, of in de luwte van enkele zandplaten.
  3. Estuariene kwelders. Een estuarium is een halfomsloten kustsysteem met open verbinding naar de zee waarin één of meerdere rivieren uitmonden met menging van zoet en zout water als gevolg. Kwelders kunnen tot ontwikkeling komen op beschut gelegen zandplaten of slikken. Tot dit type kunnen de kwelders in de Westerschelde en de Dollard (tevens voorlandkwelder) gerekend worden.

foto 1 kwelders en schor
De Oosterkwelder van Schiermonnikoog vanuit de lucht.
© Rijkswaterstaat.

Natuurlijk of kunstmatig
Op basis van hun ontwikkelingsgeschiedenis kunnen de verschillende typen kwelders onderverdeeld worden in natuurlijke en kunstmatige kwelders. Natuurlijke kwelders zijn zonder tussenkomst van de mens ontstaan op zand- of wadplaten waar de overstromings¬frequentie en golfslag dermate gering waren dat hogere planten zich konden vestigen en uitbreiden. Deze kwelders zijn vooral te vinden op de Waddeneilanden en in de Westerschelde. Deze natuurlijke landaanwas wekte al spoedig de interesse van landeigenaren die uitbreiding van hun gronden nastreefden. Al vanaf de 17de eeuw of eerder poogde men om kwelderontwikkeling kunstmatig te bevorderen. In eerste instantie gebeurde dit door het graven van greppels en het opwerpen van dammetjes waardoor zowel ontwatering als demping van de golfslag optrad. Hiermee werd de bezinking van zand- en kleideeltjes bevorderd en konden kwelderplanten zich vestigen. In de 20ste eeuw werd een nieuwe methode geintroduceerd waarbij begreppelde sedimentatie- of bezinkvelden werden omringd door rijshoutdammen. Deze zgn. Sleeswijk-Holstein methode zorgt voor vermindering van golfslag en stroming en voor verbetering van de waterafvoer en bodemdoorluchting waardoor de vegetatieontwikkeling wordt gestimuleerd. De vastelandkwelders langs de Waddenzee (inclusief de Dollard) zijn bijna allemaal op deze manier tot stand gekomen. Onbedoeld is door de aanleg van stuifdijken ook op de Waddeneilanden kweldervorming kunstmatig gestimuleerd. De aanleg van de stuifdijken werd vanuit het oogpunt van kustverdediging gemotiveerd. In de beschutting tegen invloeden van de Noordzee was aan de Waddenzeezijde van de stuifdijken sprake van gunstige voorwaarden voor kweldervorming. De zo ontstane kwelders kunnen als halfnatuurlijk omschreven worden.

foto 2 kwelder en schor
Overzicht van de kwelderwerken langs de Groninger Noordkust eind 20e eeuw.
Vliegerfoto Jaap de Vlas

Zonatie en successie
Kenmerkend voor kwelders is de vegetatiezonering, waarbij verschillende plantengemeenschappen elkaar over een hoogtegradiënt van zee naar land opvolgen. Op de laagstgelegen delen dichtbij de zee komen soorten voor die het best zijn aangepast aan de extreme omstandigheden van langdurige overstroming met zout water en slechte bodemdoorluchting. Op de Nederlandse kwelders zijn dit Langarig zeekraal (Salicornia dolichostachya) en Engels slijkgras (Spartina anglica). Hoger op de kwelder vormt concurrentie om licht een belangrijke factor en leggen laagblijvende soorten het veelal af tegen de hogeropgaande planten zoals Gewone zoutmelde (Atriplex portulacoides) op de lage kwelder, Zeekweek (Elytrigia atherica) op de hoge kwelder en Riet (Phragmites australis) op de brakke kwelder.

figuur kwelder en schor
Zonering van kweldervegetatie in relatie tot overstromingsfrequentie en duur
(naar: Coldewey & Erchinger 1992)

Naast zonering speelt successie ook een grote rol bij het optreden van verschillende plantengemeenschappen. Hierbij worden jonge kwelderstadia met een hoge soortendiversiteit vaak opgevolgd door oudere, soortenarmere gemeenschappen. Twee mechanismen spelen een rol bij deze successie. Ten eerste wordt door regelmatige overstroming marien sediment op de kwelder afgezet, waardoor het maaiveld geleidelijk hoger komt te liggen. Net als bij de zonering zal dit proces van ophoging in de loop der tijd leiden tot opeenvolging van soorten van o.a. Zeekraal naar Gewone zoutmelde of Zeekweek. De opslibbing verloopt over het algemeen het snelst op de lage kwelder, waar nog vrijwel dagelijks overstroming plaatsvindt en waar een gesloten vegetatie van met name Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima) helpt bij het invangen van het sediment. Behalve door opslibbing kan de successie ook gedreven worden door een toenemende beschikbaarheid van nutriënten (met name stikstof) uit het mariene sediment dat bij overstroming wordt afgezet. De hoger opgaande soorten zoals Zeekweek en Gewone zoutmelde zullen hiervan het meest profiteren ten koste van laagblijvende soorten als Lamsoor.

 foto 1 kwelders en schor
Overgang van lage kwelder met Lamsoor naar hoge kwelder met Zeealsem op de achtergrond.
© Peter Esselink

Zonering hoeft geen afspiegeling te zijn van de successie. Op de Waddeneilanden bijvooorbeeld is al een natuurlijke hoogtegradiënt aanwezig op de zandplaten. Wanneer de omstandigheden voor kweldervorming hier geschikt zijn, kunnen verschillende plantengemeenschappen gelijktijdig tot ontwikkeling komen zonder dat de ene gemeenschap de voorloper is van de andere. Op estuariene en voorlandkwelders daarentegen zal een kwelder zich geleidelijk aan ontwikkelen als gevolg van continue opslibbing. De ruimtelijke rangschikking van plantengemeenschappen is hier een afspiegeling van de opeenvolging van die gemeenschappen in de tijd.

Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Zilte pionierbegroeiingen
De EU-habitatrichtlijn onderscheidt drie kwelderhabitats. Het eerste type, de Zilte pionierbegroeiingen (H1310), omvat

Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Slijkgrasvelden
Het tweede kwelderhabitat volgens de Habitatrichtlijn, de Slijkgrasvelden (H1320), komt vrijwel uitsluitend in zuidwest Nederland voor, en omvat de associaties van Klein slijkgras (Spartinetum maritimae) en Engels slijkgras (Spartinetum townsendii). In het Waddengebied heeft dit habitattype zich vermengd met de twee andere habitattypen en kan daardoor niet goed worden onderscheiden. Klein slijkgras (Spartina maritima) is in Nederland een zeer zeldzame soort waarvan de noordgrens van het verspreidingsgebied in de eerste decennia van de 20e eeuw in zuidwest Nederland lag. Daarna is de soort geleidelijk aan verdrongen door zijn ingevoerde en aangeplante familielid Engels slijkgras (Spartina anglica). De afgelopen decennia is Klein slijkgras in Nederland vrijwel niet meer waargenomen. In Nederland is habitattype H1320 daarom niet van groot Europees belang.

Habitatrichtlijn: kwelderhabitat Atlantische schorren
Het derde en laatste kwelderhabitat volgens de Habitatrichtlijn, de Atlantische schorren (H1330), omvat een groot aantal vegetatietypen van schorren en zilte graslanden van zowel buitendijkse als binnendijkse gebieden. Kenmerkend voor de buitendijkse kustgebieden zijn de drie verbonden Puccinellion maritimae (26Aa), Puccinellio-Spergularion salinae (26Ab) en Amerion maritimae (26Ac) die van laag naar hoog in de zonering gerangschikt kunnen worden. Er komen verschillende zeldzame of zeer zeldzame soorten voor die in de afgelopen decennia vrijwel allemaal steeds minder zijn aangetroffen: Engels gras (Armeria maritima), Engels lepelblad (Cochlearia officinalis), Gesteelde zoutmelde (Atriplex pedunculata), Knolvossenstaart (Alopecurus bulbosus), Stekende bies (Schoenoplectus pungens), Zeealsem (Artemisia maritima), Zeegerst (Hordeum marinum) en Zeeweegbree (Plantago maritima). Zeldzame soorten waarvan het voorkomen stabiel is of toegenomen is, zijn Blauw kweldergras (Puccinellia fasciculata) en Rode bies (Blysmus rufus). Vanwege het grote areaal aan Atlantische schorren in met name het Waddengebied en de grote diversiteit binnen de verschillende plantengemeenschappen, heeft Nederland een grote verantwoordelijkheid voor het behoud van dit habitattype binnen Europa.

Met bijdrage van:
Peter Esselink

Literatuur

 

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website