Pad: Natuurtypen / Open duinen (N08) / Vochtige duinvallei (N08.03) / Kalkrijke duinvalleien

Kalkrijke duinvalleien

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Vrijwel natuurlijk
Grote internationale betekenis
Habitatrichtlijnsoort Groenknolorchis

KENSCHETS
Plantengemeenschappen, natuurdoeltypen & habitatrichtlijn
Laatste bolwerk van veel zeldzame plantensoorten
Basenrijk door kalk of door grondwater
Hydrologie bepalend voor de vegetatie
Toestroom van basenrijk grondwater vertraagt successie
Dwergbiezenvegetaties
Droogvallen in de zomer
Fauna van duinvalleien
Kalkrijke duinplassen
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

Vrijwel natuurlijk
In Nederland zijn kalkrijke duinvalleien gebonden aan de duinen. Opmerkelijk is daarbij, dat ze als we naar de systemen kijken zowel in de kalkrijke duinen aanwezig zijn als in kalkarme duinen (zie ook: Verschillen in kalkgehalte: Renodunaal district en Waddendistrict op de pagina Duin- en kustgebied). In kalkarme duinen zijn ze echter wel beperkt tot jonge valleien die gevoed worden met kalkrijk grondwater. De vegetatie van kalkrijke duinvalleien bestaat uit relatief jonge stadia van de reeks van de van nature elkaar opvolgende begroeiingen, successie genoemd, die zich ontwikkelen op kale grond of in vegetatieloos open water. De gemeenschappen zijn zelden meer dan enige tientallen jaren oud en bestaan hoofdzakelijk uit lage oever- en moerasvegetatie. Op den duur gaan deze jonge stadia over in oudere successiestadia die behoren tot andere natuurtypen.
Kalkrijke duinvalleien behoren tot de weinige vrijwel natuurlijke ecosystemen die ons land rijk is. Vooral de duinvalleien aan de uiteinden van de Waddeneilanden zijn nauwelijks door menselijke activiteiten beïnvloed. In vergelijking met bijvoorbeeld natte schraalgraslanden, zijn natuurlijke duinvalleien niet uitgesproken rijk aan hogere planten, maar er komen wel veel Rode Lijstsoorten in voor en een aanzienlijk aantal bijzondere plantengemeenschappen. Ook zijn in kalkrijke duinvalleien veel bijzondere blad- en levermossen te vinden. Ten slotte zijn vooral de Kruipwilgstruwelen in duinvalleien soms erg rijk aan bijzondere mycorrhiza-paddenstoelen, waarbij het aandeel van de soorten die hun hoofdverspreiding in noordelijke naaldbossen hebben opvallend groot is.

Grote internationale betekenis
Duinvalleien hebben een grote internationale betekenis gekregen omdat ze nog oever- en moerasplanten herbergen die elders in Europa door ontwatering, bemesting en verzuring zijn uitgestorven en nu vrijwel beperkt zijn tot de kust. In het binnenland worden duinvalleiachtige vegetaties soms nog wel aangetroffen in uitgegraven leemputten. De begroeiing van sommige trilvenen vertoont veel overeenkomsten met die van kalkrijke duinvalleien. Ook de faunagemeenschappen van kalkrijke duinvalleien laten veel overlap zien met die van binnenlandse natte schraallanden, laagvenen en vennen. Er zijn echter enkele diersoorten waarvan het zwaartepunt van de verspreiding in duinvalleien ligt, bijv. de kleine sprinkhaansoort het Zanddoorntje (Tetrix ceperoi) en de internationaal beschermde Rugstreeppad (Bufo calamita). De rupsen van het motvlindertje Glyphipterix schoenicolella zijn voor hun voedsel afhankelijk van zaden van Knopbies (Schoenus nigricans) en die plantensoort komt in ons land buiten het kustgebied maar op een enkel plekje voor.
In vochtige kalkrijke duinvalleien kunnen natte laagten liggen met open water of periodiek open water. In zulke duinplassen komen enkele vegetatietypen voor die elders in Nederland ontbreken of erg zeldzaam zijn. Vaak staan duinpoeltjes vol met kranswieren (Charophyceae). De Associatie van Waterpunge en Oeverkruid (6Ac4) en de Associatie van Ongelijkbladig fonteinkruid (6Ab) komen vrijwel alleen in duinplassen voor. Op plekken met deze vegetaties wordt vaak ook een rijke watermacrofauna aangetroffen.

Habitatrichtlijnsoort Groenknolorchis
De Groenknolorchis (Liparis loeselii), is een van de soorten die zowel in duinvalleien als in trilvenen voorkomt, terwijl ze elders in Europa vrijwel is verdwenen. Deze orchidee is een van de vier Nederlandse vaatplanten die Europese bescherming geniet onder de habitatrichtlijn.

KENSCHETS

Plantengemeenschappen, natuurdoeltypen & habitatrichtlijn
De begroeiingen van vochtige kalkrijke duinvalleien vormen vaak ingewikkelde patronen die worden bepaald door kleine verschillen in reliëf en dergelijke. Ze behoren tot diverse karakteristieke associaties zoals de Associatie van Duinrus en Parnassia (9Ba3), de Knopbies-associatie (9Ba4), de Associatie van Bonte paardenstaart en Moeraswespenorchis (9Ba5), de Draadgentiaan-associatie (28Aa1), de Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia (27Aa2) en de Rompgemeenschap van Addertong en Duinriet van de Klasse der kleine zeggen.
Soms, op plaatsen waar een modderlaag ontstaat onder voedselrijke omstandigheden vormt zich in natte duinvalleien een gemeenschap met moerasplanten zoals Riet of andere helofyten. Begroeiingen van oudere successiestadia, de droge en aquatische standplaatsen van duinvalleien vallen onder andere natuurtypen zoals grijze duinen of duinheide, of van vennen, moeras en de groep meren, plassen en sloten (daarvan worden teksten in een latere fase geschreven). Wat we hier ‘kalkrijke duinvalleien' noemen, is het natuurdoeltype Natte duinvallei met een deel van het natuurdoeltype Duinplas. Het overlapt met een deel van het habitattype Duinvalleien, Vochtige kalkrijke duinvalleien (H2190_B) en Natte duinvalleien met begroeiingen van (periodiek) open water ( H2190_A).

Laatste bolwerk van veel zeldzame plantensoorten
Kalkrijke duinvalleien zijn, net als trilvenen in het laagland en kalkgraslanden in het heuvelland, rijk aan orchideeën. Naast de Groenknolorchis zijn dat o.a. Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Harlekijn (Orchis morio) en Honingorchis (Herminium monorchis). Ook Gentianen zoals Veldgentiaan (Gentianella campestris) en Slanke duingentiaan (Gentianella amarella), behoren tot het assortiment van duinvalleien, naast miniatuurplantjes zoals Dwergvlas (Radiola linoides), Bonte paardenstaart (Equisetum variegatum), Dwergbloem (Anagallis minima), Draadgentiaan (Cicendia filiformis) en Teer guichelheil (Anagallis tenella). Opvallende verschijningen zijn Parnassia (Parnassia palustris) en Knopbies (Schoenus nigricians). Enkele blad- en levermossen zijn ook aan dit milieu gebonden, in het bijzonder Gewoon goudmos (Campylium polygamum), Vierkantsmos (Preissia quadrata) en verschillende Knikmossen (Bryum sp.).

Basenrijk door kalk of door grondwater
Natte duinvalleien zijn veelal ontstaan uit stranden die door duinvorming zijn afgesnoerd van de invloed van de zee en daarna permanent onder de invloed van zoet grondwater kwamen te staan. Zo vormen zich valleien van de eerste orde, ‘primaire valleien'. De toevoeging wordt gebruikt om deze valleien te onderscheiden van ‘secundaire valleien'. Deze duinvalleien van de tweede orde vormen zich waar droge duinmassieven uitstuiven tot op het natte zand. Wanneer het grondwater later stijgt, bijvoorbeeld na een droge zomer of bij kustaangroei, ontstaat een duinplas.
In hun beginfase zijn bodems van natte duinvalleien vaak basenrijk. De basenrijke condities zijn ontstaan door in de bodem aanwezige kalk en/of onder invloed van basenrijk grondwater. Onder deze omstandigheden ontstaan de voor kalkrijke duinvalleien karakteristieke plantengemeenschappen.
Echter, in sterk uitgeloogde duincomplexen, zoals op Vlieland, komen jonge duinvalleien voor met basenarme omstandigheden: de bodem bevat geen kalk en het grondwater is basenarm. Onder deze omstandigheden vormen zich meestal vegetaties van zwakgebufferde vennen of natte heiden.

Hydrologie bepalend voor de vegetatie
De soortenrijke duinvalleigemeenschappen vestigen zich op kale grond en in ondiep vegetatieloos water. De valleivlakten drogen 's zomers enigszins uit, terwijl ze de rest van het jaar vochtig tot nat zijn of deels onder water staan. Het water van de plassen in de valleien van het duingebied is zoet (<0,4 g Cl/l) en voedselarm of matig voedselarm (<0,06 mg totaal-P/l, < 0,6 mg totaal-N/l). Het bestaat uit een mengsel van regenwater en grondwater.
De karakteristieke plantensoorten van de kalkrijke duinvalleien, bijv. de orchideeën, zijn soorten van natte basenrijke en schrale omstandigheden en heel gevoelig voor een toename van het gehalte aan beschikbare voedingsstoffen.
Anders dan in de kalkrijke duinvalleien verdwijnen in veel voedselarme venen de orchideeën al bij een heel geringe vergroting van de waterstandsfluctuatie. De orchideeën kunnen in het veen groeien zolang de beschikbaarheid van voedingstoffen op een laag niveau blijft door een zeer constante aanvoer van ijzerrijk en kalkrijk grondwater. Een vermindering van de grondwatertoevoer leidt tot meer ‘mobilisatie', vrijkomen van in de bodem opgeslagen voedingsstoffen, met name van fosfaat. Een compensatie door het vasthouden van meer water bij een vermindering van de grondwatertoevoer, helpt hier niet, want bij zulk een vernatting neemt de beschikbaarheid van met name fosfaat ook toe. Als gevolg van de toenemende ‘bodemvruchtbaarheid' gaan zich al gauw soorten zoals grassen, struiken of bomen uitbreiden terwijl de soorten van schrale omstandigheden het onderspit delven.
In duinvalleien daalt in elke zomer de grondwaterstand zodat het vochtige bodemoppervlak grotendeels opdroogt en de plassen inkrimpen. Toch leidt deze situatie hier - anders dan in de venen - veelal niet tot een hogere beschikbaarheid van voedingstoffen omdat de totale hoeveelheid aan organische stof klein is. Aanvoer van basenrijk grondwater in ten minste het winterhalfjaar speelt hierbij een belangrijke rol, omdat dit zorgt voor buffering tegen verzuring en de opbouw van organische stof vertraagt zodat schrale condities blijven bestaan. Dat maakt hier langdurige aanwezigheid van de pioniersoorten mogelijk. Hoe minder organische stof zich in een duinvallei ophoopt, hoe minder mineralisatie in de zomer en hoe lager de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Als zich toch een organische toplaag gaat opbouwen, ontstaan vaak minder kalkrijke omstandigheden waarbij fosfaat minder goed gebonden wordt.
Typische duinvalleisoorten zijn aangepast aan schrale, ‘laagproductieve'milieus op kale plekken, dus zonder vegetatiemat. Ze kunnen zich alleen langere tijd handhaven als de ‘natuurlijke' successie wordt afgeremd. Dat kan gebeuren door beheer, bijv. door de vegetatie geregeld kort af te maaien. Er zijn echter ook natuurlijke processen die in duinvalleien een snelle successie kunnen vertragen of terugzetten. Overstuiving is zulk een proces, evenals een sterke toestroom van basenrijk en anaëroob (=zuurstofarm) grondwater.
Soms worden duinvalleien incidenteel overspoeld met zeewater, of ze liggen zo dicht bij zee dat ze een aanzienlijke hoeveelheid zoutspray ontvangen. Mogelijk draagt deze overspoeling met zeewater of neerslag met zwavelhoudende zoutspray bij aan het vertragen van de successie. Het is denkbaar dat het sulfaat in het zeewater ook tot een versnelde afbraak van organisch materiaal leidt. Deze aspecten zijn echter nog niet voldoende onderzocht.
Overigens is hier een opvallende paradox aan de orde: veel planten van natte duinvalleien, bv de orchideeën en Parnassia kunnen niet goed tegen langdurige inundatie. Dat komt doordat hun wortelstelsel afsterft bij langdurige zuurstofloosheid. Voor populaties van deze soorten vormen ‘natte episoden', meerjarige zeer natte perioden, een nauwe flessenhals. Alleen soorten met goed ontwikkeld luchtweefsel (= aerenchym), zoals Knopbies, kunnen zulke perioden overleven. Dat werkt zo goed, dat planten die zelf geen aerenchym bezitten, maar die in de buurt van dergelijke soorten groeien, kunnen profiteren van de uit het wortelstelsel vrij komende zuurstof. Voor overstroming gevoelige soorten kunnen natte jaren bovendien overleven op de soms zeer hoge horsten van polvormende soorten, zoals Knopbies of Pijpenstrootje (Molinia caerulea). Simpelweg omdat de inundatieduur dan korter is.

Toestroom van basenrijk grondwater vertraagt successie
Vooral het toestromen van grondwater kan de successie sterk vertragen. In sommige duinvalleien hield het de pionierfase met Rode Lijstsoorten wel 30-60 jaar in stand. Voorbeelden zijn het Griltjeplak op Terschelling, het Kapenglop op Schiermonnikoog en de Buiten Muy op Texel. Het onderstaande is vooral een beschrijving van de situatie op de Waddeneilanden, waar een groot deel van onze natte duinvalleien gelegen is. In de vastelandsduinen is het zand vaak kalkrijker en speelt verzuring minder een rol.
Waarom vertraagt toestroming van basenrijk grondwater nu de successie? Een deel van de verklaring ligt wellicht in het bufferen van de zuurgraad door het kalkrijke grondwater. Bij een lage pH wordt minder organisch materiaal afgebroken dan bij een hoge en hoopt zich meer materiaal op. In een verzuurd deel van een bepaalde vallei bijvoorbeeld, een deel met veel organisch materiaal, werd onder natte omstandigheden in de toplaag van de bodem een hoge beschikbaarheid aan fosfaat gemeten. Als dat valleigedeelte ‘s zomers droog valt, zijn er voor soorten van latere successiestadia zoveel voedingsstoffen beschikbaar dat de laagproductieve pioniersoorten hier de competitie verliezen. In een recent geplagd, nog niet verzuurd deel van diezelfde vallei, bevatte de bodem in vergelijking met het verzuurde deel zeer weinig organische stof en was de pH hoger. In dit deel bleek de beschikbaarheid van fosfaat zeer laag en werd de groei van de vegetatie voornamelijk door deze voedingsstof beperkt.
Verzuring heeft in deze vallei overigens niet alleen geleid tot een betere beschikbaarheid van fosfaat, maar zorgde ook voor een omslag van fosfaat- naar stikstofbeperking (=stikstoflimitatie). Dat maakt de vegetatie gevoelig voor depositie van stikstof uit de lucht: in deze milieus heeft een kleine verhoging van de beschikbare stikstof al een verandering in de vegetatie en versnelde successie tot gevolg. En de atmosferische stikstofdepositie is niet gering: tussen 1930 en 1980 is deze toegenomen van ca. 10 kg tot ca. 25 kg N per ha per jaar . Daarna is ze weer gedaald en nu gaat het om 15-20 kg N per ha per jaar. Oppervlakkige verzuring kan zo dus een snelle successie ontketenen in natte duinvalleien.
Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat duinwateren met kwelinvloed en een goed ontwikkelde oevervegetatie een zeer rijke watermacrofaunagemeenschap herbergen.

Dwergbiezenvegetaties
Het stikstofgebrek dat optreedt als gevolg van oppervlakkige verzuring (zie vorige alinea) wordt nog versterkt door de jaarlijkse peilfluctuaties in duinvalleien. De afwisseling van nat en droog stimuleert de nitrificatie en denitrificatie, waardoor de stikstofverliezen naar de lucht toenemen. De kleine plantjes van het Dwergbiezenverbond en de Draadgentiaan-associatie zijn zeer goed aangepast aan stikstofarme bodems die enig fosfaat bevatten. Natte duinvalleien en randen van duinplassen vormen vooral in oppervlakkig ontkalkte situaties tegenwoordig het optimale milieu voor Dwergbiezenvegetaties. Hieronder bevinden zich ook internationale bijzonderheden zoals Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Koprus (Juncus capitatus), Dwergvlas (Radiola linoides), Dwergbloem (Anagallis minima) en enkele blad- en levermossen.

Droogvallen in de zomer
De karakteristieke grondwaterafhankelijke vegetaties van natte duinvalleien zijn gebaat bij droogvallen in de zomer. Fosfaat wordt dan gebonden aan ijzer en blijft ook na vernatting nog enkele maanden tot jaren gebonden (zie ook ijzerhuishouding). Ook nemen door de waterstandsfluctuatie de stikstofverliezen naar de lucht toe. Toch moet de bodem ook weer niet te veel of te lang uitdrogen, want dan vindt een versterkte afbraak van organisch materiaal plaats en verdrogen grondwaterafhankelijke vegetaties.
Regelmatige toestroming van basenrijk grondwater voorkomt dat de toplaag in de zomer te sterk uitdroogt. Het heeft ook een gunstige invloed op de ontwikkeling van de zogenaamde microbiële matten. Dit zijn structuren van algen en micro-organismen die stevige laagjes kunnen vormen op mariene slikplaten en in jonge duinvalleien. Microbiële matten kunnen een groot deel van de bodem bedekken en lijken het binnendringen van snel groeiende soorten als Duinriet (Calamagrostis epigejos) tegen te kunnen gaan. Deze matten lijken ook de natuurlijke successie te kunnen vertragen doordat ze CO2 opnemen uit kalkrijk grondwater, waardoor kalk neerslaat op het grensvlak tussen lucht en water. Deze secundaire kalkafzetting draagt er weer toe bij dat de vallei niet snel verzuurt.
De karakteristieke fauna van duinvalleien is aangepast aan de ritmiek van tijdelijke overstromings en droogvallen in de zomer. Het optreden van rijke watermacrofauna gemeenschappen is waarschijnlijk in sterke mate afhankelijk van het ontbreken van vissen in tijdelijke wateren. Daardoor worden de kleine waterdieren hier niet opgegeten door vissen, dus de zogenoemde ‘predatiedruk' is laag.

Fauna van duinvalleien
Duinvalleien kennen een karakteristieke fauna, waarvan de soorten zijn aangepast aan tijdelijke overstroming ofwel een amfibische situatie. Duinvalleien die tenminste in het voorjaar en vroege zomer onder water staan, zijn belangrijke voortplantingsplekken voor de Rugstreeppad (Bufo calamita), Heikikker (Rana arvalis) en de Zwervende pantserjuffer (Lestes barbarus). De larven van de pioniersoorten kunnen snel groeien in het wat voedselrijkere, snel opwarmende water van de ondiepe duinplassen en zijn al klaar met hun larvale ontwikkeling als de duinvallei weer droog komt te staan. De dieren kunnen ook op andere manieren zijn aangepast aan het dynamische karakter van de tijdelijk overstroomde valleien. Ze hebben bijv. een hoge mobiliteit in het volwassen ‘adult'stadium of ze vertonen een hoge reproductie om massale sterfte tijdens overstromingen te compenseren. Of ze leven op een plek die bescherming biedt, zoals ondergronds of in holle planten. Ondergronds levende dieren, zoals verschillende soorten mieren en kortschildkevers, overleven tijdelijke overstromingen doordat in hun leefruimte een zuurstofbel aanwezig blijft, die gebruikt wordt als extra long. Ook loopkevers van het geslacht Dyschirius leven ondergronds en jagen daar op larven van het kortschildkever-geslacht Bledius. Sommige gewoonlijk op het land levende diersoorten kunnen over het wateroppervlak lopen, zoals de dwergspin Erigone arctica, of kunnen zelfs onder water zwemmen, zoals de sprinkhaansoort het Zanddoorntje (Tetrix ceperoi). Een andere sprinkhaansoort, het Gewoon spitskopje (Conocephalus dorsalis) is de enige sprinkhaansoort die op lagere kwelders en in natte duinvalleien leeft. De vrouwtjes leggen hun eitjes in holle stengels en die eitjes kunnen wekenlange overstromingen overleven. Enkele typische loopkeversoorten van vochtige duinvalleien en oevers van duinplassen zijn de Spiegelloopkever (Omophron limbatus), Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata.
De vaak rijk bloeiende vegetatie van kalkrijke duinvalleien vormt een zeer belangrijke voedselbron voor veel soorten bloembezoekende dieren, zoals vlinders, bijen, wespen en vliegen. De meeste van deze soorten zijn voor hun voortplanting, nestbouw, overwintering of overige voedselbronnen echter afhankelijk van biotopen in het droge duin.

Kalkrijke duinplassen
Soms bevatten duinvalleien laagten die vrijwel permanent of permanent met water zijn gevuld. Bij kustaangroei kunnen natte duinvalleien ‘verdrinken' als gevolg van een stijging van de grondwaterstand in het duin. In een aantal natte duinvalleien zijn extra laagten gegraven, bijvoorbeeld voor de drinkwatervoorziening van vee of voor gebruik als schaatsbaan. De hierboven in relatie tot de oever- en moerasvegetaties beschreven processen hebben op de vegetatie van de duinplassen een even cruciale invloed. In de plassen is de toestroom van grondwater in met name het winterhalfjaar en waterpeildaling in de zomer van groot belang. Hierdoor blijft de waterlaag lange tijd voedselarm en gaan drijvende en zwevende waterplanten niet overheersen. De typische duinplasvegetatie bestaat uit soorten die wortelen in de bodem en daar hun voedingsstoffen opnemen. Wel gebruiken ze de kalk uit het water als koolstofbron.
In kalkrijke duinplassen, met een buffercapaciteit van meer dan 1 milli-equivalent per liter, nemen Kranswiergemeenschappen een belangrijke plaats in. Met name Ruw kransblad (Chara aspera) en Grof kransblad (Chara major) kunnen gesloten vegetaties vormen. Maar ook een bijzonderheid als Klein boomglanswier (Tolypella glomerata) kan in dergelijke plassen voorkomen. De vaatplanten worden vaak vertegenwoordigd door Ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus) en Fijne waterranonkel (Ranunculus aquatilis). Als grote bijzonderheid kan Weegbreefonteinkruid (Potamogeton coloratus) voorkomen. De best ontwikkelde kalkrijke duinplassen zijn te vinden op Texel, in Voorne's duin en in de Kennemerduinen. Daarbij gaat het om vaak vrij kleine plassen. Hierdoor staat een relatief groot oppervlak van de plas onder invloed van grondwater. Grotere plassen in de kalkrijke duinen worden vaak minder door grondwater beïnvloed en dat betekent net als in natte duinvalleien een versnelde successie, ophoping van organisch materiaal en het vrijkomen van voedingsstoffen.

Voor een beschrijving van kalkarme duinplassen zie de websitepagina ‘Vennen'.

Met bijdragen van:
Rienk Slings, Ab Grootjans, Emiel Brouwer, mei 2008 en André Aptroot, juli 2006.

Literatuur:
Grootjans, AP, EJ Lammerts & F. Van Beusekom 1995. Kalkrijke duinvalleien op de Waddeneilanden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Schaminée, JHJ, EJ Weeda & V Westhoff, 1998. De vegetatie van Nederland. Deel 4: Kust en binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Uppsala.

Westhoff, V. & M. van Oosten 1991. De vegetatie van de Waddeneilanden. KNNV Uitgeverij, Utrecht

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2003. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 3: Kust en binnenlandse pioniermilieus. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Aggenbach, C.J.S., J. Grijpstra en M.H. Jalink. 2002; deel 7 Duinvalleien (kalkrijke duinen) . Serie indicatorsoorten, 1995-2007, Staatsbosbeheer, Driebergen

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website