Pad: Natuurtypen / Open duinen (N08) / Open duin (N08.02) / Grijze duinen

Grijze duinen

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

KENSCHETS
Karakteristieke planten
Ook struweel kent hoge natuurwaarden
Dieren van de grijze duinen
Struweelvorming in kalkrijke grijze duinen: Duindoornlandschap
In kalkarme grijze duinen snel heidevorming mogelijk
Droge duingraslanden en de typologie van Doing
Het Dauwbraamlandschap
Het Fakkelgraslandschap
Het Buntgraslandschap
Het Zeedorpenlandschap
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Het grijze duin vormt de ruggengraat van het duinlandschap: van alle natuurtypen van het open duin neemt het grijze duin de grootste oppervlakte in. In tegenstelling tot het habitattype grijze duinen worden hier ook de struwelen tot de grijze duinen gerekend. Grijze duinen grenzen aan meer dynamische witte duinen, die ook Helmduinen worden genoemd. De zogenoemde binnenduinen, het meest landinwaartse, minst dynamische gedeelte van de duinsystemen, is vaak deels met bos begroeid. In de opeenvolging van begroeiingsstadia die begint met embryonale duinen en eindigt met duinbos, vormt het grijze duin zonder twijfel het meest soortenrijke natuurtype van droge duinen. Duingraslanden, dwz. begroeiingen van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen, wisselen af met plekken kaal zand en lage of vrij hoog opgaande duinstruwelen. Tenminste in zijn oorspronkelijke staat, voordat het dynamische evenwicht tussen verstuiving en dichtgroeien was verstoord, omvatte het grijze duinsysteem duincomplexen met een zeer gevarieerd mozaïek van milieus en gemeenschappen met veel overgangen.
Onze duingraslanden en duinstruwelen zijn van Europese betekenis, vooral omdat ze zo uitgestrekt zijn en veel variatie vertonen. Sommige van de plantengemeenschappen van onze de duingraslanden zijn zeer bijzonder en zelfs ‘endemisch' voor Nederland en omringende landen.

KENSCHETS

Karakteristieke planten
Duingraslanden vielen vanouds op vanwege hun rijkdom aan plantensoorten waaronder veel fraai bloeiende kruiden. Grijze duinen blinken ook nu vooral uit aangaande een hoge biodiversiteit van planten op een kleine oppervlakte. Vier vierkante meter droog duin kan gemakkelijk 40 soorten vaatplanten bevatten plus nog een dozijn mossen en korstmossen. Een opmerkelijk groot aantal van de soorten die in grijze duinen voorkomen zijn soorten die aan droge en/of warme omstandigheden zijn aangepast. Veel van die soorten komen in ons land buiten de duinen niet of nauwelijks voor; sommige komen behalve in de duinen ook voor in onze binnenlandse duinen, op rivierduinen of in kalkgraslanden. Op kalkarme en ontkalkte plaatsen in de grijze duinen komen net als in binnenlandse zandverstuivingen veel korstmossen voor. Sommigen komen vrijwel alleen in de duinen voor o.a. Sierlijk rendiermos (Cladina ciliata).

Vooral op kalkrijk zand kunnen de duingraslanden een zeer groot aantal, waaronder veel karakteristieke en bijzondere hogere planten bevatten zoals Hondskruid (Anacamptis pyramidalis) en Wondklaver (Anthyllis vulneraria). Vooral in nog licht stuivende duinen groeien vaak ook veel mossen, bijv. Buizerdmos (Rhytidium rugosum) en paddenstoelen zoals Gesteelde stuifbal (Tulostoma brumale). Vaak is in grijze duinen sprake van een oppervlakkige uitloging van het zand, waarbij de diepere bodemlaag kalkhoudend blijft. Dan kunnen soorten van kalkarm en soorten van kalkrijk milieu die op verschillende diepte wortelen naast elkaar voorkomen.

Ook struweel kent hoge natuurwaarden
In het open duin komen voor Nederlandse begrippen zeer veel soorten struiken voor, vooral op kalkrijke bodem. Duinstruwelen zijn er in vele verschijningsvormen, elk met hun speciale natuurwaarden. Er zijn bijv. nog geen decimeter hoge, door de zeewind geschoren struwelen van Wilde liguster (Ligustrum vulgare) bij met daardoorheen gevlochten Aardaker (Lathyrus tuberosus). De Roodborsttapuit (Saxicola torquata) zit graag op zulke struiken. De struwelen van Duindoorn (Hippophae rhamnoides) worden manshoog en zijn veelal ondoordringbaar. Daar groeit de internationaal zeldzame Duindoornvuurzwam (Phellinus hippophaecola) vaak in grote aantallen. In struwelen van Gewone vlier (Sambucus nigra) zijn veel opgaande kruiden zoals Wild kattenkruid (Nepeta cataria) aanwezig en groeien bijv. Broedkroesmos (Ulota phyllantha) en Sliertmos (Calliergon stramineum) op de takken. Duinstruwelen van Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) huisvesten vaak vele Nachtegalen (Luscinia megarhynchos) en wel acht verschillende soorten van Aardsterren (Geastrum sp.). De ondergroei kent ook karakteristieke soorten zoals Duinsalomonszegel (Polygonatum odoratum). Overigens behoren de eeuwenoude Meidoorns en Wegedoorns (Rhamnus cathartica) die hier en daar in de duinen staan waarschijnlijk tot de oudste organismen in de duinen. Andere typische struikgewassen zijn onder andere Duinroos (Rosa pimpinellifolia), Kruipwilg (Salix repens) en Zuurbes (Berberis vulgaris). Maar ook Dauwbraam (Rubus caesius) en Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) kunnen grote struwelen vormen. . Struweelvorming is op zichzelf een natuurlijk proces in duinen en waar het al lange tijd optreedt, heeft het veelal geleid tot struweel met bijzondere natuurwaarden. Het gaat dan om soortenrijke duinstruwelen die bijv. voorkomen in allerlei natuurlijke overgangssituaties in duinen en op de overgang van duinen naar graslanden. Deze overgangssituaties behoren tot de natuurlijkste die ons land te bieden heeft: ze volgen het reliëf en trekken geen scherpe rechte lijnen tussen verschillende vegetaties en milieus. Er zijn duinstruwelen waarvan de ondergroei grotendeels overeenkomt met die van het aangrenzende open duin, maar er zijn ook andere met een daarvan afwijkende ondergroei.

Echter, een verrassend hoog percentage van duinstruwelen komt voor op standplaatsen waar de mens actief is geweest en de bodem ‘geroerd' en/of bemest heeft. Het gaat hierbij om vroegere landbouwcomplexen, uitgestrekte mijnenvelden, grootschalige Helmaanplantingen e.d. Dit zijn doorgaans soortenarme struwelen met een ondergroei van Grote brandnetel (Urtica dioica) of Duinriet (Calamagrostis epigejos).


Dieren van de grijze duinen
Intacte grijze duinen kennen een zeer rijke fauna. De afwisseling van kale en begroeide plekken, vegetatiestructuur, bodemontwikkeling en bloemrijkdom maakt dat veel diersoorten hier een geschikte leefomgeving vinden. Enkele van de karakteristieke diersoorten zijn in Nederland inmiddels uitgestorven, zoals de Griel (Burhinus oedicnemus), een vogelsoort, en de vlinder Duingentiaanblauwtje (Maculinea alcon arenaria). Karakteristieke diersoorten die momenteel in de grijze duinen leven zijn onder andere Tapuit (Oenanthe oenanthe), Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens) en veel soorten bijen, wespen, loopkevers. Voorbeelden van vlinders zijn de Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia), Grote parelmoervlinder en Duinparelmoervlinder (Argynnis aglaja en A. niobe). Deze vlinders zijn allemaal als rups afhankelijk van viooltjes.

Binnen de grijze duinen neemt het zogenoemde Zeedorpenlandschap een bijzondere plaats in. De zeer grote bloemenrijkdom en de vele afwisselende biotopen maakt dat hier een zeer rijke faunagemeenschap voor kan komen. De Oorsilene-uil (Hadena irregularis), een vlinder, is in Nederland afhankelijk van het Zeedorpenlandschap omdat haar waardplant Oorsilene (Silene otites) in ons land alleen daar voorkomt. Daarnaast vormt het Zeedorpenlandschap een van de laatste Nederlandse bolwerken voor de Kustbehangersbij (Megachile maritima) waarvan de larven leven van Aardaker (Lathyrus tuberosus), een plant van braakliggende duinakkers in het Zeedorpenlandschap..

Struweelvorming in kalkrijke grijze duinen: Duindoornlandschap
Twee belangrijke processen zijn het meest bepalend voor de natuur van het droge duin: de vegetatiesuccessie ofwel het dichtgroeien en de verzuring ofwel ontkalking. In de loop van de successie vormen zich plantengemeenschappen en groeien de plekken met kaal, nog licht beweeglijk zand geleidelijk dicht. Het aanvankelijk nog ijle vegetatiedek sluit zich langzaam.

Op landschapsschaal bekeken, verloopt de natuurlijke successie in kalkarme duinen volgens een andere reeks dan in kalkrijke duinen. De kalkrijke duinen zijn niet alleen rijker aan calcium, maar vaak ook aan ijzer, magnesium en andere mineralen. Mede daarom groeien deze duinen sneller dicht met struweel. Al vlak achter de zeereep, op plekken waar het stuiven van het zand stopt, kunnen zich in kalkrijke duinen struwelen vormen met Duindoorn (Hippophae rhamnoides), Gewone vlier (Sambucus nigra), Eenstijlige meidoorn, Ratelpopulier (Populus tremula) en Wilde liguster (Ligustrum vulgare). De meest omvangrijke struwelen zijn echter te vinden in de midden- en binnenduinen en tegenwoordig ook in het Zeedorpenlandschap. De struwelen met Duindoorn werden zo karakteristiek voor de duinen dat ze, in navolging van de duinexpert Doing, sinds 1988 bekend staan als het Duindoornlandschap. Wanneer er grazers, vooral konijnen aanwezig zijn, remt de begrazing de struweelontwikkeling en ontstaat vooral duingrasland.

De natuurlijke standplaatsen van Duindoorn zijn tot rust gekomen witte duinen, vooral de plekken met sterke opstuiving zoals de lijzijde van gestabiliseerde paraboolduinen. Het Duindoornlandschap komt echter alleen voor in de middenduinen van het kalkrijke duin. Het is hier ontstaan doordat de bodem van het Dauwbraamlandschap geleidelijk minder humeus en voedselarmer werd, maar niet volledig ontkalkte. De paraboolduinen waarop het Duindoornlandschap zich ontwikkelde, stammen uit de tweede fase van de vorming van de jonge duinen. Deze relatieve ouderdom van 4‑6 eeuwen blijkt uit de afgeronde vormen van deze middenduinen. Onder stabiele omstandigheden kan dit landschap langdurig in stand blijven. In het verleden zijn Duindoornlandschappen wellicht door herhaaldelijk afbranden geschikt gemaakt of gehouden voor veebegrazing. Wellicht is het verspreid voorkomen van beweidingsindicatoren, zoals Kleine pimpernel (Sanguisorba minor) hierop terug te voeren. Er wordt in dit verband ook gesproken van een ‘kalkrijke kruidenzoom'.

Geen enkel landschap heeft zo van het menselijk gebruik van de 20e eeuw geprofiteerd als het Duindoornlandschap. Op veruit de meeste plaatsen zijn vitale, vaak onnatuurlijke hoge Duindoornstruwelen het gevolg van het verstoren van de bodem door menselijke activiteiten. Dit zijn bijvoorbeeld oude landbouwcomplexen, mijnenvelden, opgeheven infrastructuur, en bunkercomplexen. Of plekken waar verstuivingen zijn bestreden door omspitten: vroeger was dit heel gebruikelijk.

Vanuit floristisch oogpunt is het Duindoornlandschap één van de minst soortenrijke duinlandschappen. De begroeiing wordt vaak gekarakteriseerd als ruig of verruigd. Het ruige aspect is echter een natuurlijke situatie: Duinriet (Calamagrostis epigejos) kan tot dominantie komen bij een snelle afbraak van strooisel in een droog tot vochtig milieu. Zulk een afbraak treedt op in en rond Duindoornstruwelen. Het Duindoornstrooisel breekt gemakkelijk af en de met Duindoorn in symbiose levende actinomyceet Frankia fixeert veel (tot 58 kg/ha/jr) stikstof. Voorts is het Duindoornlandschap een matig geschikt leefgebied voor het Konijn: In de uitgestrekte struwelen valt weinig te vreten, terwijl de Duinrietvelden slechts in een beperkte periode van het jaar een eiwitrijke voedselbron vormen. In het nutriëntrijke Duindoornmilieu ontsnapt Duinriet gemakkelijk aan begrazing door konijnen. In jaren met een normale neerslaghoeveelheid en in natte jaren grijpen hoog opgaande grassen hun kans en krimpen de kortgrazige konijnenweitjes sterk. In droge jaren lukt het hen vaak om de weitjes weer uit te breiden.

Verschillende vegetaties kunnen de Duindoornstruwelen in het Duindoornlandschap opvolgen. Indien er voldoende vocht en voedsel aanwezig is, wordt Duindoorn overgroeid door hogere gewassen en ontstaat Duinbos of een hoog struweel met bijvoorbeeld Kardinaalsmuts. Vooral op droge plaatsen kunnen kalk, nitraat en humus echter makkelijk uitspoelen en blijft het milieu langdurig tamelijk voedselarm. Op veel plekken handhaaft zich al tientallen jaren een door Duindoorn en Duinriet gedomineerde vegetatie. Alleen op de meest humusarme, droge of kalkarme plekken sterft Duindoorn uiteindelijk af en kan zich een ontwikkeling voordoen richting Fakkelgraslandschap of Buntgraslandschap.

In kalkarme grijze duinen snel heidevorming mogelijk
In kalkarme duinen is de opslag van struiken zoals Duindoorn en snelle struweelvorming vaak alleen mogelijk in de allerjongste, nog niet volledig ontkalkte duinen. Van nature raakt een groot deel van onze kalkarme droge grijze duinen begroeid met mos- en korstmosrijke vegetaties met veel Buntgras. Dit zogenoemde Buntgraslandschap handhaaft zich lang, met name op zuidhellingen. Daar loopt de temperatuur het hoogst op in de zomer, waardoor er een versnelde afbraak van organisch materiaal plaatsvindt. Met regenbuien spoelt droog strooisel en humus gemakkelijk weg. Er vormt zich dus nauwelijks humus en daardoor blijft de bodem hier extreem droog en voedselarm.

Waar in kalkarme grijze duinen iets koelere en vochtigere omstandigheden heersen, is een iets snellere opbouw van vegetatie, organisch materiaal en humus mogelijk. Op zulke plaatsen vestigt zich Struikheide (Calluna vulgaris), Kraaiheide (Empetrum nigrum) en Gewone eikvaren (Polypodium vulgare). Zo ontstaat een ‘dwergstruweel' dat hier als een apart natuurtype wordt beschreven; zie onder ‘Duinheide'. In het Waddendistrict ontstaat duinheide over de hele breedte van het duinsysteem, in het Renodunaal systeem vinden we duinheide aan de binnenduinrand.

Droge duingraslanden en de typologie van Doing
De typologie van duinlandschappen van Doing uit 1988 geeft een overzichtelijk beeld van de variatie en patronen in het Nederlandse duingebied. We gebruiken zijn typologie hier om de enorme diversiteit van de grijze duinen samen te vatten en om een extra verbinding te leggen met het menselijk gebruik in het verleden.. Het Kraaiheilandschap van Doing is beschreven onder duinheide en het Duindoornlandschap van Doing is hierboven al beschreven. Wat de grijze duinen aangaat onderscheidt Doing naast het Duindoornlandschap nog vier ‘landschappen': het Dauwbraamlandschap, het Fakkelgraslandschap, het Buntgraslandschap en het Zeedorpenlandschap. Voor meer informatie zie ook de originele publicatie van Henk Doing (Doing, 1988) of deel 8 uit de indicatorenreeks over droge duinen (Aggenbach et al., 1999). Een beschrijving van de overgangen in late stadia van landschapssuccessie en te verwachten veranderingen wordt hier achterwege gelaten omdat deze ter discussie staan. Hoe de verschillende duinlandschappen zijn ontstaan, is hieronder wel beschreven.
Let wel: de door Doing genoemde landschappen komen allen voor binnen het landschap van het Duin- en kustgebied van dit websitesysteem.

Het Dauwbraamlandschap
Het Dauwbraamlandschap is ontstaan door overstuiving van een bestaand, dichtbegroeid duinlandschap door kalkrijk duinzand: mobiele duinen ‘zijn er overheen gereisd'. De menging van kalkrijk materiaal met het organische materiaal van de overstoven begroeiing zorgt voor relatief voedselrijke omstandigheden, en daarin voelt Dauwbraam (Rubus caesius) zich thuis De kalk bevordert de productie van organisch materiaal, maar ook de afbraak van humus. Kalkrijk duinzand met een snelle humusomzetting vormt het ideale milieu voor het Dauwbraamlandschap. Dauwbraam is vaak massaal aanwezig. Het Dauwbraamlandschap heeft een vrij dichte, kruidenrijke vegetatie en is ook rijk aan mossen zoals Smaragdmos (Homalothecium lutescens) en Duinsnavelmos (Rhynchostegium megapolitanum). Vooral op humeuze noordhellingen komen daarnaast ook combinaties van grote zeldzaamheden voor zoals Duinkronkelbladmos (Tortella flavovirens) en Klein klokhoedje (Encalypta vulgaris).Van de hogere planten komen Duinviooltje (Viola curtisii) en Kruipend stalkruid (Ononis repens repens) optimaal in het Dauwbraamlandschap voor. De begroeiing is vrij gesloten maar kent toch vele open plekjes en is daarom zeer geschikt voor warmteminnende dieren. Dauwbraamduin is in hoofdzaak gevormd onder invloed van een sterke konijnenbegrazing die de ontwikkeling van hoog struikgewas heeft voorkomen. Dauwbraam is weliswaar een houtige plant ofwel struik die een halve meter hoog kan worden, en van Dale's omschrijving van struweel is ‘struikgewas', maar het Dauwbraamlandschap wordt toch niet beschouwd als een struweellandschap.

Het Dauwbraamlandschap grenst altijd aan de zeereep, ofwel het Helmlandschap en dankt zijn ontstaan aan het terugwijken van de kust, want bij een aangroeikust ontstaat direct een Duindoornlandschap. Dat Duindoorn in dit landschap zo'n ondergeschikte rol speelt heeft mogelijk te maken met de overheersing van Dauwbraam op hellingen en hogere terreindelen Dauwbraamstrooisel blijkt namelijk de kieming van de Duindoorn sterk te remmen. In de lagere duindelen en in de verdroogde valleien die in dit landschap liggen komt de Duinpaardebloem-associatie voor. Dat grasland dankt zijn karakter aan konijnenbegrazing en schapenbegrazing. Bij veebegrazing verdwijnt het en maakt plaats voor graslanden van het Zeedorpenlandschap.
Op de witte duinen na is dit het jongste landschap in het duingebied. De grote middenduin-paraboolduinen van het Noordhollands Duinreservaat bijvoorbeeld, verplaatsten zich nog in 1825 angstwekkend snel landinwaarts (beschrijving Gevers, 1829). Zelfs de Papenberg -de hoge binnenduinrand-loopduinreeks bij Castricum- veroorzaakte toen nog overlast. Ten zuiden van IJmuiden (NP Zuid-Kennemerland) beschreef Hugo de Vries, de bekende bioloog, in 1865 zeer beeldend mobiele duinen.

Essentieel voor het voortbestaan van dit landschap is een afslaande kust met vrije vorming en verplaatsing van paraboolduinen. Konijnenbegrazing is noodzakelijk voor de instandhouding van de kenmerkende vegetaties. Ook begrazing met vee draagt bij aan de instandhouding van het Dauwbraamlandschap. In periodes waarin langdurig stabiliteit overheerst - door al dan niet kunstmatig vastleggen - of in periodes met een lage begrazingsdruk vertonen met name de geaccidenteerde delen van het Dauwbraamlandschap successie naar (Duindoorn)struweel.

Het Fakkelgraslandschap
Waar de invloed van verstuiving ontbreekt in de droge graslanden van de kalkrijke duinen, vindt een geleidelijke humusophoping en uitloging van het zand plaats. Het Fakkelgraslandschap is kenmerkend voor oudere, gestabiliseerde en begraasde delen van het duin. Smal fakkelgras (Koeleria macrantha) is hier karakteristiek, maar de soort heeft een ruimere verspreiding in de duinen. De bodem van het Fakkelgrasduin is kalkhoudend, maar veelal oppervlakkig enigszins ontkalkt en verzuurd door wegzijging van regenwater en geleidelijke uitloging. Het proces van uitloging dat aan de bodemoppervlakte begint, maakt dat in veel van de duingraslanden soorten van kalkarme en kalkrijke bodem door elkaar groeien. Daarbij overheersen in de moslaag meestal zuurminnende mossen en korstmossen, terwijl de diep wortelende kruiden kalkminnend zijn. Kenmerkende soorten zijn onder andere Zandpaardenbloem (Taraxacum laevigatum; vroeger groep Erythrosperma), Oranjegele paardenbloem (Taraxacum obliquum) en velden met Duinroos. De vegetatiedichtheid kan variëren van ijl naar gesloten. Op den duur zijn er nog maar weinig open plekjes met kaal zand. Echter, veel plekken zijn alleen begroeid met een dunne mos- of korstmoslaag. Dat maakt dat ook het Fakkelgraslandschap zeer geschikt is voor warmteminnende dieren.

Het Fakkelgraslandschap is ontstaan door uitloging van kalkrijke duinen. Deze kan zowel natuurlijk als menselijk bepaald zijn. Van meer natuurlijke uitloging is waarschijnlijk sprake bij de Duinroosvelden in het midden- en binnenduin van Kennemerland en Berkheide. Vermoedelijk zijn deze uitgestrekte velden, ook wel ‘kalkrijke heiden' genoemd, op te vatten als ‘het extensieve uiteinde' van de beïnvloedingsgradiënt vanuit de zeedorpen. Het gaat daarbij om plaatsen waar het gebruik altijd het minst intensief is geweest en waar dit het eerst werd gestopt.
Duidelijker door de mens bepaald zijn de Fakkelgraslandschappen van het midden- en binnenduin. De oudste, uitgemergelde landbouwontginningen zijn tot dit landschap te rekenen, evenals de onder langdurige schapenbegrazing ontstane terreinen. Delen van deze duingebieden zijn later secundair weer verstoven en hebben thans een natuurlijk, zij het gering, reliëf. De zogenoemde nollen en mienten zijn dergelijke binnenduingraslanden; in Zeeland heten ze vronen. De meest kalkarme gedeelten dragen nu een vegetatie van Struisgras en Zandzegge.
Essentiële factor is een matig kalkrijke, humusarme bodem. Door de dominantie van grassen is dit landschap geschikt voor begrazing. Konijnen kunnen de ontwikkeling naar een hoger gestructureerde vegetatie gemakkelijk binnen de perken houden - voorzover die gaat optreden. Door humusarmoede is de neiging daartoe hier gering.
De grote Duinroosvelden hebben waarschijnlijk lange tijd nodig gehad om zich te vormen. In de bodem is hier en daar een micro-podzol aanwezig met beginnende oerbankvorming; daarvoor is en zeer langdurige stabiele situatie met neerslagoverschot nodig. Op den duur, na lange tijd en bij een voldoende lage stikstofdepositie, zal zich hier waarschijnlijk een droge duinheide ontwikkelen. Op vochtige plaatsen, bijv. onderaan hellingen waar humus bijeenspoelt, is een ontwikkeling naar struweel of duinbos waarschijnlijker.

Het Buntgraslandschap
Buntgrasduinen zijn aanwezig waar het duinzand volledig is uitgeloogd en in de bodem zure omstandigheden heersen. Verder zijn de standplaatsen voedselarm en er vormt zich hier geen humus. In de kalkarme duinen kan het Buntgraslandschap al direct na stabilisatie van de witte duinen ontstaan. In van oorsprong kalkrijke duinen kan het Buntgraslandschap het Fakkelgraslandschap in relatief schrale droge situaties opvolgen wanneer het duinzand tot op vele decimeters diepte is uitgeloogd en verzuurd. Terwijl daar Buntgras (Corynephorus canescens) en Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) reeds op de voorgrond gaan treden, kunnen diep wortelende basenminnende soorten zoals Smal fakkelgras en Geel walstro (Galium verum) zich nog handhaven zolang de diepere bodemlaag nog kalk bevat. Vooral de warme zuidhellingen van het Buntgrasduin zijn rijk aan korstmossen en de vegetatie vertoont daar veel overeenkomst met die van binnenlandse zandverstuivingen. Op de noordhellingen heerst een relatief koel microklimaat en hier kunnen mossen groeien zoals Pluimstaartmos (Rhytidiadelphus triquetrus) en Etagemos (Hylocomium splendens) en vestigen zich Gewone eikvaren (Polypodium vulgare), Kraaiheide (Empetrum nigrum). De afwisseling van biotopen met verschillend microklimaat in het Buntgrasduin is zeer gunstig voor veel diersoorten. Veelal vormt Buntgrasduin complexen met duinheide of vindt daarin een geleidelijke ontwikkeling plaats in de richting van duinheide, beginnend in de valleien en op de noordhellingen (zie alinea ‘In kalkarme grijze duinen snel heidevorming mogelijk').

Het Buntgraslandschap komt voornamelijk in het Waddendistrict voor en verder op enkele plaatsen aan de uiterste binnenduinrand van kalkrijke duinen. Op de standplaatsen in het Waddendistrict is het zand primair kalkarm; in het Renodunaal district is het door zeer langdurige uitloging en/of door vermenging tijdens het ontstaan van het landschap met kalkarm strandwalzand, kalkarm geworden (< 0.5 - 1% kalk). Het gehalte aan organische stof is relatief gering in vergelijking met dat van de andere duingraslandlandschappen. Het betreft hier dan ook de oudste delen van de jonge duinen: ouder dan 700 jaar. Kenmerkend voor het Buntgraslandschap zijn de korstmosrijke Buntgrasvegetaties met o.a. Zandblauwtje en Klein tasjeskruid. Kenmerkend zijn ook korstmosrijke Duinroosstruwelen: die zijn anders van karakter dan de kruidenrijke Duinroosvelden van het Fakkelgraslandschap. Begrazing door konijnen is in Buntgraslandschap noodzakelijk, anders gaat vooral in vochtige jaren Duinriet domineren. Voor vee is hier weinig voedsel te vinden. Intensieve veebegrazing leidt hier soms tot verstuivingen, die, vanwege het feit dat Helm zich hier minder snel vestigt, zó groot kunnen worden dat zich een secundair Helmlandschap vormt.
Waar kleine stukjes Buntgraslandschappen samen met andere duinlandschappen als een geheel worden begraasd, zoals bijv. in Solleveld, kan vermesting voor problemen zorgen. Via het vee kunnen er nutriënten versleept worden van voedselrijkere plekken naar deze schrale stukjes Buntgraslandschap.

Het Zeedorpenlandschap
Van alle duingraslanden zijn die van het Zeedorpenlandschap, dat rond bebouwing in het Renodunaal district voorkomt, het meest soortenrijk. Hier vond een eeuwenlange afwisseling plaats van perioden met extreme roofbouw en van perioden met een meer gematigd duingebruik. Enerzijds is in deze duingedeelten enige verrijking met voedingsstoffen opgetreden. Er werd allerlei organische mest en afval aangevoerd en achtergelaten onder meer doordat hier kleinschalige akkerbouw plaatsvond, de veedichtheid er hoog was en er visnetten gedroogd en gereinigd werden. Anderzijds vond er steeds vermenging van zand en het organische materiaal plaats door betreding, begrazing, allerlei verstoring en verstuiving op open plekken. Ook werd er gemaaid, geplagd en Helm uitgestoken en dus enig organisch materiaal afgevoerd. Voor de bodem van het Zeedorpenlandschap is, meer nog dan in het Dauwbraamlandschap, een snelle omzetting van organisch materiaal en een hoog kalkgehalte tot in de toplaag kenmerkend. Omdat de kalk in de bodem van het Zeedorpenlandschap vaak aanwezig is in de vorm van zeer fijne deeltjes, is de buffercapaciteit hoog terwijl er gemakkelijk uitloging kan plaatsvinden. Dit in tegenstelling tot bodems met grove schelpresten: zulke bodems zijn vaak slechts matig gebufferd maar behouden hun buffering lang.

Mede doordat door de eeuwen heen veel soorten zich dankzij onopzettelijk menselijk transport nabij de dorpen hebben kunnen vestigen is het Zeedorpenlandschap zo soortenrijk. Kenmerkende planten zijn Kegelsilene (Silene conica), Oorsilene (Silene otites) en Langkapselsterretje (Tortula subulata). In droge valleien en op noordhellingen in het Zeedorpenlandschap is relatief veel kalkrijke humus aanwezig en kunnen zeer soortenrijke graslanden voorkomen die gelijkenis vertonen met kalkgraslanden. Door de grote rijkdom aan plantensoorten en door het relatief grote aandeel open, verstoorde plekjes, kent het Zeedorpenlandschap ook een eigen fauna.
Het Zeedorpenlandschap is meestal afgeleid van het Dauwbraamlandschap. Sterke, langdurige menselijke beïnvloeding in een Dauwbraamlandschap is de sleutelfactor, waarbij perioden van overexploitatie en van minder intensief gebruik afwisselden. Uiteraard is ook dit een nog jong type van landschap. Essentieel zijn beweiding met geiten, koeien, paarden en ‘windkuilverstuivingen'. Dat zijn t.o.v. de paraboolduinen in het Dauwbraamlandschap klein blijvende, zich niet of nauwelijks verplaatsende verstuivingen. De vele, tegenwoordig vastgelegde, windkuilen zijn bepalend voor het complexe, weinig overzichtelijke landschapsbeeld. Dichtbij de zeedorpen werden de graslanden en later ook de akkertjes ook bemest met afval uit de zee. Kenmerkend is vooral de Associatie van Wondklaver en Nachtsilene.

Bij het staken van de intensieve menselijke beïnvloeding vindt vergrassing gevolgd door sterke struweeluitbreiding plaats, veelal met Wilde liguster, maar ook met Duindoorn. De graslanden kunnen ook oppervlakkig verzuren en overgaan in grasland van de Duinpaardebloem-associatie. Bij voortgaande verzuring kunnen zelfs kalkmijdende soorten als Klein tasjeskruid en Zandblauwtje zich hier vestigen. De begrazing heeft de omzetting van voedingsstoffen sterk versneld t.o.v. het uitgangslandschap. Konijnen zijn daardoor niet in staat om, zonder hulp van vee, de vergrassing en verstruweling tegen te houden.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De grijze duinen omvatten vele vegetatietypen, die gewoonlijk in een mozaïek met veel overgangen voorkomen. De soortenrijke en meestal kruidenrijke gemeenschappen zijn Duin-Buntgras-associatie (14Aa2), Duin-Struisgras-associatie (14Bb2), Duinsterretjes-associatie (14Ca1), Kegelsilene-associatie (14Ca2), Associatie van Oranjesteeltje en Langkapselsterretje (14Ca3), Duin-Paardebloem-associatie (14Cb1), Associatie van Wondklaver en Nachtsilene (14Cb2), Associatie van Parelzaad en Salomonszegel (17Aa2), Associatie van Ballote en andere Netels (31Ab3) en Slangekruid-associatie (31Ba1).

Andere veel voorkomende gemeenschappen zijn de Rompgemeenschappen van Zandzegge (14RG1), Duinriet (14RG9), Kruipwilg (14RG10) en Duinroos (14RG11).
De struwelen behoren tot de Associatie van Duindoorn en Vlier (37Ac1), Associatie van Duindoorn en Liguster (37Ac2), Associatie van Wegedoorn en Eenstijlige meidoorn (37Ac3), en de Rompgemeenschappen van Duindoorn en Akkermelkdistel (37RG1), Duindoorn en Cladonia (37RG2), Duindoorn en Duinriet (37RG3) en van Liguster (37RG4). De bossen en zeer hoog opschietende struwelen in de duinen worden hier als een apart natuurtype beschreven, zie ‘Duinbos'.
Grijze duinen omvat de natuurdoeltypen ‘Droog kalkarm duingrasland', ‘Droog kalkrijk duingrasland' en ‘Zoom, mantel en droog struweel van de duinen'. Het verenigt twee habitattypen van de habitatrichtlijn, de Grijze duinen (H2130) en Duindoornstruwelen (H2160).


Met bijdragen van:
Rienk Slings, oktober 2007, Bas Arens, september 2007, Emiel Brouwer, juli 2007 en André Aptroot, juli 2006.

Literatuur:
Aggenbach, C.J.S. & M.H. Jalink, 1999. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiering in droge duinen. Deel 8 uit de serie ‘Indicatorsoorten', Staatsbosbeheer.

Bonte, D, 2004. Verspreiding van spinnen in grijze kustduinen: ruimtelijke patronen en evolutionair-ecologisch belang van dispersie. (Distribution of spiders in coastal grey dunes: spatial patterns and evolutionary-ecological importance of dispersal). PhD Thesis. Ghent University/Institute of Nature Conservation: Brussel, Belgium. 260 pp.

Doing, H. (1988). Landschapsoecologie van de Nederlandse kust: een landschapskartering op vegetatiekundige grondslag. Stichting Duinbehoud. Leiden, 228 pp.

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2003. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 3: Kust en binnenlandse pioniermilieus. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website