Pad: Natuurtypen / Open duinen (N08) / Strand en embryonaal duin (N08.01) / Embryonale duinen

Embryonale duinen

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

KENSCHETS
Flora
Fauna
Primaire duinvorming start met embryonale duinen
Opstuiving in zilt milieu is karakteristiek
Instabiel milieu, ook door de invloed van de zee
Standplaatscondities in embryonale duinen
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Embryonale duinen hebben om twee redenen een eigen betekenis voor de natuur. Ten eerste komen er planten- en diersoorten voor die vrijwel alleen in dit milieu kunnen leven. Ten tweede staan de embryonale duinen aan het eerste begin van de duinvorming en leggen dus de basis voor de biodiversiteit van de hele begroeiingsreeksen van de droge en natte duinen.
Embryonale duinen kennen een hoge mate aan dynamiek en ze zijn zilt. Vanwege deze omstandigheden zijn er maar weinig plant- en diersoorten die er kunnen leven. Embryonale duinen zijn aanvankelijk niet meer dan zandhopen op zandstranden. Ze groeien in wisselwerking met de planten die er zich vestigen en het zand beginnen vast te houden. Meestal is Biestarwegras de eerste soort die er verschijnt.
Omdat embryonale duinen zich alleen goed ontwikkelen op stranden waar Biestarwegras (Elytrigia juncea) niet te lijden heeft onder betreding of berijding is embryonale duinvorming tegenwoordig zeldzaam. Echter, voortdurende embryonale duinvorming is van wezenlijk belang, zowel voor behoud van de karakteristieke soorten, alsook voor de aangroei van nieuwe duinen.
Embryonale duinen komen zowel langs de Atlantische kusten als langs de Mediterrane kusten van Europa voor. Ze hebben een groot verspreidingsgebied maar komen doorgaans slechts over kleine oppervlakten voor. De Nederlandse embryonale duinen onderscheiden zich niet door het voorkomen van bijzonder zeldzame soorten, maar zijn in internationaal opzicht soms wel bijzonder goed ontwikkeld, bijvoorbeeld op Schiermonnikoog. Zie voor de betekenis ook de websitepagina Open duin.

KENSCHETS

Flora
Biestarwegras (Elytrigia juncea) is gewoonlijk de pionier. Van de plantensoorten die het daarnaast lukt zich te vestigen onder de dynamische omstandigheden zijn het meest opvallend Zeepostelein (Honckenya peploides), Akkermelkdistel (Sonchus arvensis), Zeewolfsmelk (Euphorbia maritima) en Zandhaver (Leymus arenarius). Kenmerkende soorten van overstoven vloedmerken zijn onder meer Zeeraket (Cakile maritima), Stekend loogkruid (Salsola kali ssp. kali) en Spiesmelde (Atriplex prostrata). Minder algemeen zijn Gele hoornpapaver (Glaucium flavum) en soms (meer naar het zuiden toe, in Zeeuws-Vlaanderen) Blauwe Zeedistel (Eryngium maritimum), Gelobde melde (Atriplex laciniata) en Kustmelde (Atriplex glabriuscula).


Kaloot, Blauwe Zeedistel, foto: Bas Arens


Fauna
Van de fauna zijn het vooral kleine ongewervelde dieren die de embryonale duinen bewonen. Zoals bij de planten gaat het ook bij de dieren niet om véél diersoorten, maar om specialisten die zeer specifiek zijn voor embryonale duinen. Daarbij zijn de meeste soorten slechts korte tijd in deze biotoop te vinden vanwege het sterk dynamische karakter. Al dan niet overstoven vloedmerken dienen bijvoorbeeld als voedsel voor vlokreeftjes en larven van strandvliegen (Fucellia soorten) en ‘zeewiervliegen' (Coelopa soorten). Typische keversoorten zijn de Strandzandloopkever (Cicindela maritima) en gravende soorten van de geslachten Dyschirius en Bledius. Daarnaast maken verschillende vogelsoorten gebruik van embryonale duinen en schelpenbanken op het strand om te broeden; dat zijn bijv. Strandplevier (Charadrius alexandrius), Bontbekplevier (Charadrius hiaticula) en Dwergstern (Sterna albifrons).

Primaire duinvorming start met embryonale duinen
Embryonale duinen zijn schaars begroeide lage duintjes op het hoger gelegen deel van het strand, in de overgangszone van zout naar zoet milieu. Ze liggen vaak aan de voet van met Helm begroeide duinen (zie websitepagina Witte duinen). De rol van het Biestarwegras is tweeledig. Het gras draagt bij aan de maximale ontwikkeling van de embryonale duinen. Tegelijkertijd kan het echter een gunstig milieu vormen voor Helm (Ammophila arenaria) en witte duinen, waarmee de soort zijn eigen ondergang graaft. Maar in veel gevallen komen de embryonale duinen en witte duinen in zones naast elkaar voor. Bij verdere opstuiving gaan embryonale duinen over in witte duinen. Op brede stranden kunnen ze ook verder van de witte duinen vandaan liggen en op den duur een nieuwe duinenrij aan de zeezijde van het duinsysteem gaan vormen. Embryonale duinen zijn te vinden langs aangroeiende of stabiele zeekusten en zijn de prille fase waarmee de vorming van duinsystemen begint, de duinvorming van de eerste orde. De toevoeging ‘primair' wordt gebruikt om deze ‘primaire duinvorming' te onderscheiden van ‘secundaire duinvorming' die optreedt wanneer gestabiliseerde duinen opnieuw gaan verstuiven. De primaire duinvorming start vaak op een overstoven vloedmerk. Het natuurlijke aanspoelsel dat het hoogwater achterlaat bestaat uit onder andere resten van wieren, kwallen, weekdieren zoals schelpen, vervellingen van schaaldieren ofwel kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen en zeezoogdieren. De hoogst gelegen vloedmerklijn markeert meestal de hoogste stormvloed van de voorbije winter. Vooral in deze zone raakt het organische materiaal door de wind bedolven onder een laagje zand. Het materiaal wordt dan zeer snel afgebroken door mineralisatie waarbij voedingsstoffen beschikbaar komen.


Ameland, foto: Bas Arens

Opstuiving in zilt milieu is karakteristiek
De eerste randvoorwaarden voor het ontstaan van embryonale duinen zijn de aanvoer van zand vanuit zee én een geëxponeerde ligging ten opzichte van de wind. Om op- of overstuiving mogelijk te maken moet er regelmatig een wind met windkracht 5 of meer optreden die zand aanvoert, vaak is dat een westelijke wind. Een essentiële plant voor het ontstaan van embryonale duinen is het Biestarwegras (Elytrigia juncea). Dit is de pionier bij uitstek, de plant die zich als eerste vestigt in het kale opgestoven kustzand en op het hoge strand bijdraagt aan de ontwikkeling van duinen. De wortels groeien vooral in horizontale richting en zowel wortels als wortelstokken breiden zich vooral in de bovenste 20 cm van het bodemprofiel uit. De plant is in staat om zijn wortelstokken naar boven te laten groeien wanneer er zoveel overstuiving plaatsvindt dat de plant bedekt raakt door het zand.
De instabiliteit die het gevolg is van de wind- en zeedynamiek maakt dat alleen organismen die aangepast zijn aan dit milieu zich hier voor korte of lange tijd staande kunnen houden. Biestarwegras is hier de pionier bij uitstek, maar kan bij sterkere overstuiving niet meer boven het aangevoerde zand uitgroeien. Als het embryonale duintje snel hoger wordt, Helm verschijnt en vooral als zich er een zoetwaterlens gevormd heeft, houdt Biestarwegras niet stand. Of het nu komt door de met de hoogte toenemende overstuiving op zichzelf, of doordat Biestarwegras het onderspit delft in de competitie met Helm, maakt geen verschil: de ouder wordende embryonale duinen gaan over in de Helmduinen die ook bekend staan als witte duinen.
De aanwezigheid van zout grondwater is ook een randvoorwaarde voor het ontstaan van embryonale duinen. De eerste bewoner, Biestarwegras (Elytrigia juncea), heeft ten minste 2% zout in het bodemvocht nodig. Op grond van veldwaarnemingen kan gesteld worden dat deze situatie zich alleen kan voordoen in duintjes onder een niveau van circa 5,5 meter boven NAP.


Vlieland voor zeereep, foto: Bas Arens

Instabiel milieu, ook door de invloed van de zee
Het is niet alleen de wind die er zorgt voor instabiliteit. Veel embryonale duinen bestaan slechts kortstondig omdat de zee ze tijdens een flinke storm of springvloed overspoelt en wegvaagt. Dan begint het proces van duinvorming opnieuw, op dezelfde plek of elders. Soms doorstaan embryonale duintjes een zware storm. Daarvan zagen we mooie voorbeelden op de stranden van de Waddeneilanden. Daar waren ze na een zware novemberstorm, eind 2006, voor een groot deel intact gebleven.
Al met al zijn embryonale duintjes van de zeekust toch de meest instabiele, dynamische duinen die we kennen omdat ze veelal verschijnen en verdwijnen. Bij een gedeeltelijke afslag van een embryonaal duintje blijven er vaak wortels of delen van Biestarwegras achter. Omdat die opnieuw gaan uitgroeien, is dan snel herstel van het duintje mogelijk.
De beste voorbeelden van embryonale duinen worden gevonden op plekken waar het kustlandschap niet, of minder structureel kunstmatig is vastgelegd. Behalve in delen van de Waddeneilanden is dat van nature vooral het geval in Zuidwest-Nederland. Als gevolg van regelmatige zandsuppleties vind men tegenwoordig echter ook langs delen van de vastelandskust een gordel met Biestarwegrasduinen, soms overgaand in een tweede gordel of nog lage zeereep met Helm.

Standplaatscondities in embryonale duinen
De embryonale duinen bieden hun pioniergemeenschappen van opstuivend zand brakke, droge tot vochtige, matig voedselrijke, min of meer pH-neutrale standplaatsen. Ze bevinden zich boven de lijn van het gemiddelde hoogwater, maar kunnen bij storm en hoge vloed met zeewater worden overspoeld. Het zand is in meer of mindere mate kalkhoudend en het kan enigszins zijn aangerijkt door verwerend vloedmerkmateriaal. Het milieu is sterk zilt door de nabijheid van de zee; ook het grondwater is zilt, behalve op plaatsen met een sterke duinkwel.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De embryonale duinen kennen zeer soortenarme, laagblijvende en doorgaans ijle begroeiingen met een eenvoudige structuur. De bedekking is meestal minder dan 20 %. Van het ondergrondse deel van de biomassa bevindt zich het merendeel op geringe diepte. De aanwezigheid van Biestarwegras is kenmerkend voor embryonale duinen en de meest karakteristieke plantengemeenschap is de Biestarwegras-associatie (23Aa1) op de duintjes. Veelal wisselt deze gemeenschap af met kaal zand en vloedmerkbegroeiingen die horen bij de Associatie van Loogkruid en Zeeraket (22Ab1), de Rompgemeenschap van Zeeraket of de Strandmelde-associatie (22Aa1). Dit wordt dan allemaal bij de embryonale duinen gerekend. Het natuurdoeltype ‘Strand en stuivend duin' verenigt de natuurtypen Embryonale duinen en Witte duinen. Het natuurtype Embryonale duinen komt voor een deel overeen met het habitattype Embryonale wandelende duinen (H2110).

Met bijdragen van:
Bas Arens, september 2007, Rienk Slings, oktober 2007, Moniek Löffler juli 2007, Emiel Brouwer juli 2007 en Andre Aptroot, juli 2006

Literatuur:
De Fré, Brigit & Maurice Hoffmann, 2004. Systematiek van natuurtypen: Pioniermilieus. INSTITUUT VOOR NATUURBEHOUD EN DE UNIVERSITEIT GENT, in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL, Afdeling Natuur.

Klijn, J.A. 1981. Nederlandse kustduinen. Geomorfologie en bodems. Centrum voor landbouwpublikaties en landbouwdocumentatie, Wageningen.

Remmert, H., 1981. The wrack-beds and their fauna. In: Smit et al (eds): Terrestrial and freshwater fauna of the Wadden Sea area. Final report of the section ‘Terestrial Fauna' of the Wadden Sea Working Group. Stichting Veth tot Steun aan Waddenonderzoek, Leiden.

Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen, 2002. Leidraad Zandige Kust.

Aggenbach, C.J.S. & M.H. Jalink, 1999. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiering in droge duinen. Deel 8 uit de serie ‘Indicatorsoorten', Staatsbosbeheer.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website