Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Zandverstuiving (N07.02) / Zandverstuiving

Zandverstuiving

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Atlantische woestijn
Ontstaan en vastlegging van zandverstuivingen
Forten en stuifduinen zijn aardkundige monumenten

KENSCHETS
Stressvol milieu
Ontwikkelingsfasen en verschijningsvormen
Zandverstuiving: veel stabieler dan je denkt
Rijk aan korstmossen en paddenstoelen
Karakteristieke diersoorten
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van

Literatuur

BETEKENIS

Atlantische woestijnen
Een zandverstuiving doet qua landschap en soortensamenstelling denken aan een toendra: een boomloos landschap met grassen, mossen en lage struiken. Toendra's komen voor in het poolgebied en in hooggebergtes. In een toendra wordt de plantengroei bemoeilijkt door droge, bevroren bodems, lage zomertemperaturen en een kort groeiseizoen. Het microklimaat van zandverstuivingen gaat echter meer in de richting van een woestijn: kenmerkend zijn daar extreme droogte en de afwisseling tussen soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen. Daarom noemt men een zandverstuiving zoals die in Nederland voorkomt ook wel een ‘Atlantische woestijn'. Het voorkomen van ‘actieve' zandverstuivingen - zandverstuivingen waar de wind ook nu nog zand verplaatst - is binnen West-Europa momenteel praktisch tot Nederland beperkt. Nederland heeft dus een zeer grote verantwoordelijkheid voor het behoud van dit natuurtype. Deze bijzondere positie heeft ons land te danken aan een combinatie van factoren. Dit zijn: de afzetting van grote hoeveelheden dekzand tijdens de ijstijden, een relatief hoge bevolkingsdruk in de periode 1500-1900, een zwak glooiend reliëf van de zandgebieden en veel wind.
Toch is de oppervlakte aan zandverstuiving in Nederland sinds ca. 1850 met ongeveer 98% afgenomen, het meest door actieve bebossing, deels ook door de daarop volgende boomopslag. Het totaal omvat in 2006 nog 1400 ha, verdeeld over ca. 75 terreinen. Slechts drie terreinen omvatten meer dan 100 ha aan deels actieve zandverstuiving: de Loonse en Drunense duinen, het Kootwijkerzand en het militaire oefenterrein De Harskamp. Dit zijn alle drie gebieden waar relatief veel verstoring van de bodem optreedt door respectievelijk recreatie, actief beheer en militaire activiteiten.

Ontstaan en vastlegging van zandverstuivingen

Het stuifzandlandschap van ons land is niet natuurlijk, maar ontstaan in een heide op droge zandgronden. Open plekken met kaal zand vormen zich hier als gevolg van kaalkap, heide-exploitatie en verstoring door de mens. Als de wind dan grip krijgt op het kale zand is de zandverstuiving geboren en kan ze zich gaan uitbreiden. Droog zand dat niet of nauwelijks is begroeid gaat gemakkelijk verwaaien. De uitbreiding en de vorming van zandverstuivingen is deels toch wel een natuurlijk proces. Op sommige locaties, zoals aan de rand van de stuwwallen van de Veluwe, zijn grote ‘cellen' van zandverstuivingen waarschijnlijk zonder veel menselijke beïnvloeding gevormd. Een aanwijzing daarvoor is het voorkomen van gelijkvormige landschappelijke structuren (zie vervolg) in verschillende grote zandverstuivingen. Kleine stuifzanden handhaven zich bij continu verstoren door de mens. In de grote zandverstuivingen zoals die van de centrale Veluwe overheersen zelfstandige processen.

In het verleden vormden zich uitbreidende zandverstuivingen een bedreiging voor de heidevelden, nabij gelegen akkers en wegen. In enkele gevallen dreigden boerengehuchten onder het zand te verdwijnen. De zandverstuivingen zijn te stabiliseren of vast te leggen door aanleg van houtwallen, aanplant van bomen en bossen en het instellen van begrazings- maai- en kapverboden. Al deze bestrijdingsmaatregelen tegen overexploitatie van de heiden en stuifzanden werden al in Middeleeuwen lokaal toegepast. Op regionale schaal nam de intensieve exploitatie echter eerder toe dan af omdat het gebruik van de heide essentieel was voor de traditionele landbouw. Aan het eind van de negentiende eeuw, na de ineenstorting van de wol industrie en de introductie van kunstmest verloren de heidegronden hun traditionele economische waarde. Door de grote vraag naar mijnhout werd nu juist de bebossing van de heidegronden en zandverstuivingen economisch aantrekkelijk. Tussen 1898 en 1965 zijn daarom in deze landschappen op grote schaal dennen aangeplant.

Forten en stuifduinen zijn aardkundige monumenten
Stuifzandsystemen hebben een complexe geologische geschiedenis. Veel van de geschiedenis van de streek is nog af te lezen aan het reliëf. Het gaat hier om gletsjerpuinrichels (morenes), grindrijke smeltwatergeulen, stuifduinen etc. De oude aardkundige structuren zijn een belangrijk kenmerk van de identiteit van het gebied en alleen daarom verdienen ze speciale aandacht. Het zou jammer zijn als ze onopzettelijk aangetast worden bij beheer dat herstel of inrichting van zandverstuivingen beoogt.
De ‘tand des tijds', dus wind- en watererosie heeft gezorgd voor de verdere details in het landschap. Niet verstoven oude dekzandduinen, zogenoemde forten, en stuifduinen hebben hun bestaan te danken aan de bomen en vegetatie die het zand invangen en beschermen tegen de wind. Wanneer men deze vegetatie weg zou halen, is de kans groot dat die duinen deels of geheel verloren gaan.

KENSCHETS

Stressvol milieu
Zandverstuivingen worden gekenmerkt door een uitzonderlijke armoede aan basen en aan voedingsstoffen en een bijzonder gering vermogen om vocht vast te houden. In combinatie met de extreem hoge temperaturen die overdag bereikt kunnen worden, de kurkdroge condities en de verstuivingsdynamiek is het een milieu waar stress de boventoon voert. De planten en dieren die hier voorkomen moeten bijzondere manieren van aanpassingen ontwikkeld hebben. Temperatuurverschillen van meer dan 50 graden tussen dag en nacht zijn in dit milieu geen uitzondering.

Ontwikkelingsfasen en verschijningsvormen
Zandverstuivingen doorlopen verschillende ontwikkelingsfasen en daarbij horen bepaalde verschijningsvormen zoals stuifvlakten en stuifduinen. Tegenwoordig is het vaak moeilijk om deze verschijningsvormen van de zandverstuivingen in het veld te onderscheiden omdat zoveel ervan onder bos is verdwenen. Ruwweg heeft iedere zandverstuiving drie delen. Er is een uitstuivingsgebied met jong voedselarm dekzand. De toevoeging ‘jong' geeft aan dat bodemvormende processen er geen invloed op gehad hebben en het zand nauwelijks organische stof bevat. Ook is er een doorstuivingsgebied waar zowel overstuiving met dekzand als uitstuiving van stuifzand plaats vindt. Tenslotte is er ook een instuivings- of accumulatiegebied waar het stuifzand wordt ingevangen en tot rust komt. Het uitstuivingsgebied heet ook wel brongebied - deze benoeming slaat op de oorsprongsbron van het stuivende zand en heeft dus niets te maken met waterbronnen. Uitstuivingsgebieden waar geen zand meer vandaan waait, bijv. doordat de verstuifbare zandvoorraad op is, noemen we een uitgestoven laagte of vlakte. Het uitstuiven stopt ook als de laagte zo diep is geworden dat het blootkomende zand nat is omdat het grondwater is bereikt. De zanden van de uitgestoven laagtes zijn net als die van de uitstuivingsgebieden zeer voedselarm en arm aan organische stof. Actief en opgestoven stuifzand daarentegen bevat een kleine hoeveelheid organisch materiaal.

Zandverstuiving: veel stabieler dan je denkt
Een zandverstuiving lijkt een zeer dynamisch milieu. Deze indruk wordt gewekt doordat er vaak plekken aanwezig zijn waar de vegetatie zichtbaar onder het stuifzand verdwijnt. Toch is het overgrote deel van de begroeiing en haar standplaats stabiel. Het aardoppervlak behoudt op veel plaatsen wel zijn vorm. In gebieden met een lage stikstofdepositie zijn veel plekken de afgelopen tien jaar nauwelijks in soortensamenstelling veranderd, en zullen dat bij onveranderd beheer ook in de komende tien jaar nauwelijks doen. Het milieu van de zandverstuivingen is heel voedselarm, en de in biodiversiteit overwegende soorten, de korstmossen, groeien niet meer dan enkele centimeters per jaar uit - ze breiden zich dus slechts heel langzaam uit.
De soortenrijkdom van de korstmossenflora van een onverstoorde zandverstuiving is min of meer recht evenredig met de tijd dat het zand ter plekke tot rust is gekomen. Het gaat hierbij niet om enkele jaren maar om tientallen jaren. Terreindelen die minder dan 30 jaar geleden zijn dichtgegroeid, hebben hoogstens 11 soorten korstmossen, de meeste nog beduidend minder. Terreindelen die langer dan 60 jaar geleden zijn dichtgegroeid, halen de 15 soorten, en zijn over het algemeen veel rijker aan Rode Lijstsoorten.

Rijk aan korstmossen en paddenstoelen
Het stuifzandmilieu is extreem arm aan vaatplanten, maar behoorlijk rijk aan korstmossen. Er zijn maar weinig vaatplanten die de extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen kunnen overleven. Een representatief, goed ontwikkeld zandverstuivingsgebied bevat meestal evenveel soorten vaatplanten als mossen, en twee keer zoveel soorten korstmossen. Vooral op voedselarme uitgestoven vlaktes van gestabiliseerde zandverstuivingen kunnen korstmossen zodanig naar voren treden dat er gesproken wordt over korstmos- of lichenensteppes. De meest karakteristieke korstmossen zijn Wollig korrelloof en Stuifzandkorrelloof (Stereocaulon saxatile en S. condensatum), Rijstkorrelmos (Pycnothelia papillaria), IJslands mos (Cetraria islandica), Gebogen rendiermos (Cladina arbuscula), Randstapelbekertje (Cladonia phyllophora), Plomp en Wrattig bekermos (Cladonia borealis en C. monomorpha), Hamerblaadje (Cladonia strepsilis), Varkenspootje (Cladonia uncialis), Ezelspootje (Cladonia zopfii)en Zomersneeuw (Cladonia foliacea). Karakteristieke vaatplanten zijn Fijn en Genaald schapengras (Festuca filiformis en F.ovina), Zandstruisgras (Agrostis vinealis), Heidespurrie (Spergula morisonii) en Buntgras (Corynephorus canescens), een karakteristiek bladmos is Ruig haarmos (Polytrichum piliferum). Een aantal van de karakteristieke soorten korstmossen van dit milieu zijn inmiddels in Nederland uitgestorven. De meeste van die korstmossen en veel van bovengenoemde soorten hebben het zwaartepunt van hun verspreiding in het boreale gebied, de naaldboszone ten noorden van ons land.
Verder zijn zandverstuivingen vaak rijk aan bijzondere paddenstoelen, met name soorten die mycorrhiza vormen met de bomen op en rond het stuifzand. Dennenbosjes op dichtgroeiende uitstuivingsvlakten en stuifduinen kunnen zeer rijk zijn aan Stekelzwammen (Hydnum, Hydnellum, Sarcodon sp.) , Ridderzwammen (Tricholoma sp.), Russula's (Russula sp.), Gordijnzwammen (Cortinarius sp.) en truffels (Tuber sp.). Vaak zijn in een bosje vele tientallen van dergelijke soorten te vinden. Enkele van deze soorten komen in Nederland vrijwel alleen nog voor in die bosjes in stuifzandgebieden. Ecologisch gezien vormen ook de bossen en struwelen op voormalige stuifzanden een eenheid met de met mos of gras begroeide zandverstuivingen. Deze bossen worden hier apart behandeld om tegemoet te komen aan het beheer. Zie natuurtypen Zuur droog bos en Jeneverbesstruweel.

Karakteristieke diersoorten
Ook voor dieren vormen zandverstuivingen met hun extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen een problematisch milieu. De faunagemeenschappen die er voorkomen zijn daarom vrij soortenarm en dichtheden aan individuen zijn doorgaans laag. De meeste van de diersoorten die er leven kunnen ook in de droge heiden en de open duinen van de kuststreek worden aangetroffen, maar voor veel van deze soorten vormen zandverstuivingen van het droge zandlandschap wel de belangrijkste habitat in Nederland. De meest karakteristieke soorten van de stuifzandmilieus zijn de sterk bedreigde Kleine heivlinder (Hipparchia statilinus) en de inmiddels in Nederland als broedvogel uitgestorven Duinpieper (Anthus campestris). Enkele andere ook heel karakteristieke diersoorten van stuifzanden zijn de Zandoorworm (Labidura riparia), de Sneeuwspringer of Sneeuwvlo (Boreus hyemalis; een klein schorpioenvliegje), de loopkevers Harpalus neglectus en Amara quenseli, de Lentevuurspin (Eresus sandaliatus) en haar parasiet de Vuurspinnendoder (Eoferreola rhombica). De zandverstuivingen zijn niet eenvormig maar zijn samengesteld uit een aantal uiteenlopende stuifzandbiotopen.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Onder zandverstuivingen wordt hier niet alleen kaal stuivend zand verstaan, maar ook zanden die dichtgroeien met - achtereenvolgend - algen, mossen, korstmossen en grassen. De zandige, open tot tamelijk grasrijke plekken op de overgang van zandverstuivingen en bossen horen bij het natuurtype zandverstuiving. Strikt genomen zijn alle kale tot grasrijke plekjes op voormalige stuifzanden zandverstuivingen, maar als het om kleinschalig afwisselende mozaïekpatronen van zandverstuivingen, droge heide en natte heide etc. gaat, wordt het vaststellen van het natuurtype lastig. In de eerste fase van de natuurlijke opeenvolging van begroeiingen van zandverstuivingen (=successie) overheersen algen van het geslacht Microspora. Vervolgens treedt Ruig haarmos op de voorgrond en dan verschijnen de korstmossen. Uiteindelijk ontwikkelen zich droge graslanden behorend tot de Associatie van Buntgras en Heidespurrie (14Aa1). Of er ontstaan begroeiingen die gedomineerd worden door bladmossen. Die worden gerekend bij de Derivaatgemeenschap van Grijs kronkelsteeltje (14DG1) of de Rompgemeenschap van Gaffeltandmos (14RG3), ook al is het dominante mos in het laatste geval meestal een andere soort, namelijk Ruig haarmos. Het is het natuurdoeltype Zandverstuiving (3.47) en het habitattype Zandverstuivingen (H2330). Door bosopslag van naaldhout ontwikkelt zich een Korstmos- Dennenbos (41Aa2) of heel soms, een Gaffeltandmos-Jeneverbesstruweel (41Aa1) of Berken-Eikenbos (42Aa1). Deze bossen op voormalige stuifzanden kunnen rijk zijn aan paddenstoelen. Zie natuurtypen Zuur droog bos en Jeneverbesstruweel.

Met bijdragen van:
Marijn Nijssen, juni 2007; Michel Riksen, november 2006 en André Aptroot, augustus 2006.

Literatuur:
Bakker, T., H. Everts, P. Jungerius, R. Ketner-Oostra, C. van Turnhout & H. Esselink (2003). Preadvies Stuifzanden. Rapport Expertise Centrum-LNV 2003/228, 114 pp..Duuren, L van, 2004. Natuurcompendium. RIVM, Bilthoven.

Koomen A., Maas G. and Jungerius P.D., 2004. Het zandverstuivingslandschap als natuurverschijnsel. Landschap 3: 159-169.

Riksen, M.J.P.M., Goossens, D., 2007. The role of Wind and Splash Erosion in Inland Drift-Sand areas in the Netherlands. Geomorphology 88: pp. 179-192.

Riksen, M.J.P.M., Ketner-Oostra, R., Van Turnhout, C., Nijssen, M., Goossens, D., Jungerius, P.D. and Spaan, W., (2006). Will we lose the last active inland drift sands of western Europe? The origin and development of the inland drift-sand ecotype in The Netherlands. Landscape Ecology 21:431-447.

Schaminée, JHJ, AHF Stortelder & EJ Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3: Graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Uppsala.

Van Turnhout, C. 2005. Het verdwijnen van de Duinpieper als broedvogel uit Nederland en Noordwest-Europa. Limosa 78-1. Link: http://www.sovon.nl/pdf/LIM_78-1_1vanturnhout.pdf.

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2002. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 2: Graslanden, zomen en droge heiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website