Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Zandverstuiving (N07.02) / Inleiding heide & stuifzand

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS:

Oorsprong en samenstelling van de levensgemeenschappen
Karakteristieke plant- en diersoorten

KENSCHETS:

Ontstaan en verval
De mythe van het tijdloze landschap
Variatie binnen het heidelandschap
Het streefbeeld: een soortenrijk, gevarieerd heidelandschap
Samenvatting van eigenschappen die biodiversiteit bevorderen

BETEKENIS:

Oorsprong en samenstelling van de levensgemeenschappen

De flora en fauna van de heide komt oorspronkelijk voor in gebieden of plekken waar als gevolg van natuurlijke stressfactoren geen bos kan ontstaan. Veel voorkomende stressfactoren zijn voedselarmoede, zeer hoge of juist lage temperaturen en verstuiving. Levensgemeenschappen van heiden en stuifzanden verenigen daarom een tot West-Europa beperkte combinatie van soorten uit steppen, hooggebergten, noordelijke gebieden, halfwoestijnen en rivier- en kustduinen. De uiteindelijke soortensamenstelling is mede het resultaat van de plaatselijke terreineigenschappen en van de gebruiks- en beheersgeschiedenis.

Daarnaast hebben heidevelden en stuifzanden ook een hoge recreatieve, cultuurhistorische en aardkundige waarde. Terreinen als de Posbank, nationaal park de Hoge Veluwe, de Kampina en de Loonse en Drunense duinen doen in bezoekersaantallen niet onder voor de meest bekende attractieparken. Nergens in Nederland is het landschap uit voorbije tijden zo ongestoord te bewonderen als in het heidelandschap. Ook sporen uit het verleden, zoals celtic fields, grafheuvels en zelfs karrensporen zijn vaak nog zeer goed herkenbaar.

Karakteristieke plant- en diersoorten

Veel dier- en plantensoorten in het heidelandschap zijn aangepast aan relatief voedselarme, min of meer zure tot zwak gebufferde omstandigheden. De meest extreme condities, in voedselarmoede, zuurgraad, temperatuur en bodemdynamiek, doen zich voor in droge heide en zandverstuivingen.

Beeldbepalende plantensoorten zijn o.a. Struikhei (Calluna vulgaris) en Buntgras (Corynephorus canescens). Daarnaast komen er veel korstmossoorten voor waaronder zeer bijzondere soorten, zoals IJslands mos (Cetraria islandica) en Stapelbekertje (Cladonia cervicornis). De hiermee geassocieerde faunagemeenschappen zijn relatief soortenarm, maar herbergen wel zeer karakteristieke en vaak warmteminnende soorten. Een aantal opvallende voorbeelden hiervan zijn Heideblauwtje (Plebeius argus), Kommavlinder (Hesperia comma), Kleine heivlinder (Hipparchia statilinus), Veldkrekel (Gryllus campestris), Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens), Tapuit (Oenanthe oenanthe), Duinpieper (Anthus campestris) en Grijze spinnendoder (Pompilus cinereus).

In droge heide komen plaatselijk gebufferde of zwakgebufferde omstandigheden voor. Op deze plaatsen groeien van het algemene beeld afwijkende plantensoorten, zoals Stekelbrem (Genista anglica), Verfbrem (Genista tinctoria) en Hondsviooltje (Viola canina). Zie hiervoor de tekst over heischraal grasland. Voor een aantal diersoorten zijn deze locaties zeer belangrijk, vooral omdat ze daar specifieke waard- en voedselplanten vinden. Voorbeelden zijn de Grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja), Tormentilzandbij (Andrena tarsata) en Oranje zandbij (Andrena marginata).

In vochtige heideterreinen heersen minder extreme microklimatologische condities. De meest dominante plantensoorten zijn hier Gewone Dopheide (Erica tetralix) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea). Op iets minder zure, licht gebufferde plekken komen daar soorten bij als Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Typische faunasoorten van vochtige heide zijn Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), Heidesabelsprinkhaan (Metrioptera brachyptera) en Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon). Ook overgangen naar bos zijn belangrijk, met name voor veel diersoorten maar ook voor veel soorten paddenstoelen.


KENSCHETS:

Ontstaan en verval

De Nederlandse heideterreinen zijn ontstaan door het grootschalig kappen van het oorspronkelijk aanwezige bos in de vroege bronstijd. De ontbossing ging hand in hand met een versterkte inzijging van regenwater en uitspoeling van humus en buffer- en voedingsstoffen. Die processen leidden uiteindelijk tot het ontstaan van haarpodzolgronden. Op deze zure en zeer voedselarme gronden traden voornamelijk dwergstruiken van de heidefamilie naar voren.

Heidestruiken zijn altijd groen en kunnen dus ook in de winterperioden door het vee gegeten worden, wanneer voedsel het minst aanwezig is. Heidevelden zijn zo door agrarisch gebruik verder gevormd en eeuwenlang in stand gehouden. Vanaf 1800 werden heideterreinen echter in toenemende mate veranderd in akkers, weilanden of bossen. In de resterende heidevelden werd de exploitatie aldoor intensiever. Plaggen, maaien, branden en begrazen werden omstreeks 1900 ongekend hevig toegepast. Binnen een straal van enkele kilometers van de woonkernen kwam over zeer grote oppervlakten alleen lage, ca.10-15 cm hoge heidevegetatie voor, zonder enige opslag van bomen of struiken. Door overexploitatie ontstonden ook op grote schaal zandverstuivingen.

Rond 1900 verloor de heide haar gebruiksnut volledig als gevolg van de introductie van kunstmest. De oppervlakte nam hierdoor sterk af. Tegenwoordig resteert slechts 5% van het oorspronkelijke heideareaal. De behouden gebleven heideterreinen werden niet meer beheerd en gingen over in grasvlakten en bossen. Deze ontwikkeling wordt de laatste decennia ook nog eens versneld door stikstofverrijking en verzuring als gevolg van de verhoogde atmosferische depositie. De kwaliteit van de resterende heidegemeenschappen in Nederland is hierdoor sterk achteruitgegaan. De overgebleven heiderelicten kregen in het midden van de 20e eeuw een beschermde status. Men ontdekte al snel, dat deze gebieden actief beheerd moesten worden wanneer men haar karakteristieke eigenschappen en levensgemeenschappen wilde behouden.

De mythe van het tijdloze landschap

Het natuurbeheer dat men in de overgebleven heidegebieden ging toepassen was aanvankelijk hoofdzakelijk gebaseerd op de traditionele agrarische technieken, met name het plaggen en begrazen. Vanaf ca. 1985 werd vooral plaggen ten behoeve van natuurbescherming grootschalig toegepast. De bedoeling was zo de vergrassing en verbossing die in grote delen van de heideterreinen plaatsvond, terug te draaien. Deze ingrepen waren in een bepaald opzicht een succes: het bleek mogelijk zo het karakter van de ‘paarse heidevelden' van omstreeks 1850-1920 te herstellen en een deel van de karakteristieke flora en fauna te behouden. Natuurbeschermers hebben in de vorige eeuw juist deze periode als referentiebeeld gebruikt en namen toen aan dat dit type eeuwenlang onveranderd had bestaan.

Deskundigen van de landbouw- en ecologische geschiedenis hebben dit model recent naar de prullenbak verwezen en spreken wel van de ‘mythe van het tijdloze landschap'. De voortschrijdende achteruitgang van de overige flora en fauna maakte daarnaast duidelijk dat een compleet herstel van de levensgemeenschappen van de heide niet eenvoudig is. Om tot een betere bescherming van de flora- en faunagemeenschappen van de heidevelden te komen, is meer inzicht hard nodig. Tot die tijd zal men met kleinschalige maatregelen, maatwerk, voorzichtigheid en gezond verstand moeten proberen in ieder geval de huidige natuurwaarden te behouden.

Variatie binnen het heidelandschap

Gewoonlijk denkt men bij heide alleen aan biotopen die direct met heide geassocieerd zijn, zoals droge heide, natte heide en zandverstuivingen. Wanneer men de ligging van de heidegebieden binnen het droog zandlandschap als geheel bekijkt, komt hier nog een veelvoud aan rand-ecotopen bij, zoals overgangen naar vennen, droge en natte schraalgraslanden, naar beekdalen, naar hoogvenen en voedselarme bossen. Binnen het heidelandschap kan een veelheid aan milieu- of standplaatstypen worden onderscheiden die o.a. verschillen in:


De afwisseling van de verschillende eco- of biotopen verhoogt de biodiversiteit. Grootschalig beheerde heiden kunnen soortenarm zijn omdat in veel heiden de ondergrond tamelijk vlak is.
Veel dieren maken gebruik van meerdere onderdelen van het landschap. Vaak is de aanwezigheid van biotooptypen die niet strikt behoren tot heidevelden, zoals bossen, overgangen naar beekdalen of ruigtevegetaties, cruciaal voor het wel of niet voorkomen van ‘heidesoorten'. Bijvoorbeeld: de larven van de Ericabij (Megachile analis) zijn wat hun voedsel aangaat in Nederland gespecialiseerd op stuifmeel van Gewone dopheide, die vooral in natte heide groeit. De Ericabij graaft haar nest echter in droge zandige bodem. En omdat deze ‘behangersbij' de binnenkant van haar nest wil bekleden, is de soort ook nog afhankelijk van blad en schors van loofbomen zoals berken.

Het streefbeeld: een soortenrijk, gevarieerd heidelandschap

Sleutelbegrip voor een soortenrijk heidelandschap is een grote ruimtelijke afwisseling in verschillende milieutypen, met andere woorden een hoge mate van terreinheterogeniteit. Op standplaatsniveau betekent dit: enerzijds variatie in abiotische condities, dus in droog/nat, zuur/gebufferd, voedselarm/voedselrijk en in reliëf en anderzijds variatie ten aanzien van de vegetatiestructuur en . Onder dit laatste wordt dan verstaan: een afwisseling van open zandige delen, stuifzand- en heidebegroeiingen - dus van de vegetatiesamenstelling - én afwisseling daarbinnen. Vooral  de verschillende stadia van heidebegroeiingen zijn hier van belang: pionier-, opbouw-, volwassen- en verval-stadia. Kijk voor een uitgebreidere beschrijving onder droge heide. Een dergelijke afwisseling in het heidelandschap gaat samen met variatie in openheid, hoogte en textuur van de vegetatie, in de dikte van strooisel- en organische laag, in de bloei-intensiteit van de heide, de voedingswaarde van jonge heideloten en in de grassen- en kruidenrijkdom van de heidevegetatie.

Essentieel is dat er plekken met kaal, zeer voedselarm zand aanwezig blijven; dat er dus factoren werkzaam zijn die lokaal de humusophoping tegengaan. De afwisseling tussen begroeide en onbegroeide plekken draagt in hoge mate bij aan de variatie in microklimaat, die voor veel dieren van cruciaal belang is. De kale plekken zijn ook juist de plekken waar veel bijzondere mossen en korstmossen zich in de loop der jaren vestigen. Indien er opslag van bomen plaatsvindt, zijn het ook deze plekken die gedurende enkele tientallen jaren rijk zijn aan paddenstoelen. In het algemeen draagt plaatselijk optredende boomopslag bij aan het verhogen van de variatie in het terrein, net zo als plaatselijk voorkomen van ruderale, verruigde vegetaties en pleksgewijze dominantie van Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en Pijpenstrootje (Molinia caerulea). Op een grotere schaal heeft de fauna baat bij een afwisseling van de heide met andere landschapselementen zoals bos, extensief beheerd grasland en akkers. Dat geldt met name voor zich over grotere afstanden verplaatsende diersoorten zoals vogels, zoogdieren en bloembezoekende insecten.

Samenvatting van eigenschappen die biodiversiteit bevorderen

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website