Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Droge heide (N07.01) / Droge heide

Droge heide

 

Inhoud van deze pagina


BETEKENIS

Stuwwallen en stuifzanden verhogen de waarde
Droge heide is een cultuurmonument


KENSCHETS

Droog, zuur en voedselarm
Meestal overheerst Struikhei, soms Bosbes of Kraaihei
Vier fasen: pionier-, opbouw-, volwassen- en vervalfase
Faunagemeenschappen
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur
Schema van vier ontwikkelingsfasen van droge heiden


BETEKENIS

Stuwwallen en stuifzanden verhogen de waarde

Droge heide komt in Nederland voor op de hogere, pleistocene zandgronden in het binnenland. Hoewel het areaal met ongeveer 95% is afgenomen vergeleken met ca. 1850, toen de uitbreiding van droge heide het grootst was, is er nog steeds ca. 35.000 ha droge heide. Het neemt een belangrijke plaats in de Nederlandse natuurgebieden in. Hier worden alleen de droge heiden van zure standplaatsen besproken. Voor droge heide van zwak gebufferde standplaatsen zie heischraal grasland.

Droge heiden komen wijd verspreid voor langs de Atlantische kusten van Europa. Er is nog veel droge heide maar de oppervlakte en kwaliteit gaat achteruit. In sommige opzichten zijn de Nederlandse droge heiden bijzonder. De aanwezigheid van stuwwallen, die in ons land voor een groot deel de ondergrond vormen voor droge heiden, is een in Europees opzicht bijzonder fenomeen. Verder zijn onze droge heiden op stuifzanden relatief groot, terwijl stuifzandheiden een klein verspreidingsgebied hebben: ze komen alleen in het Europese laagland voor.

Droge heide is een cultuurmonument

Droge heide is in het algemeen ontstaan na het kappen van het oorspronkelijke bos, een proces dat begon in de Nieuwe Steentijd, 4500 jaar geleden. Omdat het over grote oppervlaktes voorkomen van heide een gevolg is van menselijke activiteit, is het goed de droge heide als een cultuurmonument te zien. Het landbouwsysteem dat vanaf 800 n. Chr. tot in de vorige eeuw voor grotere aaneengesloten oppervlaktes aan droge heide zorgde heet het potstal-systeem: De heide werd 's zomers gebruikt om vee te laten grazen; 's winters werden plaggen afgegraven om de mest in de potstal af te dekken. Het mengsel werd gebruikt om de bouwlanden, meestal op de es of eng gelegen, te bemesten. Tevens werd hout en loof aan het systeem onttrokken. Per saldo werden dus veel voedingsstoffen van de heide afgevoerd naar de bouwlanden. Instandhouding van de droge heide vraagt ook om maatregelen die het vroegere gebruik benaderen. Niet alleen is de vegetatie een levend monument, vaak zijn ook aardkundige monumenten zoals grafheuvels en hunebedden aanwezig. Deze vallen in een grote open heide veel meer op dan in een bos. Ook liggen in sommige droge heiden vuurstenen werktuigen aan de oppervlakte en er kan dus sprake zijn van een archeologische waarde. De oude aardkundige structuren zijn een belangrijk kenmerk van de identiteit van de locatie en alleen daarom verdienen ze speciale aandacht bij herstelbeheer zodat schade wordt voorkomen.

KENSCHETS

Droog, zuur en voedselarm
Droge heiden komen voor in het hoger gelegen deel van ons land op droge, zure, voedselarme, al dan niet leemhoudende zand- en grindbodems. Ze strekken zich uit op stuwwallen - Utrechtse Heuvelrug, Veluwe, Salland, Twente - en op de zandige grindterrassen in het oostelijke Maasdal, op verdroogd hoogveen of op tertiaire (mariene) zandafzettingen. Bovendien komen droge heiden voor op binnenlandse zandduinen die zijn gevormd door verstuiving van dekzanden na de ijstijden. De bodems zijn daar uitgesproken voedselarm en behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden of vlakvaaggronden.
Droge heiden groeien op zandbodems met een dunne humuslaag. De afbraak van het organisch materiaal verloopt traag. Meestal is de bodem een podzol, met een duidelijke loodgrijze uitspoelingslaag en een inspoelingslaag met ijzeroer. Dit is een gevolg van de eeuwenlange uitlogende werking van het regenwater. De grond heeft een aluminiumbuffering, is zuur met een pH rond de 4 en is arm aan stikstof en fosfaat.

Meestal overheerst Struikhei, soms Bosbes of Kraaihei
In de droge heiden overheerst doorgaans Struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of Rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Verder komen ook algemeen voor: Fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen Heide-klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum), Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi). Struwelen met brem (Cytisus scoparius) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het droge heidelandschap. Dominantie van bosbessen komt op droge heiden voor op plekken met hoge neerslag en/of een hoge luchtvochtigheid. Zulke plekken zijn bijvoorbeeld noordhellingen en hooggelegen delen van stuwwallen. Gewone dophei (Erica tetralix), is de dominante soort van natte heide. Deze soort kan echter ook in droge heide een hoge bedekking bereiken, vooral op gronden met een relatief goed waterhoudend vermogen. Dat wil zeggen op zandgronden met veel leem, löss of silt, en op plekken waar struikhei afsterft of is verwijderd door plaggen. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals Bochtige smele (Deschampsia flexuosa). Door grassen of struwelen gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen.

Er zijn ook droge heiden met overheersing van Kraaihei (Empetrum nigrum) en heiden waarin Kraaihei en Struikhei of bosbessoorten samen naar voren treden. Dit heidetype heeft een noordelijke verspreiding en is in ons land minder algemeen. Op de dominantie van Kraaihei na wijkt de soortensamenstelling niet veel af van de heiden van Struikhei. Wel valt het grotere aandeel van blad- en levermossen in de kraaiheibegroeiingen op, terwijl het aandeel korstmossen juist geringer is. Deze verschuivingen in de groepen van mossen hangt samen met het relatief koele, vochtige microklimaat van de kraaiheibegroeiingen.

Droge heide is arm aan vaatplanten, omdat maar weinig vaatplantensoorten op droog, voedselarm zand kunnen leven. Soortenrijke plekken, bijvoorbeeld met diverse soorten Brem, geven vaak een lichte verstoring aan, of een wat lemigere bodem. Er zijn wel veel soorten mossen, korstmossen, wolfsklauwen, die alleen of vooral voorkomen in droge heide. Het heidemilieu is een bolwerk van noordelijke en atlantische soorten in Nederland.

Vier fasen: pionier-, opbouw-, volwassen- en vervalfase
In goed ontwikkelde stuifzandheiden dragen mossen en korstmossen bij aan de biodiversiteit. De vegetatiestructuur heeft een grote invloed op de soortenrijkdom en soortensamenstelling van de stuifzandheiden. De structuur is direct afhankelijk van de vorm van het toegepaste beheer en de tijd die na de toepassing is verstreken. De structuur hangt ook samen met de levenscyclus van de Struikhei. Na plaggen of branden moet struikhei zich opnieuw vestigen en uitgroeien. Het duurt twee tot drie jaar voordat de planten bloeien. De bedekking van de heideplanten is dan nog vrij gering. Op de kale zandige plekken vestigen zich in deze pioniersfase diverse korstmossen van de geslachten Cladina en Cladonia.

Na zes tot tien jaar neemt de bedekking van Struikhei toe tot ze circa 90% is. De Struikhei bloeit dan uitbundig. Deze meest vitale of ‘optimale fase' van de heidebegroeiing eindigt ongeveer 20 of 25 jaar na de pioniersfase. De fase is op te splitsen in een opbouw-fase en volwassen-fase. Dan begint de verval-fase of ‘degeneratiefase', waarbij de heidepollen vanuit het midden afsterven. De naar beneden gebogen, op de grond liggende takken aan de rand van de pol zijn echter in staat om wortels te vormen. Zo ontstaan cirkelvormige structuren met nog maar weinig groen blad in het midden. Dit biedt mossen en korstmossen veel kansen zich te vestigen. De bedekking van de hei neemt in dit stadium geleidelijk af tot minder dan 50%. Ook bloei neemt af en de bladproductie vermindert. Voor de fasen zijn ook verschillen vastgesteld in microklimaat, hoeveelheid biomassa en productie van biomassa (zie schema helemaal onderaan deze pagina).

Na circa 30 jaar sterft de hei af. Op de humus van de verweerde planten kan het korstmos Placynthiella icmalea dan een bruin, korrelig laagje vormen, waarna zich weer Cladonia-soorten kunnen vestigen, nu als secundaire pioniers.
Bij niets doen gaat droge heide uiteindelijk over in bos (=successie).

Faunagemeenschappen
De faunagemeenschappen van droge heiden zijn relatief soortenarm. Veel soorten die er voorkomen maken gebruik van meerdere elementen uit het heidelandschap, terwijl de droge heide slechts voor een deel van hun levenscyclus van belang is. Andere diersoorten komen alleen in droge heiden voor waar verstorende invloeden zowel geleid hebben tot meer structuur als tot een verhoging van de productiviteit van droge heide. Een aantal van deze soorten zijn genoemd onder heide en stuifzand. Er zijn relatief veel soorten insecten die alleen of vooral voorkomen in droge heide. Het zijn vooral bijen zoals de zandbijen (Andrena), wespen, vlinders zoals het Vals heideblauwtje (Plebejus idas), krekels zoals de Veldkrekel (Gryllus campestris) en sprinkhanen zoals de Zadelsprinkhaan (Ephipigger ephipigger) en de Wrattenbijter (Decticus verrucivorus).De karakteristieke sprinkhanen en vlinders en hun voorkeursbiotopen zijn beschreven in Stuifzand et al., 2004.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Droge heide behoort meestal tot de Associatie van Struikhei en Stekelbrem (20Aa1). Binnen deze droge heide kunnen verschillende typen onderscheiden worden, die vooral verschillen door het al dan niet voorkomen van verschillende soorten korstmossen en mossen. Droge heide op grof zand is rijker aan korstmossen, droge heide op fijn of lemig zand is rijker aan levermossen en aan hogere planten van iets minder zure bodem.

Hoofdzakelijk op de Veluwe, de Sallandse heuvelrug en het Drentse plateau komt op fijn of lemig zand, op hellingen en bosranden en op plaatsen met hogere luchtvochtigheid ook de Associatie van Struikhei en Bosbes voor (20Aa2). Begroeiingen van Kraaihei behoren deels tot die associatie en deels tot de Associatie van Struikhei en Stekelbrem (20Aa1).

Bij vergrassing ontstaat veelal de Rompgemeenschap van Bochtige smele (19RG2). Soms treden Brem, Gaspeldoorn en Bramen op de voorgrond, bijvoorbeeld langs snelwegbermen, en dan is veelal sprake van de Rompgemeenschap van Brem (20RG1). Op steilkantjes komen verder nog speciale mosgemeenschappen voor en op sommige zandpaadjes pioniersgemeenschappen zoals de Grondster-associatie (28Aa4). Het natuurdoeltype heet net zo als het natuurtype ‘Droge heide' (3.45). Het natuurtype omvat de habitattypen Droge heiden (H4030), Stuifzandheiden met Struikhei (H2310) en Binnenlandse Kraaiheibegroeiingen (H2320).

Met bijdragen van:
Joost Vogels & Emiel Brouwer, juli 2007 en André Aptroot, juli 2006.

Literatuur:
Bieleman, J. (1987). Boeren op het Drentse zand 1600-1910- Een nieuwe visie op de ‘oude' landbouw. Thesis. Landbouwuniversiteit Wageningen. 834 pp.

Bieleman, J., (1992). Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500~1950- veranderingen en verscheidenheid. Boom Meppel. 423 pp.

Burny, J. (1999). Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1919-1950). Natuurhistorisch Genootschap, reeks XLII aflevering 1.

De Molenaar, J.G. (1995). Functioneren en beheren van heide. Basisrapport heide 4. IBN-DLO, Wageningen, 44 p.

De Smidt, J.T. (1975). Nederlandse heidevegetaties. Thesis Universiteit Utrecht. 98 pp.

Gimingham; C.H. (1972). Ecology of heathlands. Chapman and Hall, London. 266 pp.

Haaland, S., G. de Blust, W.H. Diemont & J. Jansen (2004). Het paarse landschap, een gemeenschappelijk Europees erfgoed. KNNV, Natuurpunt, EU. 172 pp..

Peeters, T.M.J., M.E. Nijssen & H. Esselink (2001). Bijen in Nederlandse heidelandschappen. De Levende Natuur 102 (4): 159-165.

Schema van vier ontwikkelingsfasen van droge heiden.

Schema van vier ontwikkelingsfasen van droge heiden.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website