Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Zuur ven of hoogveenven (N06.06) / Inleiding Vennen

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS:
Natuurwaarden
Archiefwaarden

KENSCHETS:
Venwater is van nature voedselarm en kalkarm
Ook peilfluctuatie, windwerking en waterinlaat bepalen ventype
Ontstaan en natuurlijke situatie
Vennen in het halfnatuurlijke en in het huidige landschap
Drie ventypen en de indeling bij deze typen
Zure vennen
Zeer zwak gebufferde vennen
Zwak gebufferde vennen
Vegetatiestructuren binnen vensystemen - basis voor fauna
Isoetiden: rozetvormige planten op de onderwaterbodem
Ondergedoken waterplanten (niet rozetvormig)
Nymphaeiden: waterplanten met drijfbladeren
Begroeiingen van helofyten: moerasplanten
Drijftillen & oevers met hoogveen- of trilveenplanten
Droogvallende oevers


BETEKENIS:

Natuurwaarden
Een ven geeft een landschap een meerwaarde: in een landschap mét een ven is zowel het aantal soorten als het aantal woongebieden of biotopen hoger dan in een landschap zónder ven. Hoe hoog de toegevoegde natuurwaarde is, hangt af van de conditie van de vennen. Een goede conditie komt neer op een grote ruimtelijke verscheidenheid en hoog soortenaantal, vooral van diersoorten en in het bijzonder van de watermacrofauna. Ook de diversiteit van de kiezelwieren en sierwieren kan zeer groot zijn in allerlei typen vennen.

Er is een aantal planten- en diersoorten die in Nederland vrijwel alleen in hoogvenen en vennen kunnen voorkomen. Omdat onze hoogvenen nog sterker aangetast zijn dan vennen, zijn vennen voor veel van deze soorten tegenwoordig de belangrijkste toevluchtsoorden. Dat geldt bijvoorbeeld voor Veenbesparelmoervlinder (Boloria aquilonaris), Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), de kokerjuffer (Holocentropus dubius) en voor planten zoals Veenbloembies (Scheuchzeria palustris) en en Dof veenmos (Sphagnum majus).

Het dierenleven van gebufferde (= niet zure) vennen lijkt veel op het dierenleven van de moerassen van het laagveen. Zo werd de Zwarte stern (Chlidonias niger) in Noord-Brabant ‘Moeraszwaluw' genoemd vanwege zijn talrijke voorkomen in zowel moeras- als vensystemen. Veel vogels gebruiken vennen als rust- of broedplaats. De Dodaars (Tachybaptus ruficollis) en Geoorde fuut (Podiceps nigricollis) broeden in zo veel Brabantse vennen dat men ze ook wel omschrijft als "de Brabantse venvogels". Ook de macrofauna van vennen en laagveenmoerassen kent veel overeenkomsten. Omdat de betreffende vogel- en macrofaunasoorten in de laagveenmoerassen sterk achteruit zijn gegaan door aantastingen zijn de gebufferde vennen voor hen nu belangrijke toevluchtsoorden. De plantengroei van gebufferde vennen zoals die in ons land voorkomt is van wereldwijde betekenis. Een aantal van de karakteristieke plantensoorten komt vrijwel uitsluitend voor in de West-Europese kustgebieden.

Archiefwaarden
In veel vensystemen zijn veenlagen aanwezig. Deze veenafzettingen kunnen waardevolle paleo-ecologische archieven zijn van de geschiedenis van landschap en vegetatie - tot duizenden jaren terug. Vanaf de Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw is echter in veel vennen veen afgegraven voor turf- en brandstofwinning. Het is mogelijk dat veenvorming en veenverlanding na afgraving opnieuw beginnen. Veenlagen hoeven dus niet altijd oud te zijn.

KENSCHETS:

Venwater is van nature voedselarm en kalkarm
Vennen zijn ondiepe plassen op de hogere zandgronden in Noord- Oost- en Zuid-Nederland. Ze liggen in nat zandlandschap, in vochtige elementen in droog zandlandschap en soms in het beekdallandschap. Verder komen er hier en daar venachtige levensgemeenschappen voor in sloten, zandafgravingen en wielen, op of langs de randen van hogere zandgronden en in of langs sommige verzuurde laagveenwateren. Daarnaast lijken ook duinplassen in de kalkarme duinen veelal sterk op vennen.

Voor goed ontwikkelde, karakteristieke levensgemeenschappen van vennen zijn een voedselarme venbodem en een voedselarme waterlaag nodig. Bovendien is het venwater in ons land van nature relatief zacht omdat daarin weinig of geen kalk opgelost is. In vennen is het de lokale waterhuishouding die zorgt voor het in stand houden van de waterkwaliteit. Vennen ontvangen hun water deels direct via regen en deels uit de relatief kleine en oppervlakkige grondwatersystemen die om de vennen heen liggen. In vennen die in hoofdzaak regenwater ontvangen is het venwater zuur omdat er geen of zo goed als geen kalk in het water is opgelost. Vennen die ook vanuit lokale grondwatersystemen gevoed worden bevatten water waarin een geringe hoeveelheid kalk is opgelost. In de zogenoemde zeer zwak gebufferde vennen is dat weinig maar toch zoveel dat deze in zeer geringe mate gebufferd zijn tegen verzuring. De zogenoemde zwak gebufferde vennen bevatten water waarin meer kalk is opgelost. Het grondwater dat deze vennen ontvangen heeft wat meer kalkhoudende lagen gepasseerd of een langere weg door de bodem afgelegd.

Omdat het venwater en de venbodem - voorzover het om ongestoorde vennen gaat - voedselarm zijn, kunnen in vennen alleen waterplanten overleven die speciale aanpassingen bezitten om voedingsstoffen te bemachtigen. Dit geldt vooral voor het verkrijgen van fosfor en stikstof, stoffen waarvan algemeen bekend is dat ze in voedselarme situaties schaars zijn. Maar ook voor het verkrijgen van voldoende koolstof geldt dit en dat verdient bijzondere vermelding. In vennen komen ongeveer 30 soorten karakteristieke venplanten voor, die vrijwel allemaal bijzondere aanpassingen bezitten aan koolstoflimitatie ofwel schaarste aan koolstof. De isoetiden, rozetvormige waterplanten zoals Oeverkruid (Littorella uniflora) en Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides) zijn in staat om een aaneengesloten begroeiing te vormen op de bodem van koolstofarme venplassen. Voorwaarde is wel, dat de waterlaag niet al te zuur is. Indien de waterlaag rijk is aan koolzuur, zal de hele waterlaag opgevuld worden door waterplanten. Bijvoorbeeld door Vlottende bies (Eleogiton fluitans) of Teer vederkruid (Myriophyllum aleterniflorem) De koolstofbeschikbaarheid heeft dus een grote invloed op de vegetatiesamenstelling en vegetatiestructuur en hiermee ook op de samenstelling van de macrofauna.

Ook peilfluctuatie, windwerking en waterinlaat bepalen ventype
Naast de mate van buffering en de voedingsstoffenhuishouding is ook de jaarlijkse peilfluctuatie en de frequentie van droogvallen bepalend voor het type ven dat ontstaat. Veel vegetaties van zwak gebufferde vennen zijn gebonden aan jaarlijks droogvallende oevers en dus een flinke peilfluctuatie. Maar hoogveenvegetaties ontwikkelen zich beter bij een stabiel waterpeil in niet droogvallende vennen.

Alle vennen kennen ook een bepaalde mate van interne variatie. Zo hebben grotere vennen vaak een noord- en oostoever die door golfslag zandig en slibarm blijft, terwijl zich aan de luwe zuid- en westzijde juist slib ophoopt. Aan de noordoost- en zuidwestzijde ontwikkelen zich dan heel verschillende levensgemeenschappen. De meest soortenrijke vensystemen ontstaan indien er in een ven of in een reeks van vennen gradiënten aanwezig zijn. Dit zijn overgangen in de ruimte met verschillen in voedselrijkdom, zuurgraad of grondwaterinvloed. Vaak waren deze gradiënten het gevolg van waterinlaat. Voorbeelden uit het begin van de twintigste eeuw waren de centrale Oisterwijkse vennen en de Malpievennen. Door herstelbeheer zijn dergelijke gradiënten weer vrij goed ontwikkeld in het Beuven en de Bergvennen.

Ontstaan en natuurlijke situatie
In een natuurlijk landschap - een situatie zonder invloed van de mens - ontstaan vennen voortdurend als gevolg van grootschalige processen. Denk hierbij aan de invloed van gletsjers, verstuivingen, verlegging van beek- en rivierdalen en stijging van de grondwaterstand. Een stijging van de grondwaterstand kan optreden als gevolg van zeespiegelstijging, kustaangroei, veenvorming en vorming van ondoorlatende lagen in zogenoemde podzol-landschappen. Vennen verdwijnen ook weer door bijvoorbeeld daling van de grondwaterstand, maar ook door vegetatiesuccessie waarbij verlanding van het ven plaatsvindt. Onder redelijk stabiele, natuurlijke omstandigheden kan de kenmerkende flora en fauna zich enkele jaren tot vele eeuwen handhaven. In veel natuurlijke situaties vindt periodieke terugzetting van de opeenvolgingen in de vegetatie (= successie) plaats. Venplanten hebben zich aan deze tamelijk dynamische omstandigheden aangepast door zaad te produceren dat vele tientallen jaren kiemkrachtig blijft.

Over het oppervlak aan venmilieus in de oorspronkelijke situatie is helaas niets bekend. De frequentie en ‘dichtheid' van de vennen in het landschap moet zeker plaatselijk vrij hoog geweest zijn. Vroeger stonden een aantal van de vensystemen met elkaar in verbinding via rivieren, beken en laagten met doorstroming van water. Via deze verbindingen was de verspreiding van zaden mogelijk.

Vennen in het halfnatuurlijke en in het huidige landschap
Tijdens de middeleeuwen zijn de grootschalige venvormende processen tot stilstand gekomen. Dat gebeurde tenminste ten dele onder invloed van menselijke activiteiten. De vennen kwamen zo in een zogenoemd halfnatuurlijk landschap te liggen. In dat landschap zijn de grootschalige natuurlijke processen vastgelegd en spelen de kleinschalige activiteiten van de mens een bepalende rol, aangevuld door de grootschalige verstuivingen die ontstonden door overexploitatie van de zandgronden. Nieuwe vennen ontstaan hier bijvoorbeeld door zand- en leemwinning, viskweek, de aanleg van ijsbaantjes en het uitstuiven van zand tot op het grondwater. Op veel plaatsen houdt het agrarische gebruik de vegetatiesuccessie tegen: begrazing, maaien en plaggen van oevers en verwijdering van bomen en struiken. Ook zet turf- en veenmoswinning de successie terug zoals ook winning van bagger voor verbetering van landbouwpercelen. Op een aantal plaatsen vormen zich bijzonder soortenrijke gradiënten doordat kalkhoudend, matig voedselrijk water door voedselarme, zure vengebieden heen werd geleid.

Ook dit halfnatuurlijke landschap is echter verleden tijd. Rond 1880 -1950 stopt de mens vrijwel overal met zijn traditionele kleinschalige activiteiten en worden stuifzanden door bosaanplant ‘overwonnen'. Als gevolg daarvan ontstaan er geen nieuwe vennen meer en beginnen de bestaande vennen via natuurlijke successie te verlanden of te verzuren, sommigen langzaam, anderen sneller. Vennen werden lange tijd beschouwd als vrijwel natuurlijke systemen en de invloed van de traditionele vormen van gebruik op het behoud van de vennen werd niet gezien. Gelukkig is dat inmiddels wel veranderd.

In het belang van de natuur en het landschap gaat de mens de vegetatiesuccessie inmiddels weer op veel plaatsen tegen. Rond vennen wordt begrazingsbeheer toegepast of er wordt gemaaid en houtopslag verwijderd. Dit beheer kan gezien worden als voortzetting van traditioneel gebruik. Dit geldt ook voor het in vennen verwijderen van bagger, het plaggen van oevers en de inlaat van gebufferd water in vennen, maar het is tegenwoordig gebruikelijk dit tot het zogenoemde herstelbeheer te rekenen.

Verder ontstaan tegenwoordig nieuwe vennen door natuurontwikkelingsprojecten. Belemmeringen vormen hierbij vaak het ontbreken van een zaadbank van kenmerkende venplanten in de bodem en de geringe verspreidingsmogelijkheden voor venplanten in het hedendaagse landschap. Verder zijn de kansen op het ontstaan van een soortenrijke, karakteristieke venlevensgemeenschap gedaald: doordat het aantal vennen is afgenomen en het landschap waarin de natuurontwikkeling plaatsvindt, vaak sterk is verdroogd en vermest. Als er ‘bronpopulaties' van voor vennen karakteristieke soorten in de nabije omgeving zijn, is de kans op vestiging van een venlevensgemeenschap op een nieuwe plek groter. De weinige gegevens die hierover beschikbaar zijn wijzen op een redelijke slagingskans bij aanwezigheid van een grote en hooguit enkele kilometers verderop gelegen populatie van doelsoorten.

Drie ventypen en de indeling bij deze typen
Op basis van de buffercapaciteit tegen verzuring zijn grofweg drie natuurtypen binnen de vennen te onderscheiden. De buffercapaciteit hangt af van de hoeveelheid kalk die in het water is opgelost. De drie typen zijn: zure vennen, zeer zwak gebufferde vennen en zwak gebufferde vennen. Binnen die typen komen allerlei elementen of bouwstenen voor die verschillen in de vegetatiestructuur zoals drijftillen, vegetaties van ondergedoken planten en planten met drijfbladeren (Nymphaeiden). Er bestaat een relatie tussen deze elementen en de drie ventypen. Onder speciale omstandigheden kunnen ze echter in elk type ven voorkomen. De levensgemeenschappen en flora en fauna van de drie natuurtypen verschillen, maar aantastingen zoals verzuring en vermesting veranderen de natuurlijke verschijningsvorm van de vennen.

Hier volgt een korte beschrijving van de kenmerken van de drie natuurtypen in niet aangetaste vorm. Al met al is het vaak lastig te bepalen bij welk natuurtype een ven hoort. Het is dan goed om bij de typering naast de huidige verschijning zowel de voorgeschiedenis als het toekomstperspectief te betrekken. Voor de diagnose is een speciaal hulpmiddel beschikbaar: de vennensleutel (zie horizontale balk op de homepagina van deze website).

Zure vennen
Het merendeel van de vennen in Nederland is van nature zuur. Het water heeft een buffercapaciteit van minder dan 50 micro-equivalent per liter en een pH die gemiddeld beneden 4,5 ligt. Zure vennen liggen vaak in de hoge delen van het dekzandlandschap en ontvangen regenwater en zeer lokaal, zuur grondwater. Het neerslagwater zakt niet of hooguit een paar meter in de grond weg omdat het op een bodemlaag blijft staan waar het water niet doorheen kan. Het van de regen afkomstige water vormt zo een schijngrondwaterspiegel op een bodemlaag die geen water doorlaat. In het zure water kunnen slechts weinig planten groeien; voornamelijk Knolrus (Juncus bulbosus) en veenmossen (Sphagnum soorten). Langs de oevers komen laag blijvende oeverplanten voor, zoals Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Snavelzegge (Carex rostrata). De fauna van zure vennen vertoont veel overeenkomsten met die van hoogveenpoelen. Voorbeelden van zulke soorten zijn Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum) en de kokerjuffer (Holocentropus dubius).

Zeer zwak gebufferde vennen
Zeer zwak gebufferde vennen ontvangen naast regenwater lokaal, enigszins gebufferd grondwater en liggen vaak meer naar de rand van de dekzandrug. Het water heeft van nature een buffercapaciteit van 50 tot 200 micro-equivalent per liter en de pH ligt meestal tussen 4,5 en 6,5. Vaak is er sprake van een schijngrondwaterspiegel zoals in zure vennen. Door de buffering is in vennen van dit type de pH hoger dan in zure vennen en is er minder kooldioxide in opgeloste vorm in het water aanwezig. Vooral in grotere zeer zwak gebufferde vennen groeien vanwege de schaarste aan koolstof onder water alleen isoetiden; rozetvormige waterplanten. De isoetidesoorten Oeverkruid (Littorella uniflora) en Waterlobelia (Lobelia dortmanna) zijn karakteristiek voor dit type ven. In kleinere zeer zwak gebufferde venwateren is de invloed van het grondwater naar verhouding iets groter en is iets meer kooldioxide aanwezig. Bovendien is er door de afmetingen relatief veel contact met bodem & oever en is er weinig windwerking. Er komt dus relatief meer kooldioxide vanuit bodem en grondwater in de waterlaag, en de diffusie naar de lucht verloopt langzamer. Hier zijn Witbloemige waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius) en Vlottende bies (Eliogiton fluitans) kenmerkend.

Zwak gebufferde vennen
Zwak gebufferd water is water met een buffercapaciteit van 200 tot 500 (soms tot 1000) micro-equivalent per liter. De pH ligt meestal tussen 5 en 7. Zwak gebufferde vennen ontvangen naast regenwater grondwater dat kalkhoudende bodemlagen heeft gepasseerd of een vrij lange weg door de ondergrond heeft afgelegd zodat het sterker gebufferd is dan het grondwater dat zeer zwak gebufferde vennen voedt. Vennen van het zwak gebufferde type liggen aan de randen van beek- en rivierdalen of in zandgebieden met kalkhoudende bodem in de ondergrond. De bodem heeft vaak een wat hogere concentratie aan voedingsstoffen dan in vennen van de andere twee typen. De beschikbaarheid van fosfaat blijft daarbij echter laag. Dat heeft te maken met het ijzergehalte van het grondwater. De droogvallende delen van zwak gebufferde vennen zijn vaak zeer soortenrijk, met bijvoorbeeld Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides) en Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra). Het diepere water is vaak slechts schaars begroeid, bijvoorbeeld met kranswieren. Waar zwak gebufferde vennen rijk zijn aan watervegetatie lijken ze enigszins op laagveenplassen en komt de macrofauna deels overeen met die van laagveenplassen.

Vegetatiestructuren binnen vensystemen - basis voor fauna
De natuurwaarde van een ven wordt niet alleen bepaald door het type ven, maar ook door de interne afwisseling in het ven. Deze interne afwisseling komt tot uiting in de aanwezigheid van verschillende vegetatiestructuren. Deze structuren kunnen uit bijzondere, maar ook uit algemene plantensoorten bestaan, bijvoorbeeld rietvelden of wilgentruwelen. Ze zijn vaak bijzonder belangrijk als basis voor een soortenrijke fauna. Daarom worden hieronder de belangrijkste vegetatiestructuren en hun standplaatseisen opgesomd.

Isoetiden: rozetvormige planten op de onderwaterbodem
Zeer kenmerkend voor zachte en zeer zachte wateren zijn begroeiingen van de zeldzaam geworden isoetide waterplanten waarvan Oeverkruid (Littorella uniflora) en Waterlobelia (Lobelia dortmanna) nog het meest algemeen zijn. De naam isoetide verwijst naar de wetenschappelijke naam voor Grote en Kleine biesvaren (Isoetes lacustris en I. echinospora). De isoetiden zijn waterplanten met een rozet van lijnvormige bladeren en een zeer goed ontwikkeld wortelstelsel. Ze groeien op de onderwaterbodem in helder, zacht water met een geringe hoeveelheid opgelost koolstof. Veelal zijn het de enige waterplanten in zulke wateren, omdat daar alleen isoetide waterplanten via hun uitgebreide wortelstelsel aan voldoende koolstof (kooldioxide) kunnen komen. De groene delen van de isoetiden pompen de zuurstof die ze produceren via het wortelstelsel de bodem in. Door deze ‘beluchting' wordt fosfaat in verbinding met ijzer vastgelegd in de bodem en nemen de stikstofverliezen toe. Stikstof wordt namelijk omgezet in gasvormig stikstof op het grensmilieu van de zuurstofloze en de met zuurstof doorluchte bodem. Zie ook ijzerhuishouding.

Begroeiingen met isoetide waterplanten dragen dus bij aan de instandhouding van voedselarme omstandigheden. Vast staat dat de voedselarme condities ook belangrijk zijn voor een aantal karakteristieke dieren: dansmuggen, waaronder Psectrocladius psilopterus, P. barbatipes en Cladotanytarsus gripekoveni.
De isoetiden verdwijnen indien de waterlaag troebel wordt of bij een toename van de concentratie kooldioxide en hiermee gepaard gaande groei van niet-isoetide, ondergedoken waterplanten. Ook zijn vrijwel alle isoetiden gevoelig voor zowel verzuring als waterverharding (= alkalinisatie).

Ondergedoken waterplanten (niet rozetvormig)

De groene delen, stengels en bladeren van ondergedoken waterplanten bevinden zich in hoofdzaak onder water ofwel in de waterlaag terwijl de wortels in de onderwaterbodem verankerd zijn. Voorbeelden zijn smalbladige fonteinkruiden, Vlottende bies (Eleogiton fluitans) en Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum). In vennen kunnen begroeiingen van zulke ondergedoken waterplanten zich alleen goed ontwikkelen bij voortdurende aanvoer van genoeg kooldioxide. Het is mogelijk dat het grondwater zorgt voor voldoende toevoer van kooldioxide. Ook komt genoeg kooldioxide vrij in een venbodem waar zich organisch materiaal ophoopt. Als de bodem voedselrijker wordt, gaan vaak planten met drijfbladeren overheersen. Indien ook de waterlaag voedselrijker wordt, treedt er bovendien algenbloei op. Vooral plaatsen met een constante aanvoer van grondwater dat relatief rijk is aan ijzer en kooldioxide zijn geschikt voor ondergedoken waterplanten. De waterlaag blijft dan fosfaatarm terwijl de bodem wel enig fosfaat bevat. De begroeiingen van ondergedoken waterplanten bieden schuil-, foerageer- en voortplantingsmogelijkheden voor veel dieren waaronder vissen, amfibieën en ongewervelde dieren.

In vennen kunnen begroeiingen van zulke ondergedoken waterplanten zich alleen goed ontwikkelen bij voortdurende aanvoer van voldoende kooldioxide. Het is mogelijk dat het grondwater zorgt voor voldoende toevoer van kooldioxide. Ook komt voldoende kooldioxide vrij in een venbodem waar zich organisch materiaal ophoopt. Als de bodem voedselrijker wordt, gaan vaak planten met drijfbladeren overheersen. Indien ook de waterlaag voedselrijker wordt, treedt er daarnaast algenbloei op. Vooral plaatsen met een constante aanvoer van grondwater dat relatief rijk is aan ijzer en kooldioxide zijn geschikt voor ondergedoken waterplanten. De waterlaag blijft dan fosfaatarm terwijl de bodem wel enig fosfaat bevat. De begroeiingen van ondergedoken waterplanten bieden schuil-, foerageer- en voortplantingsmogelijkheden voor veel dieren waaronder vissen, amfibieën en ongewervelde dieren.

N
ymphaeiden: waterplanten met drijfbladeren
Nymphaeiden zijn in de onderwaterbodem wortelende waterplanten waarvan de groene delen hoofdzakelijk uit drijfbladeren bestaan. Voorbeelden zijn Waterlelie (Nymphaea alba) en Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans). Begroeiingen van nymphaeiden zijn niet bijzonder kenmerkend voor vennen. Voor de fauna kan een vegetatie van waterplanten met drijfbladeren echter neerkomen op een belangrijke toegevoegde waarde. De bladeren kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden voor de eiafzet van waterjuffers en libellen, dienen als rust- en uitsluipplaatsen voor diverse insectensoorten of als broedplek voor Zwarte stern.

Begroeiingen van helofyten: moerasplanten
Helofyten zijn moeras- en oeverplanten die met hun onderste gedeelte in het water staan en hun bladeren en bloemen daarboven uitsteken. Ze bieden schuil-, foerageer- en voortplantingsmogelijkheden voor veel diersoorten. Van de helofyten komen in zure wateren bijv. Snavelzegge (Carex rostrata), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Pitrus (Juncus effusus) vaak voor.

Aan de randen van zwak gebufferde vennen kunnen hoge helofyten, zoals Riet (Phragmites australis) en Mattenbies (Schoenoplectus lacustris) dichte vegetaties vormen. Tussen deze helofyten vindt lokaal verzuring plaats, waardoor er overgangen (gradiënten) in waterkwaliteit ontstaan. Vooral als het water relatief sterk gebufferd is en er vanuit de oever lokaal, zuurder grondwater toestroomt, kunnen zeer soortenrijke gradiënten ontstaan met soorten uit trilvenen en hoogveenranden. Een voorwaarde is daarbij dat de jaarlijkse peilfluctuatie in het ven klein blijft. Er zijn enkele vennen met voorbeelden van deze gradiëntrijke situaties bewaard gebleven. Daar vinden we zeer kenmerkende en sterk bedreigde soorten als Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia), Gevlekte glanslibel (Somatochlora flavomaculata) en de kokerjuffer (Hagenella clathrata).

Drijftillen & oevers met hoogveen- of trilveenplanten
Drijftillen kunnen in vennen op twee manieren tot ontwikkeling komen. Enerzijds ontstaan ze wanneer venig bodemmateriaal van de onderwaterbodem omhoog komt en gaat drijven en zich daar vervolgens oeverplanten op vestigen. Anderzijds ontstaan ze ook wanneer ondergedoken veenmossen in water dat relatief veel kooldioxide bevat een boven het water uitstekend veenmosdek gaan vormen. In beide gevallen is vorming van methaangas onder de drijftil nodig om de vegetatie drijvende te houden. Op drijftillen in zuur water kunnen zich waardevolle hoogveenvegetaties ontwikkelen, op drijftillen in gebufferd water een trilveenvegetatie met bijvoorbeeld Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia) en Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides). Zie ook natuurtype Trilveen. Drijftillen vormen bovendien een belangrijk structuurelement voor veel soorten macrofauna.

Groei van hoogveenplanten is onder bepaalde voorwaarden ook mogelijk op venoevers. De voorwaarden daarvoor zijn: een constant vochtige standplaats en bij voorkeur een standplaats die onder invloed staat van grondwater met naar verhouding veel kooldioxide. Verder moet het water zuur of zeer zwak gebufferd zijn. Grondwatertoevoer is over het algemeen essentieel, omdat het zowel voor het beperken van waterstandsfluctuaties zorgt als voor de aanvoer van kooldioxide.
Vaak komen in vennen zowel drijftillen als oevers met hoogveenplanten voor. Dergelijke zogenoemde hoogveenvennen bevatten enkele van de best ontwikkelde hoogveenvegetaties in Nederland. Ook een deel van de hoogveenfauna van ons land komt tegenwoordig vooral in dit ventype voor.

In zure vennen met hoogveenvorming en oevers met hoogveen- of trilveenplanten is het waterpeil tamelijk constant. De peilfluctuaties zijn gedurende het hele jaar niet groter dan een halve meter. In zure vennen die iedere zomer zo goed als geheel droogvallen kunnen wel veenmossen groeien maar hoogveenvorming en veenverlanding treedt daar niet op. Veenmossen op oevers sterven af als het ven droogvalt en als een drijftil droogvalt komt de methaangasproductie stil te liggen waardoor het drijfvermogen verdwijnt. Bestaat de veenmosvegeatie geheel of bijna geheel uit Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) en blijft het veenmosdek los en slap, dan gaat het zeer waarschijnlijk om een zuur ven dat ieder jaar opnieuw droogvalt. De peilfluctuatie kan hier meer dan een meter groot zijn gedurende het jaar.

Karakteristiek voor een zuur hoogveenven is een veenmosdek: zachte kleurrijke tapijten of kussens met verschillende veenmossoorten (o.a. Sphagnum magellanicum, S. papillosum, S.rubellum, S. palustre, S. nemorum, S. tenellum en S. pulchrum). Aan hogere plantensoorten die zich in hoogveensystemen thuis voelen komen bijv. voor: Beenbreek (Narthecium ossifragum), Snavelbiezen (Rhynchospora spp), Lavendelheide (Andromeda polifolia), Gewone dophei (Erica tetralix), Kleine veenbes (Oxycoccus macrocarpos) en Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum). Vergelijk verder ook met het natuurtype Hoogveen.

Droogvallende oevers

In veel vennen komen de meest waardevolle plantengemeenschappen op de droogvallende ofwel amfibische oevers voor. In de oeverzones van vennen die langdurig onder water staan kunnen landplanten niet overleven. De waterplanten die niet aangepast zijn aan een koolstofarme waterlaag kunnen er ook niet groeien. De helofyten, de moeras- en oeverplanten breiden zich op de droogvallende oevers van de vennen slechts langzaam uit. Onder invloed van het regelmatige droogvallen is fosfaat gebonden aan ijzer (zie ijzerhuishouding) en zijn de stikstofverliezen naar de lucht groot. Door de afwisselend zuurstofloze en zuurstofrijke omstandigheden kan er namelijk veel stikstof worden omgezet in gasvormig stikstof. Ophoping van organische stof in de bodem blijft op de venoevers lange tijd achterwege en daar, op het minerale zand, kan een heel gezelschap aan specialistische soorten voorkomen. Vaak zijn het soorten met twee typen van bladeren, een voor onder en een voor boven water. Denk aan Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Knolrus (Juncus bulbosus), Vlottende bies (Eleogiton fluitans), Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Moerashertshooi (Hypericum elodes), Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos) en Geoord veenmos (Sphagnum denticulatum). Het spreekt voor zich dat dergelijke gemeenschappen zich alleen goed kunnen ontwikkelen in vennen met een relatief grote peilfluctuatie en op geleidelijk hellende oevers, waar een relatief groot oppervlak droogvalt en geen beschaduwing aanwezig is van bomen en hoge oevergewassen.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, Moniek Nooren en Hein van Kleef, mei 2007.

Literatuur:
Vennenhoofdsleutel
,17-05-06
Arts, G.& G. van Duinhoven. 2000. Sleutelen aan vennen. Ministerie van LNV, Wageningen.

Aggenbach, C.J.S., M.H.Jalink en A.J.M.Jansen.,1998. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in vennen. Deel 5 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Brouwer, E., Bobbink, R., Roelofs, J.G.M. en G.M. Verheggen, 1996. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiering van oppervlaktewateren. Eindrapport monitoringsprogramma tweede fase. Universiteit Nijmegen.

Dam, H. van, G.H.P. Arts, J.D.M. Belgers, D. Tempelman, C. Dijkers, L. Janmaat & M.A.A. de la Haye. 2005. Huidige toestand en vervolgaanpak Brabantse vennen; rapportnr. 1200.
Alterra, Wageningen.

Arts, G.H.P, H. van Dam, F.G. Wortelboer, P.W.M. van Beers & J.D.M. Belgers. 2002. De toestand van het Nederlandse ven. Alterra-rapport 524-AquaSense-rapport 02.1715. Alterra, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website