Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Zwakgebufferd ven (N06.05) / Zwak gebufferd ven

Zwak gebufferd ven

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS

KENSCHETS
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

De zwak gebufferde vennen kunnen bijzonder rijk aan soorten en biotopen zijn, rijker dan zure vennen of zeer zwak gebufferde vennen. Vaak komen in zwak gebufferde vennen minder sterk gebufferde of zure uithoeken voor, waardoor naast de voor deze situatie kenmerkende soorten ook de soorten van zeer zwak gebufferde en/of zure vennen een plek kunnen vinden.
In vergelijking met de zeer zwak gebufferde vennen is het aandeel venplanten uit de Atlantische regio veel groter. Karakteristieke, bijzondere planten van zacht water of zwakke buffering zijn: Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra), Pilvaren (Pililaria globulifera), Kruipende moerasweegbree (Echinodorus repens), Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), Waterpostelein (Lythrum portula), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum) en Moerassmele (Deschampsia setacea). In permanent waterhoudende plassen bovendien: Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum), Buigzaam glanswier (Nitella flexilis) en Breekbaar kransblad (Chara globularis). Op de oever groeien soms ook andere kritische soorten zoals Draadgentiaan (Cicendia filiformis) en Teer guichelheil (Anagallis tenella). Ook de watermacrofauna is zeer karakteristiek en sommige soorten komen nog maar heel lokaal voor. Bijvoorbeeld de kokerjuffer Molanna albicans, de waterkever Hygrotus novemlineatus en de dansmug Cladotanytarsus pallidus.

In sommige zwak gebufferde vennen waren vroeger verlandingsvegetaties aanwezig met zeer bijzondere soorten. Dit was bijv. een verlanding met helofyten zoals Riet (Phragmites australis) of met zeggen. Deze rietvelden boden een thuis aan veel soorten rietvogels, zoals Roerdomp (Botaurus stellaris), Woudaap (Ixobrychus minutus) en Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus). Tussen het Riet was Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia) een lokaal niet zeldzame soort. Soms waren ook fraai ontwikkelde drijftillen aanwezig waarin zowel in de diepte als horizontaal een sterke gradiënt van zuur naar basisch aanwezig was. In het centrum van dergelijke drijftillen kon Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum) domineren, terwijl meer naar de randen soorten als Slank wollegras (Eriophorum gracile) en Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides) aanwezig waren. Het spreekt voor zich dat zich in dergelijke situaties met veel ruimtelijke overgangen (gradiënten)ook een uitzonderlijk rijke microflora kon ontwikkelen, met bijzondere soorten kiezelwieren en sierwieren. Helaas bezitten we nu alleen nog fragmenten van deze gradiënten en zijn de meest bijzondere soorten uit de zwak gebufferde vennen verdwenen.

KENSCHETS

Zacht water, ofwel zwak gebufferd water is water met een pH van meestal tussen 5 en 7, en buffercapaciteit tussen 200 tot 500 (soms tot 1000) micro-equivalent  HCO3- & CO3- per liter. Deze buffering komt tot stand door toestroom van grondwater of door inlaat van gebufferd oppervlaktewater. Het grondwater komt vanuit aangrenzende hoger gelegen gronden: stuif- of rivierduinen, dekzandhoogten, randen van plateaus. Vooral in vennen met een lage positie in het landschap kan - of kon vroeger - ook instroming of doorstroming met oppervlaktewater plaatsvinden. Veel zwak gebufferde vennen liggen op de flanken van dekzandplateaus of stuwwallen in de heidelandschappen van de hogere zandgronden van Nederland. De definitie is breed; we verstaan onder dit natuurtype behalve heideplassen bijvoorbeeld ook zwak gebufferde duinplassen, leemputten, wielen en pingoruïnes. Pingoruïnes zijn relatief grote en diepe ronde plassen die tijdens de laatste IJstijd zijn ontstaan; bijv. het Esmeer en Mekelermeer in Drenthe.

Voor het beheer is het is van belang om te weten of de zwakke buffering tot stand komt door aanvoer van grondwater of aanvoer van oppervlaktewater. In het eerste geval is het hele ven zwak gebufferd en voedselarm. In het tweede geval is er vaak sprake van een ruimtelijke overgang of gradiënt tussen een iets voedselrijker milieu met zwakke tot matige buffering en een voedselarm milieu met zeer zwakke tot geen buffering. In zwak gebufferde vennen met aanvoer van oppervlaktewater is de structuurvariatie en biodiversiteit vaak zeer groot. Deze systemen zijn echter gevoelig voor veranderingen in de hydrologie en vaak verloopt de successie sneller vanwege de aanvoer van voedingsstoffen via het inlaatwater.

Zwak gebufferde vennen zonder aanvoer van oppervlaktewater zijn ook vaak voedselrijker dan zeer zwak gebufferde of zure vennen. De bodem is vaak lemiger of veniger en met het grondwater worden meer voedingsstoffen aangevoerd dan in zandlandschappen het geval is. De beschikbaarheid van fosfaat blijft in de zwak gebufferde vennen met grondwatervoeding echter laag omdat het grondwater rijk is aan ijzer. In deze situaties bevat de onderwaterbodem wel fosfaat, maar de waterlaag niet. Dat is een optimale situatie voor wortelende, ondergedoken waterplanten.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
In het water van de zwakgebufferde vennen zijn kenmerkende gemeenschappen: de Associatie van Ongelijkbladig fonteinkruid (6Ab), Associatie van Teer vederkruid (5Ca3) en de zeldame Associatie van Kleinste egelskop (6Ab2). Langs de in de zomer droogvallende oevers zijn karakteristiek:
Pilvaren-associatie (6Ac1), Naaldwaterbies-associatie (6Ad1), Associatie van Vlottende bies (6Ac2), Associatie van Veelstengelige waterbies (6Ac3) en - in duinplassen - de Associatie van Waterpunge en Oeverkruid (6Ac4). In het hoge deel van de amfibische zone van zwak gebufferde vensystemen kunnen die gemeenschappen grenzen aan, of verweven zijn met, zeldzame gemeenschappen van het Dwergbiezen-verbond zoals Draadgentiaan-associatie (28Aa1) en Grondster-associatie (28Aa4) of met de Associatie van Moeraswolfsklauw & Bruine snavelbies (11Aa1). De hogere drogere zone (terrestrisch) is vooral de standplaats van de Associatie van Gewone dophei (11Aa2). In de oeverzones kan Pijpenstrootje overheersen. Hier liggen raakvlakken met het natuurtype Natte heide, Heischraal grasland en Nat schraalgrasland (bijv. naar Blauwgrasland en Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras)

In het open water groeien soms ook kranswieren in (romp)gemeenschappen van de Kranswieren-klasse (4), de verbonden of associaties van die klasse. Het type heeft hier een raakvlak met de natuurtypen Kranswierwater en Waterplantenrijk water van groep Meren en plassen.
Plaatselijk zijn mogelijk gemeenschappen van het Oeverkruid-verbond (6Aa) aanwezig - hier ligt een raakvlak met het natuurtype Zeer zwak gebufferd ven.
Bos en struweel bestaat meestal uit Wilde gagel, Grauwe wilg, Geoorde wilg, Zachte berk of Zwarte els, zie natuurtype Veenbos.
Het natuurtype Zwak gebufferd ven valt deels onder natuurdoeltypen Zwakgebufferd ven (3.22; subtype a), en Zwakgebufferde duinplas (3.22, subtype b), Gebufferde poel en wiel (3.14), Geïsoleerde meander en petgat (3.17). Binnen de habitatrichtlijn valt het Zwak gebufferd ven deels onder Zwak gebufferde vennen (H3130) en deels onder Vochtige duinvalleien (H2190).

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, Moniek Nooren en Hein van Kleef, mei .2007.

Literatuur:
Vennenhoofdsleutel,17-05-06
Arts, G.en G. van Duinhoven. 2000. Sleutelen aan vennen. Ministerie van LNV, Wageningen.

Aggenbach, C.J.S., M.H.Jalink en A.J.M.Jansen. 1998. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengenmeenschappen in vennen. Deel 5 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Duursema, G. 1999. Beoordeling en restauratie van natuurwaarden in Drentse vennen. Zuiveringsschap Drenthe.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website