Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Vochtige heide (N06.04) / Natte heide

Natte heide

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Natte heide en verwante natuurtypen
Karakteristiek en gewaardeerd

KENSCHETS
Nat door schijngrondwaterspiegels
Nat door regionaal, zuur grondwater
Constante tegenover wisselende grondwaterstanden
Veenmosarme dopheivegetaties
Veenmosrijke dopheivegetaties
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen


BETEKENIS

Natte heide en verwante natuurtypen
Onder natte heide rekenen we hier alle heidevegetaties waar in ieder geval in het winterhalfjaar het water boven of vlak onder maaiveld staat. Een verdere beperking is dat we ons hier concentreren op de zure en vrijwel zure heide; zwak gebufferde natte heides worden besproken onder heischraal grasland en nog sterker gebufferde plekken lijken het meest op blauwgrasland en worden daar besproken.

Natte heide komt in Nederland voor in de zandlandschappen van centraal, oost en zuid Nederland. Onze natte heides met Gewone dophei (Erica tetralix) behoren tot de meest uitgestrekte en best bewaarde voorbeelden van Europa. In de duinen van het waddendistrict en in laagveengebieden komen ook Gewone dophei-vegetaties voor. Die worden behandeld bij duinheide respectievelijk moerasheide.

De natte heide in het zandlandschap aanwezig als een gordel tussen de droge heide en vennen of beken die in het heidelandschap liggen of als natte laagten in een droge heide. Natte heide op zand is, net zoals droge heide, in het algemeen ontstaan na het kappen van het oorspronkelijke bos. Op deze vochtige tot natte plekken zal dat meestal een bos van berken geweest zijn. Veenmosrijke dopheivegetaties kunnen zich verder ontwikkelen in de richting van hoogveen. Kleinschalig plaggen van natte heide voor de potstal en de turf kon deze ontwikkeling tegenhouden of terugzetten. Omdat het traditionele heidegebruik niet meer rendabel was, is de oppervlakte van het heidelandschap - natte en droge heide samengenomen - sinds ca. 1850 met ongeveer 95 % afgenomen. Zie voor ontstaan en de landschappelijke relaties ook tekst ‘Heide en Stuifzand'.

De natte omstandigheden kunnen op twee manieren tot stand komen; lokaal regen- en grondwater kan stagneren op een waterkerende laag of het meer regionale grondwater staat hoog en is in de bovenlaag zuur. Verder is het van belang of de waterstand in het systeem van nature sterk schommelt of juist constant is. Deze hydrologische aspecten en de gevolgen voor de vegetatie worden hieronder in de ‘Kenschets' toegelicht.

Karakteristiek en gewaardeerd

Veel natte heides zijn relatief arm aan soorten, en dit geldt voor alle soortengroepen. Maar de natte plekken in de heidelandschappen met karakteristieke soorten, zoals Gewone dophei, Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Beenbreek (Narthecium ossifragum), Roodborsttapuit (Saxicola torquata), Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon) en Adder (Vipera berus), worden zeer gewaardeerd door natuurbeschermers en recreanten

KENSCHETS

Nat door schijngrondwaterspiegels
Op de standplaatsen van natte heides komen vaak lagen in de ondergrond voor die vrijwel geen naar beneden sijpelend water doorlaten. Deze waterkerende lagen kunnen op diverse manieren worden gevormd. Door uitloging van ijzer en andere bestanddelen uit de toplaag van de bodem kan enkele decimeters tot enkele meters diep in de ondergrond een inspoelingslaag ontstaan. De inspoelingslaag kan sterk verkitten en zodoende waterondoorlatend worden.
Een ander ontstaansproces dat veel voorkomt is dat bovenop de bodem vorming van veen of humus plaatsvindt en dat deze bodem door bijvoorbeeld overstuiving in de ondergrond terecht komt. Door afbraakprocessen en door de druk van de bovenliggende zandlaag wordt dan een compact laagje organisch materiaal gevormd dat vrijwel geen water doorlaat. Vaak lijkt een dergelijk laagje nog het meest op schoensmeer. Een derde mogelijkheid is dat er zich in de ondergrond leem- of kleilaagjes bevinden waarop het water stagneert.

Alle drie soorten van waterkerende laagjes hoeven slechts enkele centimeters dik te zijn en het is mogelijk dat ze hierdoor weinig opvallen. Ze zijn echter van groot belang voor het instandhouden van de natte condities door de schijngrondwaterspiegel. Het oppervlak van systemen met een schijngrondwaterspiegel kan in heidelandschappen variëren van enkele honderden vierkante meters tot enkele vierkante kilometers. Bedenk wel dat de waterkerende laag zich niet alleen bevindt onder de natte heide en eventueel vennen of hoogveentjes, maar tot ver in het aangrenzende droge zandlandschap doorloopt.

Nat door regionaal, zuur grondwater
Grotere grondwatersystemen staan vaak voor een deel van hun bereik in contact met kalkhoudende bodems. Daarom is het grondwater van grote systemen meestal niet zuur. Toch kan de toplaag van deze systemen uit zuur water bestaan. Voorwaarde hiervoor is dat er zuur water in de grond wegzakt of ‘infiltreert' in de grond, zoals dat in heidevelden vaak het geval is. De dikte van die toplaag van zuur grondwater kan per heideveldsysteem behoorlijk verschillen. Als ze dun is, kan in de winter gebufferd water de wortelzone bereiken en dan ontstaat er een nat, heischraal grasland. Op de standplaatsen van een zure, natte heide bereikt het gebufferde water uit de ondergrond vrijwel nooit de wortelzone.

Constante tegenover wisselende grondwaterstanden
Zoals hierna wordt beschreven, zijn natte heides met een constante waterstand veel rijker aan hogere planten, mossen en meestal ook dieren dan natte heides met een sterk schommelende waterstand. Sommige natte heides hebben een constant waterpeil omdat ze in verbinding staan met een groot regionaal grondwatersysteem dat slechts kleine peilschommelingen kent. Vaak is er echter sprake van een zogenoemd doorstroomsysteem: grondwater stroomt over een waterkerende of waterverzadigde laag af en deze stroom droogt nooit volledig op. Doorstroomsystemen zijn alleen mogelijk bij een samenhangende waterkerende laag van goede dichtheid; de laag moet niet onderbroken zijn en mag ook vrijwel geen water doorlaten. Indien er ‘lekkage' optreedt, zal de waterstand alsnog sterk gaan schommelen. Doorstroomsystemen op een waterverzadigde laag zijn vooral te vinden aan de rand van beekdalen, doorstroomsystemen met een schijngrondwaterspiegel kunnen ook hogerop in het droge zandlandschap worden aangetroffen.

Veenmosarme dopheivegetaties
Er zijn veenmosarme en veenmosrijke dopheivegetaties. Bepalend is daarbij de hydrologie op de standplaats. Op plekken met een sterk wisselende waterstand komen weingi veenmossen voor. Op deze standplaatsen overheerst in de zomer wegzijging, waardoor de bodem te droog wordt voor veenmossen. De wisselende waterstanden zorgen voor een relatief snelle afbraak van organisch materiaal en voor een goede vastlegging van fosfaat aan ijzer. Op de wat hoger gelegen delen van de standplaatsen groeien plantensoorten van minerale, voedselarme bodems die met hun wortels tot in het vrij diep wegzakkende grondwater reiken, zoals Gewone dophei (Erica tetralix) en Trekrus (Juncus squarrosus). Op de lagere delen komen plantensoorten voor die aangepast zijn aan vrij langdurige perioden van overstroming, zoals Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca) en Kleine zonnedauw (Drosera intermedia).

Veenmosrijke dopheivegetaties
Veenmosrijke dopheivegetaties vormen zich op plekken met een stabiele waterstand. Daar blijft de bodem ook in de zomer nat en zuurstofloos. Onder meer stabiele omstandigheden kan zich meer organisch materiaal ophopen, waardoor vocht nog beter wordt vastgehouden. Dan kan zich een veenmosrijke dopheivegetatie ontwikkelen, waarin onder andere Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Kussentjesveenmos (S. compactum), Kussentjesmos (Leucobryum glaucum) en Rood viltmos (Aulacomnium palustre) kunnen voorkomen. Ook allerlei plantensoorten van hoogvenen voelen zich in deze situatie thuis, zoals Kleine veenbes (Oxycoccus palustris) en Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia).

Indien er bovendien sprake is van een doorstroomsysteem, wordt de vegetatie nog soortenrijker. Met het water wordt vaak veel kooldioxide aangevoerd, wat de groei van veenmossen bevordert. Bovendien is het water vaak net iets minder zuur en wat rijker aan zuurstof. Hierdoor kunnen soorten als Beenbreek (Narthecium ossifragum), Wilde gagel (Myrica gale) en Veldrus (Juncus acutiflorus) talrijk zijn.
Veel van de best ontwikkelde hoogveenvegetaties in Nederland zijn eigenlijk veenmosrijke dopheivegetaties die zich verder hebben ontwikkeld in de richting van hoogveen.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De Associatie van Gewone dophei (11Aa2) is een min of meer gesloten natte heidevegetatie waarin Gewone dophei overheerst. De Associatie van Moeraswolfsklauw en Snavelbies (11Aa1) is het pionierstadium van deze gemeenschap, dat voorkomt op afgeplagde plekken en langs paden. De Associatie van Gewone dophei en Veenmos (11Ba1) is karakteristiek voor plaatsen waar het grondwater nauwelijks wegzakt.Deze plantengemeenschap ontstaat of regenereert echter vaak vanuit de Associatie van Gewone dophei en komt ook voor bij vennen. De natte heide grenst vaak aan vennen en zo kunnen deze gemeenschappen ruimtelijk in elkaar overgaan. Vergraste natte heide is de Rompgemeenschap van Pijpenstrootje (11RG2). Op sommige plaatsen komt de Rompgemeenschap van Gagel (11RG3) tot ontwikkeling. Omdat de plant zelf stikstof fixeert is deze in staat om bij een zeer geringe fosfaataanvoer, bijvoorbeeld met oppervlakkig grondwater, een dicht en soortenarm struweel te vormen. De hier beschreven natte heide komt overeen met het natuurdoeltype natte heide. Het natuurtype omvat het habitattype Vochtige heides van hogere zandgronden (H4010A) en gedeeltelijk ook Pioniervegetaties met Snavelbiezen (H7150).

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer & André Aptroot


Literatuur:
Bobbink, R., E. Brouwer, J.G. ten Hoopen & E. Dorland, 2004. Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Van Duinen e.a. (eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 Jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. pp. 33-70. Expertise Centrum -LNV, Ede.

Schaminée, J.H.J, A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda, 1995. De Vegetatie van Nederland. Deel 2: Wateren, moerassen en natte heides. Opulus Press, Uppsala.

Weeda, E.J, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren, 2000. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 1: Wateren, moerassen en natte heides. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website