Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Trilveen (N06.02) / Trilveen

Trilveen

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Zeer zeldzaam en bedreigd
Trilvenen drijven
Stratificatie en natuurlijke verzuring
Trilveen als cultuurmonument
Natuurlijk archief

KENSCHETS
Kernproces verlanding
Waterhuishouding cruciaal
Mossen en cypergrassen
Waterrijk thuis voor dieren
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Zeer zeldzaam en bedreigd
Trilvenen en veenmosrietlanden volgen elkaar op als ontwikkelingsstadia in de verlanding van sloten, plassen en petgaten. In Nederland komen ze vooral in het laagveengebied voor en verder ook in veenvormende systemen in oude meanders van de midden- en benedenlopen van beekdalen, op de overgangen van pleistocene zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. In Europees verband zijn deze begroeiingen zeldzaam en bedreigd. Onze trilvenen hebben een grote internationale betekenis en Nederland draagt een groot aandeel van de Europese verantwoordelijkheid voor het behoud. In ons land is de totale oppervlakte in de afgelopen decennia door geleidelijke verbossing sterk afgenomen.
Er is momenteel hooguit honderd hectare trilveen in Nederland: het vormt het neusje van de zalm in laagveenmoerassen. De verspreiding is op te zoeken in deel 1 van de Atlas van plantengemeenschappen in Nederland. Een groot deel van dit trilveen is echter aangetast door verzuring, vervuiling, versnippering en vermesting. De omvang van werkelijk goed, soortenrijk trilveen is veel en veel kleiner dan honderd hectare.

Trilvenen drijven
Trilvenen bestaan uit mosrijke op het water drijvende plantenmatten. Van de vaatplanten voeren schijngrassen (Cyperaceae) de boventoon en in de moslaag domineren slaapmossen (Amblystegiacea). De soortenrijke trilvenen zijn meestal maar klein, ook als ze in grote laagveenreservaten liggen. Dat komt doordat trilvenen ontwikkelingsstadia in de verlanding van beschutte wateren zijn. Waterplanten-, slappe drijftil- en krabbenscheergemeenschappen worden in een natuurlijke opeenvolging, successie dus, opgevolgd door drijvende vegetatiematten of kraggen. Trilveenmatten of kraggen zijn 20 tot 70 cm dik en zo stevig dat ze net begaanbaar zijn. Toch geven ze nog mee en golven of trillen bij betreding onder de voeten - vandaar de naam trilveen. Ze kunnen aan de ‘vaste' grond van oevers vastgegroeid zijn. In jonge trilvenen variëren de standplaatscondities van basisch tot zwak zuur en aquatisch tot matig nat. Ze vertonen soms reliëf en een patroon van ‘microhabitats': slenken en bulten van mossen en zeggen. Omdat trilvenen veelal gemaaid worden is het oorspronkelijke reliëf afgevlakt. In sommige trilvenen komen extra veel bijzondere plantensoorten voor doordat er kleilaagjes aanwezig zijn. Die kleilaagjes zijn het gevolg van rivieroverstromingen in het verleden.

Stratificatie en natuurlijke verzuring
De drijvende trilveen-vegetatiemat bestaat uit vervlochten plantenwortels. In die mat gaat bovenaan veenvorming plaatsvinden: opeenhoping van slecht afgebroken plantenmateriaal. Zolang de kragge drijft, staat het water voortdurend aan of net onder maaiveld. In omhooggroeiende bulten en in het midden van het trilveen hoopt zich regenwater op. Er ontstaat een verticale gelaagdheid in watertypen, stratificatie genaamd. Het water waarop en waarin de kragge drijft is oppervlakte- of grondwater of een mengsel daarvan. Door de invloed van dat water heersen in de onderlaag basenrijke (calcium- en magnesiumrijke), matig voedselrijke omstandigheden. In de bovenlaag zijn de omstandigheden onder invloed van het regenwater zwak zuur en voedselarm en worden ze op den duur matig zuur tot zuur en zeer voedselarm - hoogveenachtig dus. Verzuring die door afnemende invloed van het basenrijke water en toenemende regenwaterinvloed aan de oppervlakte begint, is een natuurlijk proces in laagveensystemen.
Als trilvenen niet worden gemaaid ontwikkelt zich bos. Bij kleinschalig beheer en aandacht voor detail kunnen ze heel lang stand houden met behoud van de biodiversiteit, maar de vegetatiemat wordt aldoor dikker en eenvormiger. Bulten en slenken verdwijnen. Trilveen gaat vroeg of laat geleidelijk over in veenmosrietland of moerasheide. Bij deze successie gaan ondiep wortelende basenminnende planten geleidelijk achteruit en verdwijnen uiteindelijk. De pioniermossen vinden op den duur alleen nog langs de randen van de trilveenkragge geschikte condities. Al met al bieden jonge trilvenen een veel grotere afwisseling aan leefplekken dan oude trilvenen, veenmosrietland en moerasheide. Dit is ook van invloed op de fauna.

Trilveen als cultuurmonument
De goed ontwikkelde trilvenen die ons land rijk is liggen in ten dele verveende en ontgonnen grote laagveengebieden zoals De Nieuwkoopse Plassen, Olde Faenen, De Wieden en De Weerribben en Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland. Ze maken deel uit van een oud ‘kraggenlandschap' dat veel kleinschalige afwisseling laat zien en is verweven met de verveningsgeschiedenis. Veel trekgaten zijn inmiddels dichtgegroeid, andere zijn opnieuw uitgebaggerd. Het oude patroon van uitgebaggerde ‘pet- of trekgaten', opgehoogde ‘legakkers of ribben', plassen en putten is echter in het algemeen nog zichtbaar. Als getuigenis van de verveningsgeschiedenis heeft dit patroon een toegevoegde cultuurhistorische waarde. Trilvenen, riet- en andere open moeraslanden zijn vanouds in gebruik als hooilanden en voor de winning van riet, veenmos en dergelijke. Zelfs waterplanten als Krabbenscheer (Stratiotes aloides) werden vroeger gewonnen en gebruikt voor bemesting van akkers. Het oogsten van plantenmateriaal heeft invloed op het proces van veenvorming en houdt de successie naar ruigte- en bosgemeenschappen tegen. Het afvoeren van riet en hooi van de kraggen komt neer op het afvoeren van voedingsstoffen en het vertraagt veroudering en dikker worden van de kraggen. Het doel is nu natuurbeheer en niet meer exploitatie, maar tegenwoordig worden trilvenen nog steeds in stand gehouden door maaien en afvoer van maaisel. Ook het plaatselijke oogsten en zogenoemde krabben van veenmos, zoals dat nu nog geschiedt in o.a. de Botshol voorkomt verzuring en of veroudering. Dit veenmos wordt gebruikt in de kerststukjes en orchideeënteelt.
Ook als het ontginningspatroon niet meer zichtbaar is, kan men zeggen dat de trilvenen en andere laagveenmoerassen met maaibeheer een levend monument zijn.

Natuurlijk archief
Intact gebleven veenafzettingen zijn waardevolle natuurarchieven van de geschiedenis van landschap en vegetatie. Het natuurarchief bestaat uit resten van planten en dieren die in veen goed bewaard blijven. Veenlagen kunnen, maar hoeven niet oud te zijn.

KENSCHETS

Kernproces verlanding
Het kernproces in trilvenen is de verlanding zoals die van nature plaatsvindt in luwe wateren. Het proces begint met waterplantenvegetatie van bijv. kranswieren (Charophyceae), fonteinkruiden (Potamogeton), blaasjeskruiden (Utricularia) en wat later Krabbenscheer (Stratiotes aloides). Vervolgens vestigen zich moerasplanten en uiteindelijk raakt het water opgevuld met plantenmateriaal en veen. Van de moerasplanten wortelt een deel vooral in de onderwaterbodem: de zogenoemde ‘immerse' soorten zoals Riet (Phragmites australis). Een andere groep vormt vooral drijftillen of kraggen: de ‘emerse' soorten zoals Waterscheerling (Cicuta virosa), Slangenwortel (Calla palustris) of Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata). Sterke golfslag verhindert verlanding. Vegetatietypen volgen elkaar op in een successiereeks voor kleine mesotrofe wateren of grote eutrofe plassen.

Waterhuishouding cruciaal
Trilvenen zijn betrekkelijk voedselarm tot matig voedselrijk. De begroeiing staat onder invloed van ‘schoon' basen- en/of ijzerrijk grondwater of oppervlaktewater dat zich mengt met zuur, voedselarm neerslagwater. Deze hydrologische voeding zorgt samen met maaibeheer voor het ontstaan en de instandhouding van de schrale omstandigheden. Voor jonge verlandingen en trilvenen is de waterhuishouding de cruciale factor. Het waterpeil moet in de trilvenen min of meer constant zijn. Grote wisselingen, ook al duren ze niet zo lang, leiden tot een verdroging waarbij veel van de karakteristieke soorten achteruitgaan of verdwijnen en bepaalde planten gaan overheersen. Als de waterhuishouding en waterkwaliteit in trilvenen intact blijven en ze jaarlijks gehooid worden, kunnen ze lang standhouden. In Nederland blijkt dit ca. 40-50 jaar mogelijk. In Ierland bestaat een trilveen waarvan bekend is dat het een eeuw oud is (mededeling. B. Beltman).

Mossen en cypergrassen
De trilvenen bestaan uit op het water drijvende plantenmatten met veel mos. De kruidlaag is ijl en bestaat vooral uit cypergrassen. Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Paddenrus (Juncus subnodulosus), Zompzegge (Carex curta), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) en Moeraskartelblad (Pedicularis palustris) zijn soorten die de boventoon kunnen voeren. Zeldzamer zijn Klein en Plat blaasjeskruid (Utricularia minor en U. intermedia) en Slank wollegras (Eriophorum gracile). Trilvenen herbergen soms ook zeldzame orchideeën zoals Veenmosorchis (Hammarbya paludosa), Groenknolorchis (Liparis loeselii) en Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata).
De soortenrijke trilvenen vertonen een patroon van slenken en bulten. De moslaag is rijk ontwikkeld en weerspiegelt verschillende ontwikkelingsfasen. Kenmerkend zijn bijv. Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpiodes), Groen schorpioenmos (Scorpidium cossonii), Sterren-goudmos (Campylium stellatum), Reuzenpuntmos (Calliergon giganteum) en Veenknikmos (Bryum pseudotriquetrum).
De groeicondities van de planten hangen in trilvenen mede af van de diepte tot waar zich hun wortels uitstrekken of, bij mos, tot waar het mos leeft. Zo kunnen mossen onder zure, regenwaterachtige omstandigheden groeien naast kruiden die wortelen in het basenrijke grondwater. Het basenrijke grondwater bevindt zich vaak maar op 10 cm diepte onder het mosdek. Trilvenen zijn soortenrijk in samenhang met de verticale gelaagdheid in watertypen: door deze gelaagdheid verenigt een trilveen zowel basenminnende als zuurminnende moerasplanten. Vermesting van het voedende oppervlakte- en/of grondwater leidt tot verruiging met bijv. Moerasspirea (Filipendula ulmaria) of Riet. Toename van soorten zoals Stijve zegge (Carex elata), Moeraszegge (Carex acutiformis) en Hennegras (Calamagrostis canescens) wijzen op verstoringen zoals het uittrekken van bomen of wisselende waterstanden. Bij verdroging kan Pijpenstrootje (Molinia caerulea) gaan woekeren. Soorten zoals Waterscheerling en blaasjeskruiden kunnen langs de randen en in slenken van het trilveen groeien als overblijfsels van jonge verlandingsstadia (zie Plantengemeenschappen).

Waterrijk thuis voor dieren
Veel zeldzame en minder zeldzame diersoorten bezoeken trilveen als onderdeel van een open venig moerasgebied. Vogels zoals de Watersnip (Gallinago gallinago) zoeken er rust en veiligheid, ze maken deel uit van het leefgebied van bewoners van waterrijke gebieden zoals de otter, Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), Groene kikker (Rana lessonae bijv.) en Rugstreeppad (Bufo calamita).
Ook insecten zoals Vroege en Groene glazenmaker (Aeshna isoceles en A. virides) en vlinders zoals de Zilveren maan (Boloria selene) voelen zich thuis in trilvenen. In fraai mosrijk nat schraalland is de kruidlaag open en kunnen de Zilveren maantjes hun voedselplanten, Moerasviooltjes (Viola palustris), makkelijk vinden. Zie voor meer diersoorten de pagina Moeras.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De meest karakteristieke en zeldzaamste vegetatie van trilveen is de Associatie van Schorpioenmos en Ronde zegge (9Ba1). De Associatie van Moerasstruisgras en Zompzegge (9Aa3) is algemener. Ze is kenmerkend voor oudere, dikkere en doorgaans zuurdere kraggen. Langs de oevers staat het trilveen in contact met slappere drijftillen en andere jonge verlandingsgemeenschappen. Die zijn echter zeldzaam geworden. Het zijn de Associatie van Waterscheerling en Hoge cyperzegge (8Ba2), de Pluimzegge-associatie (8Bd2) , de Riet-associatie (8Bb4) of andere moerasgemeenschappen van de Riet-klasse waarin forse grasachtige zeggen domineren zoals de Galigaan-associatie (8Bd1), Oeverzegge-associatie (8Bc1), RG Moeraszegge [Riet-orde] (RG8). Soms komen de Rompgemeenschap van Holpijp (8RG06) of de Associatie van Slangewortel (8Ba1) in contact met drijftillen en trilvenen voor op beschut gelegen plekken. Als scheuren of gaten in het trilveen ontstaan, begint de verlanding van voren af aan zodat deze jonge verlandingsgemeenschappen ook mozaieken kunnen vormen met trilveen. De voorgangers in het verlandingsproces behoren vooral tot het natuurtype Waterplantenrijk water.
In Galigaanmoerassen groeien sporadisch soorten van kalkmoerassen, uit het Knopbiesverbond (9Ba). Begroeiingen van Galigaan (Cladium mariscus) vallen onder een apart habitattype (H7210). Deze vlijmscherpe, grote moerasplant kan uitgestrekte begroeiingen vormen aan de oevers van laagveenplassen, duinplassen en heidevennen. Doorgaans staan de begroeiingen onder basenrijke en niet te zuurstofarme omstandigheden. De soort vormt meestal een soortenarme vegetatie waarin weinig andere soorten standhouden. Deze Galigaanbegroeiingen kunnen zich vele decennia handhaven.

De natuurdoeltypen waar trilvenen en jonge verlandingstadia bij horen zijn Laagveenmoeras, Nat schraalland en Rietland en ruigte.
Het habitattype is Overgangs- en trilvenen (H7140-A).

Met bijdragen van:
Moniek Nooren, 3.10.2006; André Jansen, 30.11.2006 en Boudewijn Beltman 15.05.2007 

Literatuur:
Jalink, M.H. 1996. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Deel 2 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.
Catalogi Bedrijfssturing Natuur, Bos Recreatie en Landschap, 2002/3. Staatsbosbeheer, Driebergen

Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda. 1995. De vegetatie van Nederland. Deel 2. Opulus Press, Uppsala.

Bal, D., H.M. Beije, Y.R. Hoogeveen, S.R.J. Jansen en P.J. van der Reest. 1995. Handboek Natuurdoeltypen. IKCNatuurbeheer, Ministerie van LNV, Wageningen

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée, L. van Duuren. Atlas van plantengemeenschappen in Nederland. Deel 1: Wateren, moerassen en natte gebieden. KNNV

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2006. Natura 2000 doelendocument Samenvatting. LNV, Den Haag.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website