Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Veenmosrietland en moerasheide (N06.01) / Veenmosrietland

Veenmosrietland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Zwaartepunt in ons land
Laat stadium in de verlandingsreeks
Stratificatie en natuurlijke verzuring
Veenmosrietland als cultuurmonument
Natuurlijk archief

KENSCHETS
Een hoogveenlaagje op laagveen
Veenmos en Riet
Waterrijk thuis voor dieren
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Zwaartepunt in ons land
Veenmosrietlanden vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding van sloten, plassen en petgaten. Ze vertonen enige overeenkomsten in verschijningsvorm en samenstelling met trilvenen, maar beide typen hebben hun eigen karakteristiek. In Nederland komen ze vooral in het laagveengebied voor en verder ook in veenvormende systemen in de middellopen van beekdalen en op de overgangen van pleistocene zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. In Europees verband zijn begroeiingen van dit vegetatietype zeldzaam en bedreigd.
In ons land is de totale oppervlakte in de afgelopen decennia door geleidelijke verbossing sterk afgenomen.
Aan veenmosrietlanden komen in ons land naar schatting nog enkele honderden hectaren voor. Veenmosrietlanden zijn in hun voorkomen beperkt tot het Noordwest-Europese laagland en hebben in ons land hun zwaartepunt. Het heeft een wat ruimer verspreidingsgebied dan trilveen: het wordt ook aangetroffen in de Noord-Hollandse brakwaterveengebieden. Bolwerken vormen vanouds de Nieuwkoopse Plassen, de Zaanstreek en Waterland.

Laat stadium in de verlandingsreeks
Veenmosrietlanden bestaan uit op het water drijvende plantenmatten of kraggen met veel mos. De kragge is meestal stevig, al dan niet reliëfrijk, maar zonder veel slenken.
Veenmosrietland is een laat stadium in de verlandingsreeks zoals die plaatsvindt in luwe wateren. Waterplanten-, slappe drijftil- en krabbenscheergemeenschappen worden in een natuurlijke opeenvolging, successie dus, opgevolgd door drijvende vegetatiematten of kraggen. De kraggen met veenmosrietlanden zijn meestal meer dan een halve meter dik en goed begaanbaar. Enigszins meegeven bij betreding doen ze wel en plaatselijk kun je een stuk wegzakken in dikke zachte moskussens.

Stratificatie en natuurlijke verzuring
In omhooggroeiende begroeiingen op drijvende plantenmatten of kraggen hoopt zich regenwater op. Er ontstaat een verticale gelaagdheid in watertypen, stratificatie genaamd. Door invloed van oppervlaktewater van onderaf heersen in de onderlaag basenrijke, matig voedselrijke omstandigheden. Verzuring die door toenemende regenwaterinvloed aan de oppervlakte begint, is een natuurlijk proces in laagveensystemen.
Als veenmosrietlanden niet worden gemaaid ontwikkelt zich bos. Vooral bij kleinschalig beheer en aandacht voor detail (zie subpagina ‘Herstelbeheer') kunnen ze heel lang stand houden met behoud van de biodiversiteit, maar de vegetatiemat wordt aldoor dikker en eenvormiger. Veenmosrietlanden gaan soms over in moerasheiden.

Veenmosrietland als cultuurmonument
Veenmosrietlanden die in ten dele verveende en ontgonnen grote laagveengebieden liggen maken deel uit van een oud ‘kraggenlandschap'. Dat landschap vertoont veel kleinschalige afwisseling die is verweven met de verveningsgeschiedenis. Veel trekgaten zijn inmiddels dichtgegroeid, andere zijn opnieuw uitgebaggerd. Het oude patroon van uitgebaggerde ‘pet- of trekgaten', opgehoogde ‘legakkers of ribben', plassen en putten is echter in het algemeen nog zichtbaar. Als getuigenis van de verveningsgeschiedenis heeft dit patroon een cultuurhistorische waarde. Veenmosrietlanden, riet- en andere open moeraslanden zijn vanouds in gebruik als hooilanden en voor de winning van riet, veenmos en dergelijke. Het hooien en de rietwinning heeft invloed op het proces van veenvorming en houdt de successie naar ruigte- en bosgemeenschappen tegen. Het afvoeren van riet en hooi komt neer op het afvoeren van voedingsstoffen en het vertraagt veroudering en dikker worden van de kraggen. Het doel is nu natuurbeheer en niet meer exploitatie, maar tegenwoordig worden veenmosrietlanden nog steeds in stand gehouden door maaien en afvoer van maaisel. Ook het plaatselijke oogsten en zogenoemde krabben van veenmos, zoals dat nu nog geschiedt in o.a. de Botshol voorkomt verzuring en of veroudering. Dit veenmos wordt gebruikt in de kerststukjes en orchideeënteelt. Ook los van het ontginningspatroon gezien kan men zeggen dat de veenmosrietlanden en andere laagveenmoerassen met maaibeheer een levend monument zijn.

Natuurlijk archief
Intact gebleven veenafzettingen zijn waardevolle natuurarchieven van de geschiedenis van landschap en vegetatie. Het natuurarchief bestaat uit resten van planten en dieren die in veen goed bewaard blijven. Veenlagen kunnen, maar hoeven niet oud te zijn.

KENSCHETS

Een hoogveenlaagje op laagveen
Veenmosrietlanden zijn over het geheel genomen voedselarm: deze veengemeenschappen vertonen een sterke gelaagdheid ofwel stratificatie in hydrochemie. In de moslaag en de bovenlaag van de kragge zijn de omstandigheden door gebrek aan basenaanrijking onder invloed van het regenwater matig zuur tot zuur en voedselarm - hoogveenachtig dus. Door oppervlaktewater invloed van onderaf heersen in de onderlaag basenrijke, matig voedselrijke omstandigheden. Diep wortelende soorten zoals Riet hebben hun wortels in deze zone. Zoals bij trilveen staat de begroeiing onder invloed van helder basenrijk grondwater of oppervlaktewater dat zich mengt met ongebufferd, relatief voedselarm neerslagwater (zie ook zuurbuffering). Het regenwateraandeel is in veenmosrietland echter groter dan in trilveen.
Het waterpeil moet in de begroeiingen min of meer constant zijn. Grote wisselingen, ook al duren ze niet zo lang, leiden tot een verdroging waarbij veel van de karakteristieke soorten achteruitgaan of verdwijnen en bepaalde planten gaan overheersen. Als de waterhuishouding en waterkwaliteit in veenmosrietlanden intact blijft en ze jaarlijks gehooid worden, kunnen ze jarenlang standhouden.

Veenmos en Riet
Het meest kenmerkende van veenmosrietland is de combinatie van een veenmoslaag en een ijle begroeiing van Riet (Phragmites australis). Enige cypergrassen (Cyperaceae), Kamvaren (Dryopteris cristata), een aantal kruiden en levermossen vullen de soortenlijst aan. Bijzondere soorten zijn Veenmosorchis (Hammarbya paludosa), Elzenmos (Pallavicinia lyellii) en Glanzend veenmos (Sphagnum subnitens). In brakke of voormalig brakke gebieden groeit in het veenmosrietland vaak Ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani). Bij verzuring gaat het soortenaantal achteruit. Gewoon haarmos (Polytrichum commune) kan dan sterk toenemen en een dikke aaneengesloten moslaag vormen die zeer arm is aan andere soorten. Zo verlies je veel biodiversiteit.

Waterrijk thuis voor dieren
Bepaalde vormen van het veenmosrietland zijn het leefmilieu voor de Grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava). Dat is een heel zeldzame vlinder waarvoor ons land bijzondere verantwoordelijkheid draagt. Voedselplant zijn grote exemplaren van de Waterzuring (Rumex hydrolapathum) die langs de waterkant staan. Veel zeldzame en minder zeldzame diersoorten bezoeken veenmosrietland als onderdeel van een open venig moerasgebied bijv. Rietgors (Emberiza schoeniclus), Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) en Watersnip (Gallinago gallinago). Vogels zoals de Wulp (Numenius arquata) zoeken er rust en veiligheid, ze maken deel uit van het leefgebied van bewoners van waterrijke gebieden zoals ook de Otter (Lutra lutra), Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), Ringslang (Natrix natrix), amfibieën en libellen. Zie voor meer diersoorten de pagina Moeras.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Het vegetatietype is een associatie die Veenmosrietland (9Aa2) heet, net zo als het natuurtype. Het kan een mozaïek vormen met andere stadia van de verlandingsreeks, met trilveen en laagveenschraalgrasland met name begroeiingen van de Associatie van Echte koekoeksbloem en Gevleugeld hertshooi (16Ab3). In veenmosrietland van goede kwaliteit bestaat de moslaag grotendeels uit veenmossen en slaapmossen. Het is van minder goede kwaliteit als Gewoon haarmos (Polytrichum commune) domineert of Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) of Hennegras (Calamagrostis canescens; dit wordt dan 9RG3).
Het habitattype is Overgangs- en trilvenen (H7140-B veenmosrietlanden). De natuurdoeltypes waar veenmosrietlanden bij horen zijn Nat schraalland en Rietland en ruigte.

Met bijdragen van:
Moniek Nooren, 20.07.2006 en Boudewijn Beltman, 15 mei 2007

Literatuur:

Jalink M.H. 1996. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Deel 2 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Catalogi Bedrijfssturing Natuur, Bos Recreatie en Landschap, 2002/3. Staatsbosbeheer, Driebergen

Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda. 1995. De vegetatie van Nederland. Deel 2. Opulus Press, Uppsala.

Bal, D., H.M. Beije, Y.R. Hoogeveen, S.R.J.Jansen en P.J. van der Reest. 1995. Handboek Natuurdoeltypen. IKCNatuurbeheer, Ministerie van LNV, Wageningen

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website