Pad: Natuurtypen / Moerassen (N05) / Moeras (N05.01) / Helofytenmoeras

Helofytenmoerassen
- moerassen gedomineerd door grote helofyten -

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Stinkie Stankie
Rietteelt
Biezenteelt
Moerasvogels
Noordse woelmuis
Vis en macrofauna
Zuiverende werking
Toepassing van zuiverende rietzones

KENSCHETS
Inleiding
Ecologie
Het begin van de successie: pioniervegetaties
Na enkele jaren: associaties van de Rietklasse
Galigaanmoeras
Oudere vegetaties
Nationaal en Europees beleid
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Stinkie Stankie

‘Zo stinkie stankie,
moerasje,
mijn vies en smeuïg plasje,
stinkie stankie,
verderrie en gatsie,
zo stinkie stankie,
voel me bij je thuis!’

In Sesamstraat zingt het monster Oscar Mopperkont in het liedje ‘Stinkie Stankie’ over een vies, stinkend moeras met vuilnis en vliegen (www.youtube.com/watch?v=rPnV02IT7o0). Moerassen hebben al eeuwenlang bij veel mensen een slechte naam. Moerassen, de overgangen van land naar water, werden gezien als ondoordringbare plekken waar je kon verdwalen en verdrinken, waar moorden werden gepleegd en ongedierte huisde. Ook in de huidige tijd is de beeldvorming over moerassen vaak nog negatief, zoals het liedje van Oscar Mopperkont illustreert. Ondanks deze slechte naam is er in Nederland altijd veel gebruik gemaakt van producten uit het moeras: riet- en biezenteelt, visvangst. Moerasvegetaties vormen een zeer belangrijke biotoop voor planten, vogels, vissen en andere fauna en dragen bij aan het landschapsschoon en het ‘zelfreinigend vermogen’ van wateren.

riet in wieden
Rietmoeras in De Wieden. Foto: Roos Loeb

Rietteelt
Riet wordt al sinds de Romeinse tijd in Nederland gebruikt om daken mee te dekken. Tot in de Middeleeuwen hadden ook de huizen in de steden rieten daken, maar die werden in de loop van de tijd vanwege brandgevaar vervangen door pannendaken. Op het platteland, waar de boerderijen verder uit elkaar staan, bleven rieten daken echter in zwang. Veel boeren in laag Nederland hadden een stukje rietland op de overgang van hun land naar het water. Dit riet werd door de boeren vaak twee keer per jaar gemaaid; één keer in de lente en één keer aan het eind van de zomer. Het werd voor allerlei doeleinden gebruikt: voor op de grond in de stal, om oogst af te dekken, om schermen van te maken en soms werd de vroege snede riet (jonge spruiten) zelfs als voer voor de koeien gebruikt vanwege het hoge eiwitgehalte. Voor het dekken van rieten daken is echter winterriet nodig, waar door de vorst geen bladeren meer aan zitten. Dit riet wordt door riettelers tussen december en april geoogst, zowel in natuurgebieden als in speciale rietteeltpercelen.
In Nederland is er ongeveer 9000 hectare rietmoeras, waarvan ongeveer 30% jaarlijks wordt gemaaid om riet te oogsten. Dit aandeel jaarlijks geoogst riet verschilt sterk per gebied. In de Zaanstreek wordt slechts 3% jaarlijks gemaaid, in Botshol en de Makkumer- en Workumerwaard bijna 90%. Deze rietteelt is niet voldoende om aan de Nederlandse vraag naar riet te voldoen; ongeveer 75% van het riet dat in Nederland gebruikt wordt, wordt goedkoop geïmporteerd uit landen als Roemenië en Turkije. Het meeste riet wordt in natuurgebieden gesneden, waarbij de rietoogst voorkomt dat het rietmoeras verruigt of verbost. Het mag niet op te extreem voedselrijke plaatsen groeien, omdat de dikke stengels dan te snel wegrotten op het dak vanwege de hoge voedingswaarde voor micro-organismen.
Er zijn ook percelen die speciaal voor de rietteelt bestemd zijn. Dit zijn omkade gebieden waar de waterstand in de zomer kunstmatig hoog wordt gehouden door water met molentjes op te stuwen. In de winter worden ze drooggelegd om het oogsten te vergemakkelijken. De rietmoerassen waar riet gesneden wordt worden niet bemest maar soms worden er wel bestrijdingsmiddelen (zoals Round-up) gebruikt om verruiging met Haagwinde tegen te gaan. De rietsnijders verzorgen het grootste deel van het maaien van riet in natuurgebieden. Een klein gedeelte van het rietland wordt door de natuurbeschermingsorganisaties zelf gemaaid voor botanische doeleinden.

Biezenteelt
Biezenteelt is eeuwenlang een belangrijke bedrijfstak geweest. Biezen werden geteeld om stoelen mee te matten en om vloerbekleding mee te maken (vandaar de naam ‘Mattenbies’). De belangrijkste biezenteeltgebieden waren De Biesbosch vóór de afsluiting van het Haringvliet, en de streek rondom Genemuiden in de kop van Overijssel. In de Biesbosch speelde de biezenteelt een belangrijke rol bij landaanwinning. Biezen werden op grote schaal aangeplant, waardoor het terrein kon opslibben en vervolgens kon worden ingepolderd. Na de Tweede Wereldoorlog nam de vraag naar biezen af na de introductie van de kokosmatten en vervolgens door de opkomst van het synthetische tapijt. De biezenteelt is momenteel economisch niet meer rendabel. Er zijn in Nederland nog twee biezentelers actief. De biezenteelt betreft helofytenfilters waarin de biezen het effluent van waterzuiveringen moeten nazuiveren.

Moerasvogels
Rietteelt, waarbij het riet jaarlijks gemaaid wordt, en moerasvogels, die afhankelijk zijn van helofytenvegetaties waaronder riet, gaan niet zo goed samen. Aan de andere kant zijn moerasvogels wel afhankelijk van het maaien van riet om het riet niet te veel te laten verruigen en verbossen. Deze anomalie betekent een lastige beheeropgave.
Veel internationaal en nationaal zeldzame moerasvogels zijn mede afhankelijk van Nederlandse moerassen. De Blauwborst, Purperreiger, Roerdomp, Rietzanger, Woudaapje, Porseleinhoen, Snor, Grote Karekiet en Bruine Kiekendief zijn vogelrichtlijnsoorten (Natura2000-soorten) die grotendeels afhankelijk zijn van moerasgebieden met een belangrijk aandeel helofytenvegetatie. Onder de Europese Vogel- en habitatrichtlijn genieten zij internationale bescherming en dat heeft zich vertaald in het aanwijzen van veel Natura2000 gebieden waar voor deze soorten een instandhoudingdoel dient te worden nagestreefd. Daarnaast zijn ook het Baardmannetje, de Grote Zilverreiger en algemenere vogelsoorten zoals Kleine Karekiet en Rietgors, afhankelijk van door riet gedomineerde vegetaties.
Verschillende moerasvogels verschillen echter nogal in habitateisen. Overjarig riet (riet dat niet jaarlijks gemaaid wordt) is belangrijk voor de meeste van deze vogels.
De meest kritische soorten zijn gebonden aan overjarige waterrietvegetaties, d.w.z rietvegetaties die in winter en tot laat in het voorjaar water boven het maaiveld hebben staan. Zo zijn er soorten die hun nest bouwen op een kniklaag van oude stengels net boven het wateroppervlak (Roerdomp, Purperreiger, Bruine Kiekendief, Snor en Baardmannetje) en zijn er soorten, zoals de Grote Karekiet, die stevige, hoge overjarige rietstengels nodig hebben voor de bevestiging van hun nest. Als er een onderlaag van zegges tussen het riet aanwezig is dan kan deze ook worden gebruikt. Ook voor het vinden van voldoende voedsel zijn grote oppervlaktes waterriet voor deze soorten van groot belang. Veel vogelsoorten leven echter niet bij overjarig rietland alleen:

Hoewel overjarig riet in het algemeen de belangrijkste biotoop vormt voor moerasvogels, hebben veel moerasvogels dus ook belang bij de aanwezigheid van alle successiestadia van jong of gemaaid waterriet naar rietruigte en moerasbos. Het is daarom voor rietbewoners belangrijk dat er periodiek gemaaid wordt om successie tegen te gaan en een mozaïek aan successiestadia te realiseren, van jong of gemaaid waterriet tot rietruigte en moerasbos. De kritische factor is echter het realiseren van voldoende stukken overjarig riet en rietruigte. Daarvoor is cyclisch maaibeheer nodig: een perceel wordt 2 jaren gemaaid en drie jaren met rust gelaten in mozaïek met percelen die in een andere fase van deze cyclus zitten. Er wordt inmiddels in veel gebieden geëxperimenteerd met gefaseerd maaibeheer van riet. In het algemeen blijkt dat er voor veel soorten een recht evenredig verband bestaat tussen de hoeveelheid overjarige rietland en de aantallen (zie figuur). Het is daarbij belangrijk dat bij maaien de randzones van het riet blijven staan omdat veel van de vogels hier nestelen en foerageren.

rietsnor grafiek
Relatie tussen het oppervlak aan overjarig riet en het aantal paren van de Snor
in de noordelijke randmeren (van der Hut et al. 2008).

Cyclisch maaibeheer levert positieve resultaten op. Een nadeel is echter dat bij dit beheer het riet nergens echt oud wordt, terwijl sommige moerasvogels ook baat hebben bij rietlanden van een jaar of 10 oud. Dit pleit er dus voor om ook overjarige rietlanden in stand te houden.

Noordse woelmuis
De Noordse Woelmuis is een zeer zeldzame woelmuis die in natte gebieden voorkomt. De ondersoort die in Nederland voorkomt is endemisch en is een Habitatrichtlijnsoort. De Noordse woelmuis komt voor in Friesland, op Texel, in de Zaanstreek, het veenweidegebied in Noord-Holland-Utrecht en het Deltagebied. Waarschijnlijk is het Nederlandse voorkomen van de Noordse woelmuis een ijstijdrelict. Aaneengesloten, grote populaties komen voor van Scandinavië tot Siberië en Alaska. Daarbuiten heeft de soort zich geïsoleerd kunnen handhaven in een aantal gebieden, zoals Nederland. Door deze isolatie zijn ondersoorten ontstaan. In Nederland is de Noordse woelmuis afhankelijk van de geïsoleerde ligging van zijn leefgebieden, omdat hij concurrentie met andere woelmuissoorten slecht aankan. In tegenstelling tot de andere woelmuissoorten is de Noordse woelmuis een goede zwemmer. Hierdoor weet hij te overleven in natte rietvegetaties en rietruigtes en koloniseert hij snel eilandjes. De Noordse woelmuis eet o.a. riet, biezen en zegges. Waarschijnlijk heeft het wegvallen van natuurlijke waterpeilfluctuaties (laag in de zomer en hoog in de winter) een negatief effect gehad op populaties van de soort vanwege de toegenomen concurrentie met de Veld- en de Aardmuis.

Vis en macrofauna
Helofytenmoerassen spelen een belangrijke rol als habitat voor vis en macrofauna. Omdat ondergedoken waterplanten in de herfst afsterven, overwinteren vissen graag tussen de helofyten. Helofyten vormen ook een belangrijke paaiplaats. In figuur 1 staat het verband weergegeven tussen het areaal waterriet en de hoeveelheid snoek. Er blijkt een hoge correlatie te zijn tussen deze twee factoren, omdat snoeken in de winter het riet nodig hebben om te overleven. Roofvissen als Snoek spelen een belangrijke rol bij de regulatie van algenbloei in eutrofe meren. Zij eten prooivissen (o.a. Brasem en Karper), die zelf onder andere watervlooien eten. Als er minder watervlooien gegeten worden, zijn er meer watervlooien beschikbaar om algen op te eten en op die manier algenbloei tegen te gaan.

waterrietsnoek grafiek
Relatie russen de procentuele areaalbedekking van een water met helofyten
(uitgedrukt als waterriet) en de biomassa snoek in kg/ha. Naar Grimm (1994).

Rietzones dragen bij aan de diversiteit van de macrofauna van wateren. Niet alle soorten die in open water voorkomen, komen ook in rietland voor en andersom. Rietvegetaties herbergen relatief veel slakkensoorten, die gebruik maken van het grote graasoppervlak op de rietstengels (waar algen op groeien). Ook maken diverse kevers, sommige alleen als larven, gebruik van helofytenvegetaties.

Zuiverende werking
Helofytenzones staan erom bekend dat ze een bijdrage leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ze worden ook speciaal voor effluentreiniging aangelegd. Verschillende processen in de moeraszone spelen hierbij een rol.

Toepassing van zuiverende rietzones
Vroeger, voor het grootschalige ingrijpen van de mens in de hydrologie, waren de zones die een deel van het jaar onder water stonden en een deel van het jaar droogvielen veel groter. Door gereguleerd peilbeheer en de aanleg van harde en steile oevers zijn deze zones veel kleiner geworden en daarmee ook de positieve invloed die zij op de waterkwaliteit uitoefenen. Momenteel is er, onder andere door de Kaderrichtlijn Water, veel aandacht voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers om de ecologische kwaliteit van het water en de oever te verbeteren. Een van de voordelen van zo’n oever (in de Kaderrichtlijn Water gedefinieerd als de zone tussen gemiddeld hoog water en gemiddeld laag water) is dat deze kan helpen om de waterkwaliteit te verbeteren. Uit modelberekeningen blijkt dat ongeveer de helft van het wateroppervlak uit oever- of moeraszone zou moeten bestaan om de waterkwaliteit van de Nederlandse wateren substantieel te verbeteren. Deze oevers dienen echter niet aangelegd te worden met eutroof baggerslib – daarop gedijen de aangeplante helofyten slecht. Naar de effectiviteit van natuurvriendelijke oevers wordt binnenkort onderzoek gestart.
Van de zuiverende werking van helofytenzones wordt gebruik gemaakt bij de aanleg van helofytenfilters. Helofytenfilters zijn aangelegde moerassen waarin huishoudelijk, agrarisch of industrieel afvalwater gezuiverd wordt alvorens het op het oppervlaktewater wordt geloosd. Helofytenfilters worden vooral gebruikt in afgelegen gebieden die niet op riolering zijn aangesloten en in ecologische woonwijken. Ze vervangen de afvalverwerkingstap via een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Naast denitrificatie zorgen helofytenfilters ook voor de afbraak van geloosde organische verbindingen. Vaak worden twee helofytenfilters aan elkaar gekoppeld:

De helofyten op het helofytenfilter moeten regelmatig gemaaid worden en het sediment moet af en toe vervangen worden omdat het met fosfaat verzadigd raakt. Helofytenfilters op voormalige landbouwgrond werken alleen maar als de fosfaatrijke toplaag verwijderd is, anders zijn het fosfaatleveranciers! De diepte van de af te voeren laag moet vooraf goed vastgesteld worden.

KENSCHETS

Inleiding
Moerassen met pioniersoorten of helofyten vormen een stadium in een successie die vaak eindigt bij moerasbos of hoogveen. Door opslibbing, ophoping van organische stof of kraggevorming zal in de loop van de tijd verlanding optreden. Hoelang het moeras stand kan houden zonder aanvullend beheer, is onder andere afhankelijk van de waterstandfluctuaties en de waterkwaliteit.
Moerassen komen overal voor op de overgangen tussen water en land. De grootste moerasgebieden zijn te vinden in laag Nederland. Het zwaartepunt van pioniermoerassen ligt in het rivierengebied, waar door overstroming, erosie en sedimentatie de bodem wordt opengehouden, en in nieuw land zoals de Flevopolder. Voor helofytenmoerassen is vooral het laagveengebied van groot belang. Ook het (voormalig) zoetwatergetijdengebied en brakwatergetijdengebied herbergen een groot deel van de Nederlandse helofytenmoerassen. Daarnaast komen helofytenmoerassen voor in kwelgebieden, langs beken en in mesotrofe vennen. Door deze verscheidenheid aan overgangen tussen water en land grenzen pionier- en helofytenmoerassen

Ecologie
Moerassen met helofyten komen voor op de overgangen van land naar open water, dat meso- tot eutroof en zoet tot brak kan zijn. Kenmerkend aan deze vegetaties is dat het water een deel van het jaar boven maaiveld staat. De meeste soorten kunnen alleen kiemen als er geen water op het maaiveld staat. Hierdoor zijn de meeste pionier- en helofytenmoerassen ook afhankelijk van droogval. Bekende uitzonderingen die wel ruim onder water kiemen, zijn Mattenbies en Kleine lisdodde. Hierdoor staan zij vaak lager op de oever dan Riet. Als er geen droogval plaatsvindt, vermeerdert Riet zich alleen klonaal met behulp van zijn wortelstokken (rhizomen). Riet kan erg lange rhizomen maken, waardoor de afstand tussen de oorspronkelijke rietplant en de kloon meer dan tien meter kan zijn. Als Riet zich eenmaal heeft gevestigd, kan de soort lang standhouden, ook als het dan ver onder of ver boven de waterspiegel komt te staan. Waterpeilfluctuaties zijn ook van belang voor het tegengaan van ophoping van organisch materiaal. Dit materiaal wordt bij genoeg waterpeilfluctuatie deels uit de rietzone verwijderd. Ook zorgt de tijdelijke droogval door lagere waterpeilen voor een afbraak van de overgebleven organische stof, omdat er dan genoeg zuurstof in de bodem door kan dringen.
Helofyten spelen een belangrijke rol in de vorming van kragges in laagvenen. Hun wortelstokken gevuld met lucht leveren een bijdrage aan het drijfvermogen van de kragges. De wortelstokken van Kleine lisdodde en Riet spelen vooral een rol in het drijfvermogen van jonge kragges. In oudere kragges is veel dood organisch materiaal aanwezig, waaruit bij anaërobe afbraak methaan (moerasgas) ontstaat, dat dan voor het drijfvermogen zorgt. In deze kragges is de invloed van gebufferd oppervlaktewater eerst nog groot, maar zal de regenwaterinvloed steeds meer toenemen naarmate de kragge dikker wordt of verder van het oppervlaktewater geïsoleerd raakt, waardoor er Veenmosrietland, Moerasheide en uiteindelijk Hoogveen kan ontstaan. De kragges vormen een geschikt kiemingsmilieu voor soorten die niet onder water kunnen kiemen.
Ook op minerale bodem dragen helofyten sterk bij aan de verlanding. Doordat zij slib invangen en organisch materiaal produceren, kunnen helofytenmoerassen steeds hoger komen te liggen. Op deze wijze kan bodemdaling dus teniet gedaan worden. Hierdoor kunnen zich steeds meer andere planten tussen de helofyten vestigen, totdat er zonder beheer uiteindelijk Elzen en Wilgen of andere bomen op zullen slaan en er zich een moerasbos zal vormen. Hoe snel dit proces zal verlopen, is afhankelijk van een aantal factoren.

Het uitblijven van natuurlijke peilfluctuaties of windwerking zal de successie naar Rietruigte en Moerasbos versnellen.
De overgang tussen water en land vormt een belangrijke zone in de kringloop van nutriënten. Sedimentatie in deze zone zorgt voor de vastlegging van fosfaat en de wisselende aerobe en anaerobe condities zijn belangrijk voor de afbraak van organisch stikstof naar stikstofgas. Door de hoge productiviteit van met name Riet, kunnen ook veel nutriënten in biomassa worden vastgelegd, en vervolgens tijdens het maaien worden afgevoerd. De rol van helofytenmoerassen in de zuivering van het oppervlaktewater, wordt in detail besproken onder Zuiverende werking.

Het begin van de successie: pioniervegetaties
De successie op voedselrijke, natte bodems begint met gemeenschappen uit de Tandzaadklasse (29; Bidentetea tripartitae). De soorten uit deze klasse zijn voornamelijk eenjarige soorten. Zij kiemen snel op drooggevallen, open bodems waar nog geen helofyten op voorkomen en op plekken waar veel vogels zitten (tred en uitwerpselen). Kenmerkend voor deze klasse zijn Blaartrekkende boterbloem, Waterpeper, Gele waterkers en Zwart tandzaad. De gemeenschappen van de Tandzaadklasse komen veel voor in twee soorten situaties:

De bodem kan een groot deel van het jaar zuurstofloos zijn; daar zijn zowel de planten als de zaden tegen bestand. De gemeenschappen zijn vaak rijk aan bloemen en de zaden trekken zangvogels aan. De zaadverspreiding verloopt voor een belangrijk deel via vogels: zij blijven aan het verenkleed of de poten van vogels zitten of overleven de gang door het maag-darmkanaal. De associaties van de Tandzaadklasse vormen het habitattype Slikkige rivieroevers (Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodion rubri en Bidention), als zij op rivieroevers staan. Uit internationaal perspectief is het voorkomen van grote oppervlakten met moerasandijvie op net ingepolderd land (Associatie van Goudzuring en moerasandijvie, 29Aa2) interessant. Dit fenomeen werd al beschreven bij de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder (1852) en trad ook recentelijk weer op in de Oostvaardersplassen na de aanleg van de Flevopolder. De genetische diversiteit van de Europese populatie van Moerasandijvie is waarschijnlijk grotendeels afhankelijk van de Nederlandse Moerasandijviepopulatie, waarvan de zaden zich met de wind over grote afstanden kunnen verspreiden.
In minder eutrofe milieus begint de successie van onbegroeide bodems met de ontwikkeling van helofytenmoeras of met planten van Waterplantenrijk water, Zwakgebufferd ven of Kranswierwater en/of Trilveen. Helofytenvegetaties worden gedomineerd door grote, hoogopgaande gras- en biesachtigen (helofyten), zoals riet, biezen, grote zegges en lisdoddes. Helofytenmoerassen variëren van monotone gemeenschappen die slechts door één of enkele soorten gedomineerd worden, tot tamelijk bloemrijke gemeenschappen.

Na enkele jaren: associaties van de Rietklasse
Na enkele jaren vestigen zich soorten van de Rietklasse (8; Phragmitetea) in het moeras. De Rietklasse omvat onder andere riet- en biezen- en grote zeggelanden en galigaanmoerassen. Kenmerkend voor deze plantengemeenschappen zijn helofyten. Veel helofyten hebben luchttransportkanalen (aërenchym) in hun stengels en hun wortels waarmee ze zuurstof van boven water naar hun wortels kunnen transporteren. In de wortels wordt zuurstof naar de omgeving gelekt (‘radiaal zuurstof verlies’). Hierdoor is de omgeving rond de wortels zuurstofrijk, terwijl de rest van het sediment zuurstofloos is. Giftige stoffen zoals sulfide, gereduceerd ijzer, ammonium en organische afvalproducten van bacteriën worden daardoor geoxideerd en voor de plant onschadelijk gemaakt.
Rietlanden (Rietassociatie 8Bb4; Typho-Phragmitetum) komen voor in gebufferd, meso- tot eutroof water dat zoet tot licht brak kan zijn. In voedselrijk water kan de biomassaproductie van rietlanden bijzonder hoog zijn, tot wel 20 ton per hectare per jaar in het zoetwatergetijdengebied, wat meer is dan wat een akker met snijmais opbrengt. Rietlanden kunnen bloemrijk zijn. In goed ontwikkelde rietlanden komen bijvoorbeeld Kattestaart, Watermunt, Koninginnekruid, Moeraswalstro, Gele lis, Grote boterbloem en Dotterbloem voor. In rietlanden in het zoetwatergetijdengebied groeit de Spindotterbloem, een ondersoort van de Dotterbloem die zich in het zoetwatergetijdengebied goed vegetatief kan voortplanten door de spinachtige wortelgroepen die hij maakt.
Gemeenschappen die door biezen zoals Mattenbies gedomineerd worden, zijn doorgaans minder soortenrijk. Biezengemeenschappen komen meestal lager op de oever voor dan Rietlanden. Mattenbies kan goed tegen golfslag en wordt daarom ook gebruikt om nieuwe oevers aan te leggen. Onder invloed van opslibbing verdwijnen biezenbegroeiingen na een aantal jaren en kan riet de plek koloniseren. Heen (Zeebies) is een soort die goed tegen brak water kan. De Associatie van Heen en Grote waterweegbree (8Bb3; Alismato-Scirpetum maritimi) en de Associatie van Ruwe bies (Scirpetum tabernaemontani; 8Bb2), waarin Heen ook dominant kan zijn, komen zowel voor in zoet, ionenrijk en hard water als in echt brak water. In brakke wateren kunnen heenvegetaties ook hoger op de oever staan, omdat ze onder brakke omstandigheden een betere concurrent zijn dan Riet. Heen kan met zijn wortelknolletjes goed tegen schoning en kan snel kale oevers koloniseren. De zeldzame Driekantige bies (Scirpus triqueter) komt nog voor in het zoetwatergetijdengebied, maar is door de afsluiting van het Haringvliet en het daardoor nagenoeg wegvallen van de getijdeslag sterk bedreigd. Vegetaties met Driekantige bies worden tot de Associatie van Heen en Ruwe bies gerekend. Grote zeggenmoerassen (Verbond van Scherpe zegge, Caricion gracilis; 8Bc) komen van nature vooral voor op de oevers van beken en rivieren. ’s Winters staat het water boven maaiveld, ’s zomers vallen ze droog, hoewel de waterstand niet erg ver wegzakt. Moerassen met Oeverzegge, Scherpe zegge of Pluimzegge komen voor op voedselrijke en basenrijke standplaatsen, terwijl vegetatie met Blaaszegge op mesotrofere plekken staat die door regenwaterinvloed wat minder basenrijk zijn.

Galigaanmoeras
Galigaanmoerassen (Galigaanassociatie, Cladietum marisci; 8Bd1) zijn erg zeldzame helofytenmoerassen. Galigaan is een hoge biesachtige met zeer scherp getande bladeren. De plant komt voor in laagveengebied, in de duinen en in het Pleistoceen district en kan onder kalkrijke omstandigheden gaan domineren. In het laagveenlandschap staat Galigaan op kraagjes en is hij een van de soorten die voor verlanding kan zorgen. Op zandgrond in het binnenland komen Galigaanmoerassen voor onder invloed van kalkrijke kwel. Vanwege de Europese zeldzaamheid van Galigaanmoerassen worden ze beschermd volgens de Habitatrichtlijn. Zij zijn beschreven als het habitattype H7210 Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae (verkorte naam: Galigaanmoerassen). Jonge Galigaanmoerassen kunnen soortenrijk zijn en zeldzame soorten van het Caricion davallianae herbergen (zie: Kalkmoeras). In oudere Galigaanvegetaties hoopt strooisel zich op, waadoor andere planten geen kans meer krijgen en de vegetatie erg soortenarm is, tenzij de vegetatie eens in de 3-5 jaar wordt geoogst in de zomer, zoals in Norfolk. Daar wordt de nokafdekking van rieten daken traditioneel van galigaan gemaakt. Ook op Öland, in Zweden werd Galigaan traditioneel voor dakdekking gebruikt. Galigaan is een plant die zich moeizaam op nieuwe plekken vestigt. Daar staat tegenover dat Galigaanmoerassen lang stand kunnen houden, ook als de milieuomstandigheden verslechteren.

Galigraanmoeras
Galigaanmoeras. Foto: Roos Loeb.

Oudere vegetaties
In een aantal jaar kunnen uit vrij monotone jonge rietvegetaties door maaien bloemrijke rietlanden ontstaan die behoren tot de Associatie van Echte koekoeksbloem en Gevleugeld hertshooi (Lychnido-Hypericetum tetrapteri; 16Ab3). Deze associatie komt vooral in het Laagveenlandschap op kraggen met Riet, Ruwe bies of Kleine lisdodde. Deze vegetaties zijn open en hebben een hoge bedekking met Slaapmossen. Echte koekoeksbloem, Grote ratelaar, Moerasrolklaver en orchideeën als Rietorchis en Harlekijn. De vorm met Ruwe bies ontstaat in brakwatervenen. Hier kan ook het zeldzame varentje Addertong in voorkomen. De associatie wordt wel opgesplitst in een typische vorm (Koekoeksbloemrietland) en een vorm met Harlekijn (Koekoeksbloemhooiland).
Bij veroudering van rietlanden die niet gemaaid worden, ontstaan rietruigtes (Klasse der natte strooiselruigten Convulvulo-Filipenduletum; 32). Door jarenlange ophoping van organisch materiaal en slib zijn zij droger dan het gewone rietland. Tussen het riet groeien ruigtekruiden. Opvallend in natte strooiselruigten zijn de slingerende en klimmende planten zoals Haagwinde, Bitterzoet en Kleefkruid. Goed ontwikkelde natte strooiselruigten zijn bloemrijk en trekken veel insecten, zoogdieren en vogels aan. Natte strooiselruigten vallen onder het habitattype ‘Ruigten en zomen’ als zij minstens één soort uit een groep van niet-algemene soorten herbergen, óf als Moerasspirea of Moerasmelkdistel aanwezig zijn. Deze niet-algemene soorten zijn bijvoorbeeld

Nationaal en Europees beleid
In 2015 moeten de Nederlandse wateren voldoen aan de eisen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Oevervegetaties spelen een belangrijke rol in de Nederlandse uitwerking van KRW. De oever is in de KRW voor de meren gedefinieerd als de zone tussen gemiddeld hoog en gemiddeld laag water, dus precies de zone waar helofytenmoerassen doorgaans voorkomen. Er is steeds meer aandacht voor het weghalen van beschoeiingen en het laten ontstaan van oevers met helofytenbegroeiingen onder meer door de KRW:

Helofytenmoerassen vormen geen eigen type binnen de uitwerking van de KRW, maar komen als lintvormige begroeiingen op de oevers voor in alle onderscheiden watertypen.
In de Europese Vogel- en habitatrichtlijn worden in Europees perspectief zeldzame soorten en zeldzame vegetatietypen beschermd. Veel Moerasvogels zijn aangewezen als vogelrichtlijnsoorten – soorten waarvoor de aanwezigheid en een goed beheer van helofytenmoerassen in Nederland van heel groot belang is. Ook de eerdergenoemde Noordse woelmuis is een habitatrichtlijnsoort die afhankelijk is van riet- en zeggenmoerassen. De meeste typen helofytenmoerassen zijn niet zeldzaam en zijn daarom niet als een habitattype beschermd. Een uitzondering hierop is Galigaanmoeras.
Pioniermoerassen worden, zolang ze langs rivieren voorkomen, tot het habitattype Slikkige rivieroevers gerekend. Dit type is niet erg zeldzaam in Nederland, maar heeft in Europa wel een beperkte verspreiding. Met het wegvallen van het getij in het Haringvliet na de aanleg van de Haringvlietsluizen, is er een aanzienlijk deel van de Nederlandse habitat verloren gegaan. Aan de andere kant is er met de aanleg van natuurontwikkelingsgebieden in het kader van Ruimte voor de Rivier weer een groot areaal voor pioniermoerassen bijgekomen. Het toekomstperspectief voor dit habitattype wordt daarom als 'gunstig' omschreven.
Natte strooiselruigten vallen onder het habitattype Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones (Ruigten en zomen). Afhankelijk van het vegetatietype worden zij gerekend tot het subtype a (Ruigten en zomen met Moerasspirea) of b (Ruigten en zomen met Harig wilgenroosje). Zij zijn algemeen en hun toekomstperspectief wordt als gunstig (subtype a) of matig ongunstig (subtype b) beoordeeld. Deze laatste beoordeling is licht negatief vanwege de optredende verzoeting in voormalige brakwatergebieden.
In de indeling naar Natuurdoeltypen worden Moeras (3.24) en Natte strooiselruigte (3.25) als aparte doeltypen onderscheiden. Binnen het Moeras worden 5 subtypen onderscheiden:

Pioniermoerassen worden alleen beschreven als rivierbegeleidende moerassen onder Dynamisch rivierbegeleidend water subtype b: sterk geïnundeerd rivierbegeleidend water. In de Index Natuur- en Landschap, die de indeling in natuurdoeltypen gaat vervangen, wordt onderscheid gemaakt tussen Moeras en Gemaaid Rietland. Onder Moeras vallen vegetaties met Riet (mits niet jaarlijks gemaaid) en Rietgras, Grote zeggen, Biezen en Galigaan. Net als in het Handboek Natuurdoeltypen worden pioniermoerassen alleen onder het beheertype Rivier besproken.

Met bijdrage van:
Tekstbijdragen: Roos Loeb en Leon Lamers

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website