Pad: Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Afgesloten zeearm (N04.04) / Afgesloten zeearm

Afgesloten zeearm

Inhoud van deze pagina: 
 

BETEKENIS 
Grote invloed van de mens
Nieuwe natuur

KENSCHETS
Afname van dynamiek
De ene zeearm is de andere niet
Successie
Natuurdoeltypen cf Handboek natuurdoeltypen
Habitattypen of Natura 2000
Plantengemeenschappen
Karakteristieke soorten
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Grote invloed van de mens
Al duizenden jaren monden Rijn, Maas en Schelde via het Deltagebied uit in de Noordzee. De zee en de rivieren hadden hier een krachtige invloed op processen als sedimentatie, erosie, verzilting en verzoeting. De mens heeft eeuwenlang geprobeerd de natuurlijke dynamiek terug te dringen. Dijkaanleg, landaanwinning en tenslotte het afsluiten van diverse zeearmen met de Deltawerken hebben de gebieden in de loop der eeuwen danig veranderd. De vroegere zeearmen zijn veranderd in zoete, brakke of zoute binnenmeren. In het landschap zijn nog sporen zichtbaar van de strijd tegen het water, zoals zomerkaden en vroegere inlaagdijken. Hier en daar liggen karrenvelden: laaggelegen terreinen die vroeger afgegraven zijn om de aangrenzende dijk te versterken.
De Deltawerken hebben de veiligheid van Nederland aanzienlijk vergroot. Ze hebben er echter ook in geresulteerd dat de dynamische werking van eb en vloed geheel verdwenen of sterk verminderd is. Veel zeeweringen zijn hermetisch gesloten, waardoor zout-zoet overgangen zijn verdwenen. Door afdamming en verzoeting zijn oorspronkelijke natuurwaarden verloren gegaan. In sommige meren zijn de veranderingen echter niet onherroepelijk; bij opnieuw invoeren van het volledige getij herstelt na verloop van tijd alles zich weer. In de huidige afgesloten zeearmen zijn nieuwe natuurwaarden in de plaats gekomen van de oude. Er zijn door de mens gereguleerde systemen ontstaan met een ecologische instabiliteit. De meren zijn nog volop in ontwikkeling, en het is dus de vraag of deze instabiliteit onderdeel is van de ontwikkelingen of de nieuwe situatie. Door de grote variatie aan milieutypen is een gebied ontstaan waarin een grote diversiteit aan dier- en plantensoorten voorkomt. Alle afgesloten zeearmen in de Zeeuwse Delta zijn als Natura 2000-gebied aangewezen.

Nieuwe natuur
De deltawateren hebben sterk ingeboet aan natuurwaarde. Er zijn echter andere natuurwaarden voor in de plaats gekomen die niet per definitie minder uniek zijn. Over de potentiële biodiversiteit is nog veel onbekend, omdat het natuurtype alleen nog voorkomt in een jong ontwikkelingsstadium. In het water traden belangwekkende ontwikkelingen op. Zo kwamen er kort na de afsluiting in het Grevelingenmeer enorme velden met Groot zeegras (Zostera marina) voor, die echter ook weer geheel zijn verdwenen. Zeegras biedt schuilmogelijkheden voor vissen, voedsel aan o.a. ganzen en een leefplaats voor geleedpotigen. Tot op de dag van vandaag is het Grevelingenmeer van internationaal belang voor viseters als de Middelste Zaagbek (Mergus serrator) en de Fuut (Podiceps cristatus). De vestiging van zeldzame planten van kalkrijke natte duinvalleien op drooggevallen zandplaten in de Grevelingen is een sprekend voorbeeld van andere natuurwaarden na afdammingswerken. Internationaal gezien is de Groenknolorchis (Liparis loeselii) hiervan het meest bijzonder. Van kustbroedvogels zoals plevieren en sterns bevinden zich in de Delta populaties van nationaal en internationaal belang. Het schone water, de schorren en de intergetijdegebieden in de Oosterschelde vormen het leefmilieu van een rijke flora en fauna, er is een grote diversiteit aan milieutypen en -soorten. Het is een belangrijke bestemming voor trekvogels, met name steltlopers, ganzen en eenden. Voor de sterk bedreigde Noordse Woelmuis (Microtus oeconomus) vormen de eilanden en oevers in de afgesloten zeearmen een belangrijk leefgebied binnen Nederland.
Grevelingen afgesloten zeearm
De Grevelingen (zout water) vanaf de Brouwersdam. Foto Jan-Willem Vergeer

KENSCHETS

Afname van dynamiek 
Met de uitvoering van de Deltawerken is de situatie in het deltagebied radicaal veranderd. Het belangrijkste in het beheer is nu het reguleren van het waterpeil. De getijdenwerking verdwijnt in een aantal bekkens, zout water verandert in brak of zoet. De hogere delen van het intergetijdegebied die dagelijks onder water liepen, komen nu permanent droog te staan. Een groot deel van de lagere delen die vroeger bij eb droogvielen, staan nu permanent onder water. 
Ondiepe geulen op de slikken slibben dicht en de kreken in de schorren zakken aan de randen. De diepe stroomgeulen blijven intact aangezien deze te groot zijn om opgevuld te worden. Geologisch gezien is de Delta een jong gebied, met bodems die pas in de laatste paar duizend jaar zijn gevormd. In de meren zijn de stroomgeulen van de voormalige getijdensystemen nog steeds aanwezig: ze vormen de diepste delen. In sommige gebieden is sprake van ophoping van fijn slib en organisch materiaal. Dit leidt tot een kleine ophoging van de bodem maar de vorm blijft in stand. Door de afsluiting is de dynamische werking van eb en vloed geheel verdwenen of sterk gedempt. In sommige bekkens is de kenmerkende opbouw van schorren en slikken sinds de afsluiting minder goed herkenbaar. Scherpe overgangen zoals de randen van geulen en kreken zijn in veel gebieden verflauwd.

De ene zeearm is de andere niet
Door de compartimentering zijn verschillende deelgebieden ontstaan met elk een eigen beheer. Voor alle afgesloten zeearmen geldt dat er nog veel van de kenmerken van het voormalige intergetijdegebied bewaard zijn gebleven: diepe centrale geul met steile taluds en aansluitende ondiepten met minder steil talud en drooggevallen platen. De meeste bekkens hebben de getijdenwerking (nagenoeg) verloren en zijn verzoet (Haringvliet, Volkerak/Zoommeer), brak of zout geworden (Veerse Meer en Grevelingenmeer); maar in de zoute Oosterschelde is het getij nog grotendeels aanwezig.
  • Het Haringvliet is een zoetwaterbekken geworden met nog een gering getijverschil. Het wordt gekenmerkt door grote oppervlakten water met op veel plaatsen buitendijkse gorzen (kwelders) en riet- en ruigtegordels. 
  • Karakteristiek voor het Volkerak/Zoommeer – een groot zoet water – is de variatie in hoogteligging. Deze variatie zorgt, samen met de buitendijkse gronden, de aangelegde eilandjes en de zones met rustig water achter de vooroeververdedigingen, voor een divers systeem.
  • Het Veerse meer was een apart watersysteem dat aantakte op het Oosterschelde estuarium, het Sloe en het systeem Schenge. Na de aanleg van de Veerse Dam in 1961 verdwenen eb en vloed uit het Veerse Meer. Sindsdien was het Veerse Meer lange tijd een brakwatermeer en is ruim 2000 ha schorgebied permanent droog komen te liggen. Medio 2004 is een doorlaat naar de Oosterschelde in gebruik genomen. Hierdoor is het meer weer zout geworden en is het zuurstofgehalte in de diepere delen verhoogd. Mariene soorten nemen langzaam weer toe. 
  • Het Grevelingenmeer is een voor Nederland uniek stilstaand zoutwatermeer dat het hele jaar door wordt ververst met water uit de Voordelta. 
  • De Oosterschelde is een zeearm die van de Noordzee kan worden afgesloten door de stormvloedkering (1986) in de pijlerdam te sluiten. Om een zo groot mogelijk getijverschil te behouden zijn in het oostelijke deel compartimenteringdammen aangelegd. Daarmee is in het centrale deel de aanwezigheid van een grootschalig getijdenlandschap met een grote mate van natuurlijkheid gewaarborgd. Het milieu heeft een zeer dynamisch karakter. De Oosterschelde lijdt aan zandhonger. Door de verlaagde stroomsnelheden overheersen de erosieve processen de opbouwende processen, waardoor de slikken en platen langzaam maar zeker eroderen en onder water verdwijnen.

Successie
Met name op de oeverlanden van de afgesloten zeearmen zijn nog steeds grote veranderingen in de levensgemeenschappen gaande. In het Volkerakmeer is de successie van de vegetatie nog volop bezig en door de traagheid van de ontzilting van de bodem in een aantal deelgebieden is de rol van zilte pioniersoorten op de platen nog steeds groot. De ontwikkelingen van de broedvogels en de trekvogels (zoals ganzen) zijn in hoge mate een afspiegeling van de vegetatiesuccessie, met een tijdelijke opkomst van pioniers als kale grondbroeders (plevieren, sterns) en gras- en zaadeters. Gebieden zonder getij en zout water blijven maar korte tijd geschikt voor kustbroedvogels: de aantallen nemen al na één of twee jaar sterk af en na tien jaar is door vegetatiesuccessie geen kale bodem meer aanwezig om te nestelen en te foerageren. Een aantal soorten ganzen en weidevogels heeft een meer permanente plek gekregen. Als gevolg van de ontzilting en het stagnante peil kon zich in de Grevelingen op delen van de voormalige schorren (De Punt en Slikken van Flakkee Noord) snel struweel en bos ontwikkelen. Ook op andere ontzilte delen ontwikkelde en ontwikkelt zich struweel als natuurlijk onderdeel van de successie. Omdat is gekozen voor een open landschap probeert men deze struweel- en bosvorming tegen te houden door zware beweiding, al dan niet gecombineerd met maaien. In het Veerse Meer is ook spontane bosontwikkeling te vinden, namelijk op het Aardbeieneiland. In feite zijn dit soort natuurlijke bossen de enige echte oerbossen in Nederland.

Natuurdoeltypen cf Handboek natuurdoeltypen
Binnen het natuurtype afgesloten zeearm is een grote verscheidenheid aan natuurdoeltypen aanwezig. Op landschapsniveau onderscheidt het systeem van natuurdoeltypen drie begeleid-natuurlijke natuurdoeltypen 
  • oeverlandschap van afgesloten zeearmen (2.13) 
  • zoete afgesloten zeearm (2.14) 
  • zoute afgesloten zeearm (2.15).
Deze natuurdoeltypen zijn samengesteld uit verschillende ecotopen die verwant zijn met 18 half-natuurlijke natuurdoeltypen. Het nog jonge Oeverlandschap is ontstaan uit voormalige kwelders en zandplaten. Na volledige of gedeeltelijke ontzilting (afhankelijk van het zoutgehalte van de aangrenzende afgesloten zeearm) ontstaat een landschap dat overeenkomsten heeft met zowel duin- als zeekleilandschappen. Het oeverlandschap bestaat met name uit gevarieerde graslanden, struwelen en bossen, met lokaal ook open water, natte ruigten en droge pionierbegroeiingen.
Langs de binnenzijde van vooroeververdedigingen komen de typen ‘Brak stilstaand water’ (3.13) of ‘Gebufferd meer’ (3.18) voor. Op beschutte plaatsen is Moeras (3.24) aanwezig en verder van het water af ook ‘Natte strooiselruigte’ (3.25). In zilte, begraasde, natte laagten kan zich het ‘Binnendijks zilt grasland’ (3.41) handhaven. Afgesloten delen van voormalige kreken blijven over als ‘Gebufferde poel en wiel’ (3.14). Buiten de directe invloedsfeer van het meer kunnen half-natuurlijke graslanden voorkomen. Op zandige bodems is dat de ‘Natte duinvallei’ (3.26), ‘Droog kalkrijk duingrasland’ (3.35) of ‘Bloemrijk grasland van het zand- en veengebied’ (3.38). De kleibodems van de hoger gelegen delen van de voormalige kwelders komen in aanmerking voor ‘Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied’ (3.39). Naarmate de successie voortschrijdt ontstaan diverse typen struwelen en bossen.
Koudekerkse InlaagDe Koudekerksche Inlaag nabij Burgh Haamstede aan de zuidkust van Schouwen. Een inlaag is een gebied aan de binnenzijde van de zeedijk waar klei is gewonnen voor een slaperdijk (‘inlaagdijk’). Het resultaat is een laaggelegen vochtig grasland dat onder invloed staat van zeewater dat onder de dijk door omhoog komt. Inlagen zijn voedselrijke gebieden die veel kustvogels huisvesten zoals verschillende steltlopers (voorjaar en zomer) en ganzen (winter). Foto: Jan-Willem Vergeer

Habitattypen cf Natura 2000
De Oosterschelde komt grotendeels overeen met het habitattype ‘Grote, ondiepe kreken en baaien’ (H1160), en is ook het enige voorbeeld van dit type in ons land. In bekkens die nog onder invloed staan van het zoute water (Oosterschelde, Grevelingen) en waar de ontzilting nog steeds gaande is (Krammer-Volkerak) komen de habitattypen ‘Zilte pionierbegroeiingen’ (H1310) en ‘Schorren en zilte graslanden’ (H1330) voor. In de Oosterschelde neemt het habitattype ‘Slijkgrasvelden’ (H1330) een aanzienlijk oppervlak in beslag, uitsluitend in een vorm met de exoot Engels slijkgras (Spartina anglica). Deze exoot heeft het inheemse Klein slijkgras (Spartina maritima) bijna geheel verdrongen. In een aantal zoete inlagen in de Oosterschelde is het habitattype ‘Overgangs- en trilvenen’ (H7140) te vinden, het zwaartepunt ligt echter in de laagveengebieden. Het Grevelingenmeer herbergt nog een relatief groot oppervlak van het kalkminnende habitattype ‘Vochtige duinvalleien’ (H2190). Ook komt hier plaatselijk een successiestadium van dit type voor: ‘Kruipwilgstruwelen’ (H2170). Rond het Haringvliet komt lokaal nog het habitattype ‘Slikkige rivieroevers’ (H3270) voor, ondanks grote afname na de afsluiting. Met name het Haringvliet en het Krammer-Volkerak vormen belangrijke gebieden voor de brakke variant van het habitattype ‘Ruigten en zomen’ (H6430).

Plantengemeenschappen
Door de grote variatie in deelgebieden binnen de afgesloten zeearmen is er ook een grote verscheidenheid aan plantengemeenschappen aanwezig. Op de oeverlanden en wateren van de verschillende bekkens zijn standplaatsen aanwezig voor meer dan 80 verschillende plantengemeenschappen. In optimaal ontwikkelde brakke en zoute stilstaande wateren is de Groot zeegras-associatie (3Aa2) beeldbepalend. In het Grevelingenmeer zijn de zeegrasvelden echter verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van het huidige hoge zoutgehalte van het water. In de Oosterschelde komt Groot zeegras nog alleen heel lokaal voor (met name in schorkreken) en komt Klein zeegras (Klein zeegras-associatie 3Aa1) nog maar beperkt voor op een aantal slikken. De vegetaties binnen de wateren van de zoete afgesloten zeearmen behoren veelal tot het Stekelharig Kransblad-verbond (4Ba) en het Waterlelie-verbond (5Ba). Binnen de moerassen zijn op de oevers langs de zoute en brakke wateren plantengemeenschappen zoals de Mattenbies-associatie (8Bb1) en de Riet-associatie (8Bb3) te vinden, maar ook zilte associaties. In de natte duinvalleien zijn het Knopbies-verbond (9Ba) en de Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia-associatie (27Aa2) kenmerkend. Beeldbepalend in de natte matig voedselrijke graslanden is de Geknikte vossestaart-associatie (12Ba1). Plantengemeenschappen die voorkomen binnen de overige soorten grasland, pioniersvegetaties, struwelen en bos blijven hier buiten beschouwing.

Karakteristieke soorten
De grote variatie aan levensgemeenschappen maakt de afgesloten zeearmen zeer soortenrijk. Zandverstuivingen op de drooggevallen platen hebben geleid tot standplaatsen van 
Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata subsp. maculata) en de internationaal bedreigde Groenknolorchis (Liparis loeselii). Op begraasde platen kunnen Rietorchis (Dactylorhiza praetermissa) en Zeegroene zegge (Carex flacca) voorkomen. Op oevers onder invloed van zout water zijn zoutminnende planten als Sierlijk vetmuur (Sagina nodosa) en zeldzame soorten als Kwelderzegge (Carex extensa) te vinden. Onder echt zoute omstandigheden komen o.a. Zeevetmuur (Sagina maritima) en kweldergrassen voor.  
  • Karakteristieke planten die op de schorren en slikken in de Oosterschelde groeien zijn Lamsoor (Limonium vulgare), Zeeaster (Aster tripolium) en Zeekraal (Salicornia spec). 
  • Het Grevelingenmeer is met name in de winter van internationaal belang voor o.a. Brandgans (Branta leucopsis), Kuifduiker (Podiceps auritus) en Lepelaar (Platalea leucorodia). Uniek in West-Europa is de aanwezigheid van duizenden Geoorde futen (Podiceps nigricollis) in het najaar. Kluut (Recurvirostra avosetta), Bontbekplevier (Charadrius hiaticula), Strandplevier (Charadrius alexandrinus) en Dwergstern (Sterna albifrons) broeden op de nog schaars begroeide stranden en schelpenbanken. 
  • De Oosterschelde is binnen de Zoute Delta het gebied met de meeste soorten die de 1%-norm overschrijden. Van o.a. Rosse Grutto (Limosa lapponica), Slobeend (Anas clypeata), Kanoet (Calidris canutus), Rotgans (Branta bernicla ssp) en Scholekster (Haematopus ostralegus) komen internationaal belangrijke aantallen voor. 
  • In het Veerse meer wordt de belangrijkste groep watervogels gevormd door de herbivoren, en dan in het bijzonder de Smient (Mareca penelope). 
  • Het Haringvliet is als doortrekgebied van groot belang voor de Rijn- en Maaspopulaties van de habitatrichtlijnsoorten Zeeprik (Petromyzon marinus), Rivierprik (Lampetra fluviatilis) en Zalm (Salmo salar). Voor Elft (Alosa alosa) en Fint (Alosa fallax) is het een belangrijk doortrek- en opgroeigebied.
  • Bovendien zijn het Grevelingen, Haringvliet en Oosterschelde belangrijke gebieden voor de sterk bedreigde Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), mede dankzij de aanwezigheid van geïsoleerde eilanden. De Oosterschelde is een belangrijk gebied voor de Gewone zeehond (Phoca vitulina).

Met bijdrage van:
Loes van den Bremer en (alleen aan Bedreigingen) Jan-Willem Vergeer

Literatuur
  • Beck J.P., G.H.P. Arts, A. Gaaff, E. Buijsman en M. Verschuren. 2008. Natuurbalans 2008. Uitgave van Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven 
  • Berrevoets, C.M., R.C.W. Strucker, F.A. Arts, S. Lilipaly & P.L. Meininger. 2005. Watervogels en zeezoogdieren in de Zoute Delta 2003/2004. Rapport RIKZ/2005.011. Middelburg 
  • Geurts van Kessel A.J.M. 2004. Verlopend tij; Oosterschelde, een veranderend natuurmonument. Rapport RIKZ/2004.028. Middelburg 
  • Geurts van Kessel, A.J.M., B.J. Kater & T.C. Prins. 2003. Veranderende draagkracht van de Oosterschelde voor kokkels. Rapport RIKZ/2003.043. Middelburg 
  • Haas, H.A. & M. Tosserams. 2001. Balanceren tussen zoet en zout; Ruimte voor veerkracht en veiligheid in de Delta. Rapport RIKZ/2001.18. Rijksinstituut voor Kust en Zee, Middelburg 
  • Jong, A. de. 1999. De toestand van de Zeeuwse natuur. Provincie Zeeland, Goes 
  • ·Swiers, R.J. 2001. Het grote blauw. Uitgave Provincie Zeeland, Zierikzee
  • Withagen, L. 2000. Delta 2000; Inventarisatie huidige situatie deltawateren. Rapport RIKZ/200.047 
  • www.deltanatuur.nl en www.delta-wateren.nl

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website