Pad: Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Brak water (N04.03) / Brakke plas

Brakke plas

BETEKENIS

 

KENSCHETS

Het begrip ‘brak’
Natuurlijke brakke plassen
Kunstmatige brakke plassen

Vegetatie: de Ruppiaklasse
Vegetatie: de Fonteinkruidklasse

Vegetatie: verandering door eutrofiëring
Brakke plassen: bijzondere ionentoestand
Ecologie

Beleid

COLOFON
LITERATUUR

BETEKENIS

Kleine brakke stilstaande plassen met een goede waterkwaliteit zijn zeldzaam in Nederland. Door de afsluiting van zoute en brakke zeearmen en de inpoldering van (voormalig) buitendijkse gronden in de 20e eeuw zijn zij sterk in areaal achteruit gegaan. In internationaal opzicht zijn brakke wateren niet zeldzaam. Zij komen overal langs kusten voor en kunnen ook binnenlands voorkomen in landen met een droog en warm klimaat.

De fauna van Brakke plassen verschilt van die van zoete en zoute wateren. De macrofaunagemeenschap is, vergeleken met zoete en zoute milieus, soortenarm. Dit staat bekend als het ‘soortenminimum van Remane’. Er komen echter specifieke brakwatersoorten voor, die in zoet en zout water niet te vinden zijn. Brakwatersoorten hebben hun optimum tussen 3000 en 5000 mg Cl/l, waar zowel echte zoete als echte zoute soorten ontbreken. Opvallend verschil met zoete wateren is het ontbreken van watervlooien (Daphnia spec.). Er komen juist wel weer veel kreeftachtigen voor. Door deze andere soortensamenstelling van de macrofaunagemeenschap en door toxiciteit van chloride, komen in brakke wateren ook andere vissoorten voor. Tot ongeveer 1000 tot 2000 mg Cl/l is de visgemeenschap vergelijkbaar met die van zoete wateren. Voor de vissoorten die in brakke wateren voorkomen is het van belang of de wateren geïsoleerd zijn, of dat de vis kan migreren. De Brakwatergrondel is kenmerkend voor geïsoleerde brakke wateren.

Brakke plassen zijn belangrijke foerageergebieden voor vogels. Vooral waadvogels, zoals Lepelaars en Kluten (Vogelrichtlijnsoorten), zoeken in ondiepe brakke plassen naar voedsel, zoals garnaaltjes. Diepere brakke wateren trekken duikende watervogels aan, zoals de Dodaars (Vogelrichtlijnsoort). Begrazing door watervogels kan voorkòmen dat brakke plassen geheel dichtgroeien en draagt daardoor bij aan de instandhouding van een pioniersituatie. Daarin is er ruimte voor Ruppia’s, Zannichellia’s en Kranswieren om te kiemen en zich te vestigen.

KENSCHETS 

Het begrip ‘brak’
Brakke plassen komen voor op zand, klei en veen. Er zijn verschillende typologieën op basis van gemiddelde waarden, mediaanwaarden en/of spreiding in zoutgehalten. Voor de grens tussen brakke en zoete wateren wordt in het algemeen 300 mg Cl/l aangehouden, tussen brakke en zoute wateren 10.000 mg Cl/l. In het brakke spectrum onderscheidt men

Afhankelijk van de (fluctuaties in) zoutconcentratie kunnen er in brakke wateren grote verschillen zijn in begroeiing. Het brakke karakter van brakke plassen kan ontstaan door

dicht bij zee kan saltspray ook een belangrijke bijdrage leveren aan het brakke karakter van plassen.

Door indamping in de zomer kan de zoutconcentratie in brakke plassen sterk toenemen. Veel neerslag leidt tot lagere zoutconcentraties. Brakke wateren begroeid met kranswieren worden gerekend tot Kranswierwater. Grote brakke wateren die ontstaan zijn door afsluiting van oude zeearmen (het Veerse meer), worden tot het natuurtype Afgesloten zeearm gerekend.

In diepere brakke wateren is sprake van stratificatie van de waterlaag: doordat zout water zwaarder is dan zoet water is de bovenste laag zoet, terwijl de onderste waterlaag brak is. Het zoutgehalte van brakke plassen zorgt ervoor dat het water in de winter minder snel dichtvriest. Organismen van brakke milieus zijn vaak niet bestand tegen vorst.

Natuurlijke brakke plassen
Brakke plassen zijn te vinden in het duin- en kustgebied en het zeekleilandschap. Zij kunnen een natuurlijke oorsprong hebben, of door de mens gegraven zijn. Allereerst de natuurlijke brakke plassen: kreekrestanten, duinplassen en wielen.

Kreekrestanten zijn oude kreken die door bedijking afgesloten zijn van de zee. Ze kunnen diep zijn, en daardoor nog steeds zoute kwel uit de zee of uit zeearmen ontvangen, waardoor het brakke karakter blijft bestaan. Oude kreekrestanten zijn vooral te vinden in Zeeland (Zeeuws-Vlaanderen), Groningen en op de Waddeneilanden. De jongste kreekrestanten zijn in Zeeland ontstaan door bombardementen van dijken tijdens de Tweede Wereldoorlog, en bij de watersnoodramp van 1953. Op de wadden zijn er nog kreken te vinden die bij hoogwater in contact staan met de zee.

Ook duinplassen kunnen brak zijn. Brakke duinplassen kunnen ontstaan tijdens de ontwikkeling van primaire duinvalleien. Deze ontstaan als een nieuwe duinenrij de zeereep van de zee afsluit. De eerste jaren na deze afsluiting is de nieuw gevormde primaire duinvallei nog brak. Onder invloed van regenwater en kwelwater uit het duinmassief verzoet de duinvallei en daarmee ook meestal de daarin gelegen brakke wateren. Brakke duinplassen zijn vaak ondiep en vallen ’s zomers droog.

In Zeeland zijn er bij dijkdoorbraken ‘welen’ (wielen) ontstaan. Deze kunnen zeer diep zijn, omdat het zeewater met grote kracht door de dijk is gestroomd. 

Kunstmatige brakke plassen
Brakke laagveenwateren zijn ontstaan bij turfwinning in Noord- en Zuid-Holland. Een deel van de verveende venen stond via de boezem in contact met de Zuiderzee, waardoor de wateren in deze laagvenen brak waren. Na afsluiting van de Zuiderzee trad er verzoeting op, waarna ze alleen nog via oude brakwaterlenzen zoute kwel ontvingen.

Door de mens gegraven brakke plassen zijn onder andere inlagen en karrevelden en drinkpoelen voor het vee. Inlagen en karrevelden zijn brakke laaggelegen gedeelten vlak achter de dijken in Zeeland en zijn ontstaan bij de winning van klei ten behoeve van de aanleg van slaperdijken (extra dijken achter de zeedijk). Drinkpoelen werden overal langs de kust aangelegd op plekken waar het gewone oppervlaktewater te zout was voor het vee om te drinken (chloorgehalte > 1000 mg/l). In deze drinkpoelen werd regenwater opgevangen. In de zomer kon ook in deze drinkpoelen de zoutconcentratie door indamping hoog oplopen, waarop de boeren de poelen dan handmatig vulden met zoet water. Omdat dit niet meer gebeurt (vanwege aangelegde waterleidingen) zijn brakke drinkpoelen nu ook in de zomer brak. In Friesland werden circa 50 drinkpoelen (ringdobben) buitendijks aangelegd. In tegenstelling tot drinkpoelen elders staan ringdobben bij spring- of stormvloed door overstroming in direct contact met zeewater. Brakke sloten, kanalen en vaarten zijn ook door de mens gegraven, maar worden hier verder niet behandeld. 

Vegetatie: de Ruppiaklasse
Afhankelijk van de zoutconcentratie komen in brakke plassen vegetaties van de Ruppiaklasse (Ruppietea; 2) of de Fonteinkruidklasse (Potametea; 5 – zie hieronder Vegetatie: de Fonteinkruidklasse) voor.

De Ruppiaklasse komt voor in wateren die in chlorideconcentratie kunnen variëren van 50 mg/l tot wel 60.000 mg/l. Ze zijn ‘poikilohalien’: ze variëren gedurende het jaar sterk in zoutconcentratie. In de winter is de zoutconcentratie laag door de grote invloed van regenwater, terwijl in de zomer de zoutconcentratie hoog op kan lopen door indamping. Slechts weinig plantensoorten zijn hiertegen bestand en deze gemeenschappen zijn daarom soortenarm. Ruppia-vegetaties zijn pioniergemeenschappen en hebben een minerale, open bodem nodig. In de Ruppiaklasse komt één orde voor (de Ruppia-orde, Zannichellio-Rupietalia; 2A), waarbinnen slechts één verbond wordt onderscheiden (het Ruppiaverbond, Ruppion maritimae; 2Aa). Binnen dit verbond worden twee associaties onderscheiden:

de Associatie van Snavelruppia (Ruppietum maritimae; 2Aa1). Deze komt voor in wielen, kleiputten, sloten en aan de rand van kanalen. Soms gaat het om wateren die maar tijdelijk bestaan. Het water moet niet te brak zijn (oligo- tot mesohalien). In de Associatie van Snavelruppia komen, behalve de naamgevende soort Snavelruppia (Ruppia maritimae), ook Spiraalruppia, Gesteelde zannichellia, Schedefonteinkruid, Grof hoornblad, Tenger fonteinkruid en Aarvederkruid voor. Ook kroossoorten als Bultkroos, Klein kroos, Puntkroos en Veelwortelig kroos kunnen nog bij deze zoutconcentraties worden aangetroffen. Bij eutrofiëring kan kroos gaan domineren en gaat de gemeenschap over tot de Associatie van Bultkroos en Wortelloos kroos (Wolffio-Lemnetum gibbae; 1Aa1).

de Associatie van Spiraalruppia (Ruppietum cirrhosae; 2Aa2). Deze Associatie komt voor in gemiddeld zoutere en doorgaans grotere wateren dan de Associatie van Snavelruppia, en is soortenarmer: naast Spiraalruppia komen hier nog Schedefonteinkruid en Gesteelde zannichellia voor. De Associatie van Spiraalruppia wordt onder andere aangetroffen in sloten, strandplassen, inlagen, poelen, muien en slufters en verdraagt getijdeninvloed en golfslag goed.

Al deze plantengemeenschappen kunnen voorkomen samen met, of in de tijd voorafgegaan worden door gemeenschappen van Kranswierwater (Kranswierklasse – vooral de orde van Brakwaterkransblad kan voorkomen in wateren waarin ook vegetaties van de Rupiaklasse zich kunnen ontwikkelen). 

Vegetatie: de Fonteinkruidklasse
De Fonteinkruidklasse (Potametea; 5) is de tweede hoofdgroep van vegetaties in brakke plassen. Binnen deze klasse valt de Orde van Gesteelde zannichellia (Zannichellietalia pedicellatae (5A), met daarin het Verbond van Zannichellion pedicellatae (5Aa)). Vegetaties van dit verbond komen voor in zwak brakke (oligohaliene) wateren, die meso- tot eutroof zijn. Binnen dit verbond worden de volgende associaties onderscheiden:

Associatie van Fijn hoornblad (Ceratophylletum submersi; 5Aa1). De Associatie van Fijn hoornblad is een gemeenschap van stilstaande plassen, die bijvoorbeeld voor het vee zijn gegraven. De chlorideconcentratie van deze poelen ligt meestal tussen de 60 en 1100 mg/l. Het water is doorgaans hard en rijk aan bicarbonaat. Samen met Fijn hoornblad komen vaak ook Schedefonteinkruid, Aarvederkruid, Gekroesd fonteinkruid en Kroossoorten voor. Deze wateren groeien bij successie vaak dicht met Riet.

Associatie van Zilte waterranonkel (Ranunculetum baudotii; 5Aa2). De Associatie van Zilte Waterranonkel komt wat ondieper voor dan de Associatie van Fijn hoornblad en kan aan de randen van dezelfde drinkpoelen voorkomen als deze associatie van Fijn hoornblad. De associatie kan tegen droogval, maar komt ook in permanent water voor. Net als de Associatie van Fijn hoornblad komt deze associatie ook in natuurlijke duinplassen voor.

De Associatie van Groot Nimfkruid (Najadetum marinae; 5Aa3). De Associatie van Groot nimfkruid komt voor in licht brakke tot nagenoeg zoete wateren met een venige, gereduceerde bodem. Deze gemeenschap was vroeger veel algemener, voordat de brakke laagveengebieden verzoet werden. Nu komt dit vegetatietype nog in het westen van het land voor in zoete laagveenwateren, die nog enige brakwaterinvloed kennen. De gemeenschap is relatief rijk aan soorten: naast groot nimfkruid, komen onder andere Groot blaasjeskruid, Schedefonteinkruid, Aarvederkruid, Grof hoornblad en kranswiersoorten (waaronder Sterkranswier) voor.

Ook deze plantengemeenschappen kunnen voorkomen samen met, of in de tijd voorafgegaan worden door gemeenschappen van Kranswierwater (Kranswierklasse).

Vegetaties: verandering door eutrofiëring
Onder invloed van eutrofiëring kunnen de associaties van zowel de Ruppiaklasse als de Fonteinkruidklasse overgaan in de Rompgemeenschap van Schedefonteinkruid en Snavelruppia (RG Potamogeton pectinatus en Zannichellia palustris subsp. pedicellata-[Zannichallietalia pedicellatae], een soortenarme gemeenschap die soms alleen uit Schedefonteinkruid bestaat. Deze rompgemeenschap verdraagt zoutconcentraties tot wel 15.000 mg Cl/l.

In kleine wateren zoals sloten kan eutrofiëring leiden tot dominantie van Kroossoorten, in grote wateren gaan algen domineren. Voorafgaand kan de associatie van Groot nimfkruid bij eutrofiëring worden vervangen door Schedefonteinkruid, Grof hoornblad of Bronmos. Zonder beheer kunnen ondiepe brakke plassen dichtgroeien met Riet. 

Brakke plassen: bijzondere ionentoestand
Hoge chlorideconcentraties zijn toxisch voor veel planten vanwege de hoge osmotische druk en, indirect, vanwege toxische effecten van hoge concentraties van andere ionen die ermee gepaard gaan. Voor groei in brakke en zoute wateren zijn daarom aanpassingen nodig, zoals het uitscheiden van zout of de aanmaak van suikers of aminozuren om de osmotische druk in de cellen te verhogen. Omdat maar weinig plantensoorten over dit soort aanpassingen beschikken, zijn brakke plassen relatief soortenarm. Vooral de poikilohaline milieus vergen een sterke aanpassing van planten, doordat deze een grote variatie aan zoutconcentraties moeten kunnen verdragen. De vegetaties van brakke plassen zijn daarnaast gevoelig voor eutrofiëring en verdroging.

In brakke wateren komen niet alleen hogere concentraties natrium en chloride voor, maar ook hogere concentraties aan sulfaat. Anaëroob wordt sulfaat gebruikt voor de oxidatie van organische stof. Hierbij ontstaat sulfide, dat naar rotte eieren stinkt en aan ijzer bindt.

Doordat fosfaat hierdoor niet aan ijzer kan binden zijn de fosfaatconcentraties in brak en zout oppervlaktewater vaak hoger dan in zoet water. Door deze hoge fosfaatconcentraties is stikstof vaak bepalender dan in zoete wateren. Algen in brak en zout water zijn vaker door stikstof gelimiteerd. Hierdoor kunnen brakke plassen bij hogere fosfaatconcentraties nog steeds helder zijn. Aanvoer van nitraat of ammonium kan tot algenbloei leiden.

Bij droogval kunnen in kalkarme sedimenten de ijzersulfiden (pyriet) oxideren waardoor verzuring kan ontstaan (bijvoorbeeld in katteklei). 

Ecologie
Windwerking en golfslag zijn van belang voor het schoonspoelen van oevers van gemeenschappen van de Ruppiaklasse. Als het water beschut ligt, kan zich sapropelium ophopen – een slikachtige afzetting van organisch materiaal, gevormd onder anaërobe omstandigheden – waardoor de gemeenschap verdwijnt. Ruppia-vegetaties zijn pioniergemeeschappen en hebben een minerale, open bodem nodig.

Brak water is arm aan macrofaunasoorten vergeleken met zowel zoet als zout water. Opvallend is het grote aandeel van Crustaceae (Kreeftachtigen) in brak water, zoals verschillende soorten garnalen, roeipootkreeftjes, vlokreeftjes en waterpissebedden. Brakke wateren lijken echter gevoelig voor de invasie van nieuwe, exotische soorten. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de soortenarme macrofauna niet alle niches heeft ‘bezet’, zodat die gemakkelijk ingenomen kunnen worden door nieuw geïntroduceerde soorten zoals de Tijgervlokreeft (Gammarus tigrinus).

De soortenrijkdom van brakke wateren is onder andere afhankelijk van de isolatie van het water. Geïsoleerde wateren die niet (periodiek) in contact staan met andere oppervlaktewateren, hebben de laagste soortenrijkdom. De buitendijkse ringdobben in Noord Friesland hebben gezamenlijk een grotere soortenrijkdom dan van de afzonderlijke dobben te verwachten is. Door de relatief korte onderlinge afstand speelt migratie van soorten over en weer hierbij een belangrijke rol. 

Beleid
Brakke plassen zijn niet als habitattype onderscheiden en kennen daarom niet de bescherming die habitattypen in Natura2000-gebieden in Europa hebben. Wel vallen brakke plassen onder de Europese Kaderrichtlijn Water, die in de Nederlandse uitwerking worden onderverdeeld in Zwak brakke wateren (M30) en Kleine brakke tot zoute wateren (M31). Het watertype Grote brakke tot zoute meren (M32) omvat ook Afgesloten zeearm. De Kaderrichtlijn Water vereist dat wateren in 2015 een goede ecologische toestand hebben. Ook in de Index NL, waarop de komende jaren het subsidiëringstelsel gebaseerd zal worden, wordt het type Brakke plas genoemd. In de oude typologie van natuurdoeltypen wordt de Brakke plas in het Aquatisch Supplement bij het Handboek Natuurdoeltypen onderverdeeld aan de hand van hun zoutconcentratie, de mate van isolatie en de grootte van het water. In totaal worden er 12 typen brakke wateren onderscheiden, afgezien van (grotere) brakke rijkswateren.

COLOFON

Tekstbijdragen: Roos Loeb en Leon Lamers 

LITERATUUR

Antheunisse, A.M, Verberk, W.C.E.P., Schouwenaars, J.M. Limpens, J. & Verhoeven, J.T.A., 2008. OBN onderzoek: Preadvies laagveen- en zeekleilandschap - een systeemanalyse op landschapsniveau. Directie Kennis, Ministerie van LNV, Ede.

Ayres, K.R., C.D. Sayer, E.R. Skeate & M.R. Perrow, 2008. Palaeolimnology as a tool to inform shallow lake management: an example from Upton Great Broad, Norfolk, UK. Biodiversity and Conservation 17: 2153-2168.

Van Beers, P.W.M. & P.F.M. Verdonschot, 2000. Natuurlijke levensgemeenschappen van de Nederlandse binnenwateren. Deel 4 – Brakke binnenwateren, rapport AS-04, EC- LNV, Wageningen.

Boer, K. de & W.J. Wolff, 1996. Tussen zilt en zoet; voorstudie naar de betekenis van estuariene gradiënten in het Waddengebied. RU Groningen.

Handley, R.J. & A.J. Davy, 2002. Seedling root establishment may limit Najas marina L. to sediments of low cohesive strength. Aquatic Botany 73:129-136.

Hartog, C. den, 1964. Typologie des Brackwassers. Helgol. Wiss. Meeresunters. 10 (1-4): 377-390.

Heerebout, G.R., 1970. A classification system for isolated brackish inland waters, based on median chlorinity fluctuations. Netherlands Journal of sea Research 4 (4): 494-503.

Kiwa Water Research & EGG, 2007. Knelpunten- en kansenanalyse Natura2000-gebieden, Kiwa Water Research, Nieuwegein/ EGG, Groningen.

Lamers, L. (red), 2006. Onderzoek ten behoeve van het herstel en beheer van Nederlandse laagveenwateren. Eindrapportage 2003-2006. Directie Kennis, Ministerie van LNV, Ede.

Lenselink, G. & R. Gerrits, 2000. Kansen voor herstel van zoet-zout overgangen in Nederland. RIZA rapport 2000.032.

Molen, D.T. van der (ed.), 2004. Referenties en concept-maatlatten voor Meren voor de Kaderrichtlijn Water. STOWA 2004-42.

Paerl, H.W., R.L. Dennis & D.R. Whitall, 2002. Atmospheric deposition of nitrogen: Implications for nutrient over-enrichment of coastal waters. Estuaries 25:677-693.

Paulissen, M., E. Schouwenberg, J. Velstra & W. Wamelink, 2007. Hoe gevoelig is de Nederlandse natuur voor verzilting? H2O 18: 34-38.

Schaminée J.H.J, E.J. Weeda & V. Westhoff, De vegetatie van Nederland. Deel 2 - Wateren, moerassen, natte heiden. Upulus press, Uppsala/Leiden.

Wolff, W.J., 1998. Exotic invaders of the meso-oligohaline zone of estuaries in the Netherlands: why are there so many? Helgolander Meeresuntersuchungen 52: 393-400.

| Bedreigingen | Regulier beheer |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website