Pad: Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Zoete plas (N04.02) / Waterplantenrijk water

Waterplantenrijk water

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

Rijk, ook aan dieren
Het belang van waterplantenrijke wateren

KENSCHETS
Ontstaan en voorkomen
Vegetatiekundige indeling lastig
Het Waterlelieverbond: stroming en golfslag in het water
Het Kikkerbeetverbond: meer beschutte wateren
Groeistrategieën
Alternative stable states
Hydromorfologie
Het sediment
De oever
Fauna
Typologie Europees beleid
Typologie nationaal beleid
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Rijk, ook aan dieren
Waterplantenrijke wateren waren van oudsher goed vertegenwoordigd in het waterrijke Nederland. Zij hebben in de tweede helft van de 20e eeuw als gevolg van eutrofiëring een sterke achteruitgang doorgemaakt. Veel waterplantenrijke wateren veranderden in door algen gedomineerde wateren. Dit heeft geleid tot een grotere waardering van dit type natuur dat eens zo algemeen was.
Goed ontwikkelde waterplantenvegetaties hebben een belangrijke invloed op hun omgeving. Zij komen voor in helder water maar omgekeerd zorgen zij er ook zelf voor dat het water helder blijft (zie verderop: Alternative stable states) door

Waterplantenrijke wateren hebben een grote betekenis voor allerlei soorten fauna. Veel watervogels, zoals eenden, ganzen en koeten, eten waterplanten. De wateren bieden beschutting tegen predatoren, zoals vossen. Daarom broeden Zwarte sterns op Krabbescheerplanten en verblijven ganzen tijdens de rui graag op het water. Vissen vinden tussen de waterplanten schuil- en paaiplaatsen. Wateren met veel waterplanten hebben doorgaans een grotere macrofaunapopulatie en -diversiteit dan wateren die nauwelijks met planten begroeid zijn, omdat er in waterplantenrijke wateren meer structuren zijn waar zij zich tussen kunnen verbergen, hun voedsel kunnen zoeken en hun eieren af kunnen zetten. Libellen, die het grootste gedeelte van hun leven onder water doorbrengen, zijn meestal afhankelijk van waterplantenrijke wateren. Voorbeelden hiervan zijn de Gevlekte witsnuitlibel en de Groene glazenmaker, habitatrichtlijnsoorten, die vooral in laagveenwateren leven. De Groene Glazenmaker soort is geheel afhankelijk van dichte Krabbescheerbegroeiing.
In laagveengebieden vormen waterplantenrijke wateren het beginstadium van verlanding. Vooral Krabbenscheer is bekend als ‘ecosystem engineer’: op en in dichte matten met Krabbenscheer kunnen andere planten, zoals Waterzuring, Blauw glitkruid en Moerasviooltje, gaan groeien, waardoor een drijvend laagveenpakket (drijftil) ontstaat. Ook andere water- en oeverplanten kunnen het voorstadium van verlanding vormen.

Het belang van waterplantenrijke wateren
Waterplantenrijke wateren hebben een grote aantrekkingskracht (belevingswaarde) op recreanten om te genieten, te varen en om andere watersporten te beoefenen. Tegelijkertijd wordt er nog wel eens geklaagd wordt over planten die in de schroef van motorboten terecht komen als vaargeulen sterk begroeid zijn. Wateren waarin alleen (blauw)algen domineren zijn totaal niet populair: ze worden gemeden door recreanten vanwege stankoverlast en giftigheid. Zwemverboden worden tegenwoordig nog vrijwel uitsluitend afgekondigd vanwege blauwalgenbloei. Een klein deel van het drinkwater wordt opgeslagen en behandeld in oppervlaktewateren. Waternet, het drinkwaterleidingbedrijf van Amsterdam, heeft twee meren in het Vechtplassengebied waar water uit het Amsterdam-Rijnkanaal en het Vechtplassengebied zelf wordt opgeslagen voordat het gewonnen wordt voor drinkwaterbereiding. Voor de kwaliteit van dit drinkwater is het van groot belang dat er in deze plassen geen blauwalgenbloei optreedt, waardoor er giftige stoffen in het water zouden kunnen ontstaan. Waterplanten kunnen hierbij helpen om een goede kwaliteit te behouden.
In internationaal opzicht worden waterplantenrijke wateren in Nederland van grote betekenis geacht, vanwege hun uitgestrektheid en bijzondere soortensamenstelling. Met name worden de grote laagveenplassen en de Randmeren genoemd als van zeer groot belang op Europese schaal. De kwaliteit van deze wateren wordt momenteel als matig ongunstig ingeschat op grond van de verspreiding, de oppervlakte en de kwaliteit van deze wateren.
waterplantenrijk water 

KENSCHETS

Ontstaan en voorkomen
Veel van de waterplantenrijke wateren in Nederland zijn van antropogene oorsprong.

Wateren die gedomineerd worden door waterplanten komen voor op allerlei soorten substraat (klei, zand, veen) en bevatten voedselarm (oligotroof) tot voedselrijk (eutroof) water. Oligotrofe wateren worden tot de Vennen gerekend en worden hier niet verder behandeld. Waterplantenrijke wateren komen voor in nagenoeg alle landschapstypen. Zij vinden hun zwaartepunt in het Laagveen- zeekleilandschap en het Rivierengebied. De grote verscheidenheid van milieus met waterplantenrijke wateren, zorgt ervoor dat dit natuurtype ook vegetatiekundig zeer divers is.

Vegetatiekundige indeling lastig
De vegetatiekundige indeling van watervegetaties is lastig. Waterplanten komen vaak voor in afwisselende stukken waar telkens één of enkele soorten domineren. Ook gedurende het groeiseizoen wisselen waterplanten elkaar af, waardoor er in eenzelfde water verschillende associaties na elkaar voor kunnen komen. Watervegetaties zijn arm aan soorten in vergelijking met veel terrestrische vegetaties, waardoor de indeling in vegetatiekundige eenheden bemoeilijkt wordt. Vooral de afwezigheid van soorten maakt duiding lastig. De vegetaties van waterplantenrijke wateren behoren tot de Fonteinkruidklasse (Potametea; 5), en daarbinnen voornamelijk tot de Orde der Fonteinkruiden en Waterlelies (Nupharo-Potametalia; 5B). De drie verbonden binnen deze orde hangen sterk samen met de morfologie van het water. Het Waterlelieverbond (Nympheion; 5Ba) is te vinden in eutroof, vrij diep en stromend water. Het Kikkerbeetverbond (5Bb; Hydrochariton morsus-ranae) komt juist voor in beschuttere wateren. Het Verbond der kleine fonteinkruiden (Parvopotamion; 5Bc) tenslotte, komt vooral voor in kleinere en ondiepere wateren, zoals sloten. Dit verbond wordt hier niet verder besproken.
Voor alle gemeenschappen van de Fonteinkruidklasse geldt dat ze voorkomen in meso-eutroof water. In oligotrofer water komen gemeenschappen voor van de Oeverkruidklasse (zie Vennen) en de Kranswierenklasse (zie Kranswierwater). Tijdens de successie kunnen ze ook vooraf worden gegaan door gemeenschappen van de Kranswierklasse en worden opgevolgd door semi-terrestrische gemeenschappen met drijftillen. In ondiepe wateren kunnen ook helofyten, zoals Riet de overhand gaan nemen. Wordt het water eutrofer, dan zullen de wateren gedomineerd worden door algen en (indien beschut gelegen of klein van omvang) door drijvende planten als eendenkroossoorten.

Het Waterlelieverbond: stroming en golfslag in het water
Het Waterlelieverbond komt voor in eutroof, relatief diep water, waar er door stroming of golfslag veel fysieke belasting voor de planten optreedt. Het wordt onderverdeeld in vier associaties:

Het Kikkerbeetverbond: meer beschutte wateren
Het Kikkerbeetverbond wordt onderverdeeld in de Krabbescheerassociatie (Stratiotetum; 5Bb1) en de Associatie van Groot blaasjeskruid (Utricularietum vulgaris; 5Bb2). De Krabbescheerassociatie komt voor op luwe plekken en wordt gedomineerd door Krabbenscheer. Deze plant overwintert op de bodem van wateren en komt aan het eind van het voorjaar weer boven drijven door zuurstofophoping als gevolg van fotosynthese. De plant kan dichte matten vormen, die een voorstadium voor verlanding zijn. Tot de jaren ’60, vóór de grote ruilverkavelingen, waren vegetaties van de Krabbescheerassociatie vaak wat meer open van karakter, waardoor er meer plek was voor bijvoorbeeld fonteinkruiden. Dit kwam doordat boeren Krabbescheerplanten uit het water haalden om het dichtgroeien van watergangen te voorkomen. De planten werden als mest op de akkers gebracht. Na de grote ruilverkavelingen stopte deze vorm van beheer, waarna de dichtheid van de planten sterk toenam, totdat vanaf de jaren ’70 de slechte waterkwaliteit zijn weerslag kreeg op het voorkomen van de associatie.
De Associatie van Groot blaasjeskruid heeft eveneens luw water nodig en kan ondieper voorkomen dan de Associatie van Krabbenscheer. De verspreiding is breder dan de Associatie van Krabbenscheer; de Associatie van Groot blaasjeskruid komt, behalve in het Laagveengebied, ook voor in het Rivierengebied, waar de Associatie van Krabbenscheer nagenoeg is verdwenen. De gemeenschap is soortenarm en wordt gedomineerd door Groot blaasjeskruid. Net als andere soorten blaasjeskruid heeft deze plant blaasjes waarmee extra voedsel ingevangen kan worden (organische stof en beestjes), maar in tegenstelling tot de andere blaasjeskruiden komt Groot blaasjeskruid dominant voor in voedselrijke wateren.
Naast deze associatie komen ook veel gemeenschappen voor die vanwege hun grotere soortenarmoede als rompgemeenschappen worden omschreven: de Rompgemeenschap van Myriophyllum spicatum [Potametea], de Rompgemeenschap van Potamogeton crispus [Potametea] en de Rompgemeenschap van Ceratophyllum demersum [Nupharo-Potametalia] zijn hiervan de belangrijkste.

Groeistrategieën
Behalve op de vegetatiekundige indeling, kunnen waterplantenvegetaties ook beoordeeld worden op hun functie en gedrag in het water. Het valt op dat in voedselarme wateren, zoals vennen, de meeste plantensoorten een verticale groeistrategie kennen. Deze planten zijn erop gericht om zoveel mogelijk voedingsstoffen uit de bodem op te nemen, terwijl licht geen beperkende factor is. Bij een toename van voedingsstoffen (fosfor, stikstof en koolstof) maken deze soorten plaats voor soorten met een meer horizontale groeistrategie. Deze soorten groeien vaak tot vlak aan het wateroppervlak, waar zij vervolgens horizontaal uitwaaieren (zie de figuur hieronder). Voorbeelden hiervan zijn Grof hoornblad en Schedefonteinkruid. Deze soorten hebben een bouw die aangepast is om zoveel mogelijk licht in te vangen, ook wanneer de algendichtheid toegenomen is. Hiermee overschaduwen zij de bodembegroeiende planten met een verticale groeistrategie die vervolgens het loodje leggen door lichtgebrek. Soorten met drijvende bladeren, zoals Gele plomp, Kikkerbeet en kroossoorten kunnen in luwe wateren het wateroppervlak helemaal bedekken, waardoor er nauwelijks ondergedoken planten meer kunnen groeien door lichtgebrek. In grotere wateren worden zij echter door golfslag en windwerking naar de randzone teruggedrongen. Dan kunnen algen het lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten verzieken:

Opvallend is dat de totale biomassa van planten en algen een optimum vertoont naarmate de voedselrijkdom toeneemt tot in een eutrofe situatie: als planten met een verticale groeistrategie vervangen worden door planten met een horizontale groeistrategie, dan neemt de biomassa toe. Als deze echter verdwijnen en algen of kroos gaan domineren, dan wordt de totale biomassa van algen en planten weer kleiner. Hypertrofe wateren hebben dus, ondanks hun hoge productie, een lagere biomassa dan meso-eutrofe wateren.
waterplantenrijk water afb 2.a          waterplantenrijk water
Voorbeelden van waterplanten met verticale (links) en horizontale (rechts) groeistrategie. Bij eutrofiëring gaan planten met een horizontale groeistrategie overheersen. Uit: Bloemendaal & Roelofs 1988.

Alternative stable states
Veel wateren zijn door eutrofiëring omgeslagen van een heldere, door waterplanten gedomineerde staat naar een troebele, door algen gedomineerde staat. Tegelijk is vaak ook de dominantie van bodemomwoelende vis en de verhouding tussen algen en algenetende watervlooien toegenomen. Beide toestanden zijn tamelijk stabiel: een door waterplanten gedomineerde plas slaat niet meteen om naar een algengedomineerde toestand als de voedselrijkdom slechts een klein beetje toeneemt. De waterplanten zorgen voor een stabiel milieu, waarin

Er moet dus sprake zijn van een flinke toename van de voedselrijkdom (nutriëntenbelasting) om het systeem om te laten slaan (zie de figuur hieronder). Andersom is ook een algengedomineerd systeem erg stabiel: de troebelheid die zowel door algen als door de bodemomwoelende vis wordt veroorzaakt, zorgt ervoor dat er geen waterplanten kunnen kiemen en groeien, ook niet als de voedselrijkdom een klein beetje afneemt. Hiervoor is een veel grotere afname van de voedselrijkdom (nutriëntenbelasting) nodig. Het water moet zelfs veel voedselarmer worden dan het was toen het omsloeg van helder naar troebel. De heldere, door waterplanten gedomineerde toestand en de troebele, door algen gedomineerde toestand, worden ‘alternative stable states’ genoemd, omdat beide toestanden stabiel voor kunnen komen in een water met dezelfde voedselrijkdom, binnen bepaalde grenzen. Het fenomeen dat deze omslagen niet bij eenzelfde voedselrijkdom plaatsvinden, wordt aangeduid als hysterese. De omslag van troebel naar helder kan een handje geholpen worden ‘biomanipulatie’ (zie ‘Actief biologisch beheer en actief visstandbeheer (biomanipulatie)’ onder Herstelbeheer en inrichting).
waterplantenrijk water afb 3a

Schematische weergave van alternative stable states in een meer. Bij een bepaalde kritische fosfaatbelasting (Pkrit2) slaat het systeem om van helder naar troebel (bovenste plaatje). In hetzelfde meer moet de fosfaatbelasting echter veel verder teruggebracht worden (Pkrit1) om het meer weer vanzelf om te laten slaan van de troebele naar de heldere toestand (onderste plaatje). Uit: Jaarsma et al. 2008.

waterplantenrijk water afb 3b

 

Hydromorfologie
Naast voedselrijkdom zijn ook fysische en morfologische karakteristieken van wateren bepalend voor de waterplantengroei, zoals de waterdiepte, het oeverprofiel, wind- en golfslagwerking, overstroming en droogval. In Nederland is in diepe wateren (dieper dan 5 m) waterplantengroei niet mogelijk omdat op de bodem te weinig licht doordringt. De lichtsterkte in het water neemt namelijk sterk af met de diepte van het water. In Nederland zijn natuurlijke wateren ondiep. Alleen zand-, grind- en kleiwinplassen en wielen kunnen meer dan enkele meters diep zijn en daarmee te diep voor waterplantengroei.
Windwerking en golfslag, van belang in grote wateren, trekken planten mee die niet goed in de bodem verankerd zijn. Kroos of waterlelies vind je daarom niet midden in grote meren. Ook veroorzaken windwerking en golfslag de opwerveling van slibdeeltjes. In de uiterwaarden speelt overstroming en droogval een grote rol voor waterplantenvegetaties. Daar bevatten plassen die langdurig overstroomd worden minder waterplanten. Droogval heeft een tegengesteld effect: door periodieke droogval kunnen er meer planten kiemen en droogval zorgt voor sterfte van vis, waardoor het water na droogval helderder is. Daarnaast zorgt droogval voor een sterkere binding van fosfaat aan het sediment en voor sedimentatie van slibdeeltjes.

Het sediment
De onderwaterbodem is van groot belang voor de kwaliteit van het oppervlaktewater, zeker in ondiepe wateren. Er is geen sprake van een spronglaag, die het diepe koudere deel (hypolimnion) in het groeiseizoen afsluit van de warmere bovenlaag (epilimnion). Verder is boven iedere vierkante meter bodem maar een klein volume water aanwezig. Een groot deel van de omzettingsprocessen speelt zich niet in het water, maar in het sediment af. IJzer, aluminium en calcium (carbonaat) in het sediment kunnen fosfaat vastleggen. Deze vastlegging is omkeerbaar: als het sediment jarenlang met fosfaat is opgeladen, kan dit ook geleidelijk weer vrijkomen nadat de fosfaatconcentratie in het aanvoerwater is teruggebracht. Vooral ijzer speelt een sleutelrol in het vastleggen en vrijkomen van fosfaat. IJzer is een redoxgevoelig bestanddeel van de bodem. Als het sediment van aëroob overgaat naar anaëroob wordt ijzer gereduceerd van Fe3+ naar Fe2+. Omdat fosfaat slechter aan Fe2+ bindt, komt hierbij fosfaat vrij dat eerst aan driewaardig ijzer gebonden was. Onder anaërobe omstandigheden wordt bovendien sulfaat omgezet in sulfide (rotte-eierengas). Omdat sulfide veel sterker aan ijzer bindt dan fosfaat, komt er bij dit proces nog extra fosfaat vrij.
De bodem is verder ook belangrijk voor nitrificatie en denitrificatie. Nitrificatie, het proces waarbij ammonium (dat ontstaat bij de afbraak van organische stof) wordt omgevormd naar nitraat, vindt alleen plaats onder aërobe omstandigheden. De omzetting van nitraat naar stikstofgas, dat naar de lucht verdwijnt, vindt echter alleen plaats onder anaërobe omstandigheden. De voor beide processen benodigde wisselende omstandigheden zijn vaak vooral in ondiepe delen en de oevers van wateren te vinden.

De oever
In wateren met een klein oppervlak heeft ook de oever een grote invloed op het water. Oevers en ondiepe helofytenzones kunnen

De helofytenzone vormt daarnaast een belangrijk habitat voor moerasvogels (o.a. Grote karekiet) en zoogdieren (o.a. Noordse woelmuis) en voor vissoorten, zoals de Snoek (zie: Helofytenmoerassen). Deze verbetering van waterkwaliteit is één van de redenen dat er momenteel veel natuurvriendelijke oevers aangelegd worden. De werkzaamheid van deze oevers is echter op dit punt nog onvoldoende onderzocht.
Afhankelijk van de eigenschappen van de oever kan meer contact tussen water en oever ook juist eutrofiëring veroorzaken. Als de oevers nog bemest worden, kan dit leiden tot uit- en afspoeling van meststoffen naar het water. Ook als oevers niet meer bemest worden, maar er vroeger wel sprake was van bemesting, kan er veel fosfaat vrijkomen vanuit de (geïnundeerde) oever. Verder wordt er nogal eens (zeer) voedselrijke bagger gebruikt bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers, waardoor oevers snel verruigen of planten juist doodgaan aan giftige stoffen, gevormd bij de afbraak. Daarnaast kan afbraak van laagveenoevers voor een grote slibproductie en bijbehorende vertroebeling van het water zorgen. Mogelijk speelt hier bemesting met nitraat een grote rol.

Fauna
Watervegetaties en waterfauna hebben een grote invloed op elkaar. Onder Betekenis is al het belang van waterplantenrijke wateren voor fauna geschetst. Omgekeerd heeft de fauna ook een grote invloed op de waterplantenbegroeing. Vogels kunnen een grote invloed op de vegetatieontwikkeling van waterplanten hebben, enerzijds doordat ze (specifieke) planten afgrazen en anderzijds doordat ze met hun uitwerpselen extra voedingsstoffen in het water brengen (‘guanotrofie’). Guanotrofie kan een groot probleem vormen voor wateren met een grote vogeldruk. Bodemopwoelende vissen zorgen voor vertroebeling van het water, waarvan Brasem het belangrijkste voorbeeld is. Het aandeel van Brasem in de visgemeenschap is daarom belangrijk om te bepalen of er te veel bodemomwoelende en zoöplankton-etende vis in het water zit. Troebele algenrijke wateren worden gekenmerkt door een visgemeenschap van het brasem-blankvoorn type, terwijl heldere wateren van het snoek-zeelt type zijn. Algenetende macrofaunasoorten en zoöplankton zorgen ervoor dat het systeem helder blijft. Watervlooien kunnen sterk toenemen als de algenconcentratie in het water omhoog gaat. Zij zorgen er op die manier voor dat er minder snel algenbloei optreedt.

Typologie Europees beleid
Alle wateren moeten volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2015 een goede ecologische toestand hebben. Gezien de huidige kwaliteit van veel van de Nederlandse wateren ligt hier dus een heel grote opgave. De indeling van zoete meren en plassen is gebaseerd op hun mate van buffering, omvang en diepte. Er wordt een twintigtal typen meren onderscheiden, zoals M14 (ondiepe gebufferde plassen) en M 27 (matig grote ondiep laagveenplassen). Van de natuurlijke en sterk veranderde stilstaande wateren valt het grootste deel onder Waterplantenrijke wateren, mits zij in een goede ecologische toestand verkeren. De KRW-typologie wijkt af van de indeling in natuurtypen die op deze website gevolgd wordt.
Waterplantenrijke wateren worden in de Natura2000-beleid beschermd als het habitattype ‘Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of
Hydrocharition’ (H3150; verkorte naam: meren met krabbenscheer en fonteinkruiden). Onder dit type vallen alleen vegetaties behorend tot de associatie van Glanzig fonteinkruid, de associatie van Witte waterlelie en Gele plomp, de Watergentiaan-associatie, de Krabbescheer-associatie en de associatie van Groot blaasjeskruid. Daarnaast geldt dat vegetatiegemeenschappen alleen onder het habitattype vallen als ze in een vlakvormig water voorkomen. Komen deze associaties voor in lijnvormige wateren (zoals sloten of kanalen), dan vallen ze alleen onder het habitattype als ze aansluiten op hetzelfde vegetatietype in een vlakvormig water. Voor de associatie van Witte waterlelie en Gele plomp en de Watergentiaanassociatie geldt aanvullend dat ze alleen tot het habitattype behoren als Doorgroeid, Gegolfd, Glanzig of Langstengelig fonteinkruid aanwezig is.

Typologie nationaal beleid
In de nieuwe Index Natuur- en Landschap vallen waterplantenrijke wateren onder het natuurtype Zoete plas, wat net als ‘waterplantenrijk water’ een zeer brede categorie is. Onder ‘Zoete plas’ vallen niet de vennen, hoogveenplassen en duinwateren, maar wel stilstaande lijnvormige wateren, zoals vaarten, kanalen en sommige sloten, mits deze breder zijn dan 8 meter. Wateren smaller dan 8 meter hebben in de Index Natuur- en Landschap geen eigen type toegekend gekregen, terwijl deze wateren door de grote lengten en oppervlakte die zij innemen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aquatische natuurkwaliteit in Nederland. Momenteel vindt er veel onderzoek plaats naar het ecologische functioneren en de biodiversiteit van sloten. Sloten kunnen zeer biodivers zijn en kunnen bronpopulaties herbergen voor herstel van grotere wateren. Uiterwaardplassen vallen in de Index Natuur- en Landschap onder het natuurtype Rivier.
Net als de typologie van de KRW is de typologie van het Handboek Natuurdoeltypen en het bijbehorende Aquatisch Supplement gedetailleerd en vallen veel verschillende watertypen onder het natuurtype Waterplantenrijke wateren. Omdat deze indeling in toekomstig beleid waarschijnlijk geen rol meer zal spelen, wordt er hier niet verder op ingegaan.

Met bijdrage van:
Roos Loeb en Leon Lamers

Literatuur

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website