Pad: Natuurtypen / Beken en bronnen (N03) / Beek en bron (N03.01) / Beek

Beek

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

Karakteristiek onderdeel van verschillende landschappen
Vormers van het landschap in Pleistoceen Nederland
Opslag en transport van water
Hoge biodiversiteit

KENSCHETS
Het ontstaan van beken
Beekdalen
Vijf factoren bepalen levensgemeenschappen
Indeling van beken
Bovenloop
Middenloop
Benedenloop
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Karakteristiek onderdeel van verschillende landschappen
Natuurlijke beken dragen bij aan de waarde van de Nederlandse natuur, de belevingswaarde van het landschap en zijn daarmee een factor in gezondheid en welzijn van de mens. Daarnaast kunnen natuurlijke beekdalen een belangrijke rol spelen in het opvangen van effecten van klimaatverandering en vergroting van de veiligheid door vertraging van afvoer en opvang van water. Beken vormen een karakteristiek onderdeel van de sterk en minder sterk hellende landschappen in Nederland. Beken worden gevonden in het pleistocene zandgebied, het tertiaire heuvelland en de holocene duinen. Heuvellandbeken worden alleen gevonden in Zuid-Limburg, in de omgeving van Nijmegen, op de stuwwallen in Twente en langs de zuidelijke Veluwerand. Laaglandbeken komen vooral voor in provincies Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel (Twente en Salland), Drenthe, Friesland en Groningen. De meeste heuvelland- en laaglandbeken zijn momenteel rechtgetrokken, onder normprofiel gebracht en vaak gestuwd. Daarnaast is het merendeel ook verontreinigd met bestrijdingsmiddelen en nutriënten.

Vormers van het landschap in Pleistoceen Nederland
Beken hebben sinds de ijstijden het Nederlandse zandlandschap vormgegeven. Het stromende water heeft erosiegeulen doen ontstaan die later in sommige gebieden weer met veen zijn opgevuld. Door het ontstaan van een kleinschalig reliëf met variatie in bodemopbouw en waterhuishouding, ontstonden graduele overgangen tussen hoog en laag, droog en nat en voedselarm en voedselrijk. Deze zijn de basis voor de zeer hoge biodiversiteit van het natuurlijke beekdallandschap en de beken zelf.

Opslag en transport van water
Het grootste deel van het regenwater valt in de infiltratiegebieden en stroomt via het grondwater naar de beek. In het beekdal stroomt het regenwater oppervlakkig of ondiep af naar de beek. De beek voert al het water af als oppervlaktewater. De ‘sponswerking’ van een stroomgebied (het bergend vermogen) zorgt er onder natuurlijke omstandigheden voor dat overstroming benedenstrooms niet vaak optreedt en dat de beek watervoerend en traag stromend blijft. Aan deze sponswerking wordt onder natuurlijke omstandigheden het meeste bijgedragen door de moerassige laagten die de beek op zijn weg naar de rivier ontmoet. Door de menselijke ingrepen in de waterhuishouding van het stroomgebied is veel van deze sponswerking en zijn veel moerassige laagten verloren gegaan. De eerste normalisaties en kanalisaties hebben tot grote inundaties en wateroverlastproblemen gezorgd. Na installering van intensieve drainage en afwatering zijn deze situaties verdwenen. Bij beek- en beekdalherstel probeert men de oorspronkelijke functie van geleidelijke afvoer weer terug te brengen in beek en beekdal.

Hoge biodiversiteit
Een hoge diversiteit aan planten en dieren is kenmerkend voor natuurlijke beken. Ten aanzien van de dieren gaat het om de meeste steenvliegsoorten, vele tientallen soorten kokerjuffers, de meeste haften, een groot aantal soorten muggen en vliegen, een aantal keversoorten, wantsen, libellen en watermijten, enkele soorten slakken, trilhaarwormen en kreeftachtigen. Ook roodwieren en diatomeeën zijn karakteristiek voor beken. In langzaam stromende beken wordt benedenstrooms ook plankton aangetroffen. Karakteristieke vissen voor heuvellandbeken en zuurstofrijke laaglandbeken zijn o.a. Beekforel, Rivierdonderpad, Bermpje, Elrits, Beekprik en in mindere mate ook Riviergrondel en Kleine modderkruiper. De Rivierkreeft is een typische beeksoort. Vogels die in hun voorkomen min of meer gebonden zijn aan beken zijn o.a. IJsvogel en Grote gele kwikstaart. Otters gebruiken beken en beekdalen als trekroute.
Kenmerkende water- en oeverplanten van beken zijn gebonden aan natuurlijke verschillen in milieuomstandigheden tussen de verschillende beekgedeelten (Bovenloop, Middenloop, Benedenloop). Voorbeelden van karakteristieke planten van beken zijn Duizendknoopfonteinkruid (bovenlopen), Grote waterranonkel (middenlopen) en Pijlkruid (benedenlopen).

KENSCHETS

Het ontstaan van beken
Beken voeren water af uit stroomgebieden van verschillende grootte. Het water is hoofdzakelijk afkomstig van grondwater uit het ondiepe of het diepe grondwatersysteem. Daarnaast kunnen, in hellende gebieden en bij zeer hoge grondwaterstanden, beken ook gevoed worden door water dat over het maaiveld stroomt (oppervlakteafvoer). Het begin van beken bestaat uit een echte bron, of uit meer of minder verspreid opwellend ondiep grondwater. Door samenvoeging met andere kleine beekjes en door in de bovenloop toestromend grondwater nemen de waterafvoer en de dimensie stroomafwaarts toe. Bij voldoende hoge stroomsnelheden kan meandering optreden en in de loop van de tijd kunnen meanders weer worden afgesneden. In vlakkere gebieden (laaglandbeekdalen) treedt onder invloed van toestroming van grondwater en hoge grondwaterstanden veenvorming op en ontstaan moeras- en broekbosvegetaties. Door periodieke overstroming komen in midden- en vooral benedenlopen oeverwallen en eveneens beekbegeleidende moerassen voor. De voeding met ondiep grondwater in de bovenloop maakt in de midden- en benedenloop plaats voor voeding met diep, meestal basenrijker grondwater.

Beekdalen
Een beekdallandschap bestaat uit drie componenten, namelijk de beek zelf, het beekdal en de beekdalflank (overgang naar de hogere zandgronden). Tezamen vormen deze drie componenten het stroomgebied van waaruit een beek water ontvangt. Het water stroomt in het stroomgebied via de flank en het beekdal, boven- en ondergronds, af naar de beek. Omdat het kenmerk van een beek de afstroming van water in één richting is, en de hoeveelheid water stroomafwaarts toeneemt, kunnen verschillende zones in de beek worden onderscheiden: het brongebied, de bovenloop, de middenloop en de benedenloop. Eigenlijk is alles wat er gebeurt in een stroomgebied van invloed op de hoeveelheid en kwaliteit van het water in de beek. De beek zelf is daarmee een prima graadmeter voor de toestand van het gehele stroomgebied.
De gemiddelde stroomsnelheid wordt bepaald door het verhang, de hoeveelheid afgevoerd water, de afmetingen en vorm van het profiel en de aanwezigheid van stromingsremmende objecten, bijvoorbeeld waterplantenmassa’s en oeverstructuren (ruwheid). De korrelgrootte van het bodemmateriaal, variërend van grind in snelstromende delen tot fijn zand en modder in langzaam stromende delen, wordt bepaald door de stroomsnelheid. Factoren als zuurstofgehalte en temperatuur maar ook vestigingsmogelijkheden voor hogere waterplanten worden eveneens voor een belangrijk gedeelte door de stroomsnelheid beïnvloed. Het samenspel van abiotische (fysische en chemische) factoren bepaalt daarmee in hoge mate de samenstelling van flora en fauna in beken.

Vijf factoren bepalen levensgemeenschappen
Uit verschillende ecologische en typologische onderzoeken aan beken in Nederland komen een aantal factoren naar voren die bepalend zijn voor aanwezige beeklevensgemeenschappen. Deze factoren zijn door Verdonschot et al. geschematiseerd in het 5-S-model. Dit beschrijft samenvattend de opbouw van een beekecosysteem en onderscheidt vijf factorcomplexen:

Indeling van beken
De beken kunnen naar de hoofdfactoren droogval, zuurgraad en stroomsnelheid worden ingedeeld. Vervolgens is een nadere onderverdeling mogelijk. Hieronder wordt de beschrijving van Nederlandse beektypen gebaseerd op die van de laaglandbeken omdat deze het meest in Nederland voorkomen. Overige beektypen betreffen bijzondere situaties zoals droogvallende, zure en snelstromende beken.

Bovenloop
Het beektype ‘langzaam stromende bovenlopen’ worden overal in het laagland en in de vlakke delen van de overige gebieden gevonden. Als gevolg van de constante voeding (helocrene bron of kwel) ontstaan permanent stromende bovenlopen. Deze zijn zwak meanderend. Het asymmetrische profiel is onderdeel van een rijk gestructureerd mozaïek aan substraten. De bovenlopen bevinden zich in loofbos, veelal bron- of moerasbossen. De oevers zijn bezet met Els begroeid met mossen en kruiden.
Het betreft een voedselarm tot matig voedselrijk milieu. Aan oevers worden plaatselijk soorten zoals Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium), Bittere veldkers (Cardamine amara), Witte waterkers (Rorippa nasturtium-aquaticum) en Groot bronkruid (Montia fontana subsp. fontana) gevonden. In het water komen Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius) en Grote waterranonkel (Ranunculus peltatus var. heterophyllus) voor.
De fauna is gevarieerd. De meeste soorten leven op vaste substraten en in mindere mate op het sediment. Veel soorten prefereren stromend water (zijn ‘rheofiel’) en kunnen alleen voorkomen als de watertemperatuur constant en laag is (‘koud-stenotherm’). Het betreft herbivoren die leven van dood plantenmateriaal, carnivoren en omnivoren. Belangrijke groepen zijn wormen, kreeftachtigen, vedermuggen, vliegen en kokerjuffers. De visfauna is beperkt, plaatselijk worden Bermpjes (Barbatula barbatulus) aangetroffen.

Middenloop
Langzaam stromende middenlopen komen verspreid in de vlakke delen van het hele pleistocene zandgebied en het pre-pleistocene gebied voor. De afvoer is vrij constant. De middenlopen bevinde zich in loofbos met Els, Es, Haagbeuk en Eik. De beek is grotendeels beschaduwd. De oever is bezet met Els en Es. De beekloop is meanderend en kronkelend. Het dwarsprofiel is structuurrijk. Het substraat bestaat vooral uit zand, plaatselijk waterplanten en organische structuren (omgevallen bomen). De oevers zijn begroeid met mossen, varens en andere kruiden. Het profiel is meanderend en structuurrijk. Het betreft een matig voedselrijk milieu.
In de middenloop komen voor:

Alleen Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus) en Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus) zijn wijd verbreide soorten. Als de stroomsnelheid erg laag is worden drijfbladplanten gevonden zoals Gele plomp (Nuphar lutea).
De kenmerkende macrofaunagemeenschap is zeer gevarieerd en bestaat uit soorten van zowel stromend als stilstaand water. Toch zijn nog veel soorten stromingsminnend. De meeste soorten leven op vaste substraten zoals waterplanten en op en in het sediment, de waterkolom en de natte oever. Het betreft vertegenwoordigers van alle trofische niveaus. Belangrijke groepen zijn vedermuggen, kevers en kokerjuffers. In middenlopen op zand-, klei-, slib- of veenbodem komen visgemeenschappen voor plaatselijk bestaande uit stromingsminnende soorten (o.a. Serpeling (Leuciscus leuciscus), Gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) en Vetje (Leucaspius delineatus), maar vaak komen ook algemene en soorten van stilstaand water voor.

Benedenloop
Daar waar beekjes en beken zich samenvoegen in grotere 'lijnvormige elementen' in het landschap spreken we van benedenlopen. Benedenlopen dragen kenmerken van grote rivieren en van beken. Zo worden langs benedenlopen stroomrug-, kom- en overslaggronden aangetroffen; ook in de beekwand (verticaal) kunnen verschillende bodemtypen zichtbaar zijn. Natuurlijke benedenlopen zijn sterk meanderend. Er komen langs de benedenloop afgesnoerde beekmeanders voor in verschillende stadia van verlanding. De meeste benedenlopen ontvangen vooral wa¬ter van de bovenstroomse beken, maar er treedt ook kwel van diep grondwater op. Het verval van benedenlopen is gering en er vindt bij hoge afvoer inundatie plaats. Door de lagere stroomsnelheid kan veel slib en organisch materiaal bezinken. Het water is tamelijk voedselrijk en er komt relatief veel fytoplankton in voor.
In de benedenlopen komen Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum), Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans), fonteinkruiden (Potamogeton crispus, P. nodosus) en Gele plomp (Nuphar lutea) voor. Daarnaast worden Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus) of in matig voedselrijk, ondiep water Grote egelskop (Sparganium erectum), Kleine egelskop (Sparganium emersum) en Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia) gevonden. In het overstromingsbereik ontwikkelen zich grote zeggenmoerassen.
De samenstelling van de macrofauna is zeer gevarieerd De kenmerkende gemeenschap bestaat uit soorten van zowel stromend als stilstaand water. De meeste soorten zijn echter stromingsminnend en leven ook hier op en in het sediment, de waterkolom en de natte oever (het littoraal). Sommige soorten komen ook in stilstaande wateren voor. Het betreft vooral herbivoren en herbivore vergaarders van dood plantenmateriaal. Belangrijke groepen zijn wormen, vedermuggen en slakken.
In langzaam stromende benedenlopen op zand-, klei-, slib- of veenbodem komen visgemeenschap¬pen voor plaatselijk bestaande uit stromingsminnende soorten (o.a. Kwabaal (Lota lota), Kopvoorn (Leuciscus cephales), Rivierprik (Lampetra fluviatilis), Winde (Leucicus idus) en Vlagzalm (Thymallus thymallus) maar vaak komen ook algemene en soorten van stilstaand water voor.

Met bijdragen van:
Piet F.M. Verdonschot en Anna Besse-Lototskaya

Literatuur

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website