Pad: Natuurtypen / Beken en bronnen (N03) / Beek en bron (N03.01) / Bron

BRONNEN

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Klein maar fijn

KENSCHETS
Ligging en kenmerken
Temperatuur en lichtinval
Variatie in water- en bodemkwaliteit
Bronnen op een rij
Landschappelijke typering
Hydrologische typering
Kenmerkende plantengemeenschappen
Kenmerkende diersoorten
De ‘grote' fauna
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Klein maar fijn
Stromend water met een constante temperatuur en een constante chemische samenstelling maken bronnen tot een geheel eigen wereld en onderscheiden zich daarmee direct van alle andere grondwatergevoede natuur. Overigens komen ze vaak wel weer in combinatie daarmee voor. Bronnen staan letterlijk en figuurlijk aan de basis van een goede natuur- en milieukwaliteit. Ze zijn in essentie de graadmeters van de kwaliteit van het grondwater. Ze beslaan vaak kleine oppervlakten in het landschap en zijn zeer kwetsbaar voor verdroging. De extreme terreinomstandigheden die bronnen typeren zijn voor een aantal planten- en diersoorten in Nederland het enige leefmilieu. De vervangbaarheid is uiterst gering. Vanwege het bijzondere, onderscheidende karakter en de daarmee samenhangende van nature al zeldzame brongemeenschappen zou behoud en herstel in Nederland een vanzelfsprekendheid moeten zijn.

KENSCHETS


Ligging en kenmerken
Bronnen of brongebieden zijn plaatsen waar op natuurlijke wijze, op een klein of groot oppervlak, grondwater uittreedt. Ze kunnen echter ook door menselijk ingrijpen ontstaan, zoals bij een artesische put, sprengen en bronvijvers. Bronnen komen voor in het gehele Pleistocene deel van Nederland, Zuid-Limburg en lokaal langs de binnenduinrand. Ze zijn gebonden aan glooiende, heuvelachtige landschappen met (relatief) steile hellingen op stuwwallen of terrassen waar zich een afwisseling van goed en slecht doorlatende bodemlagen in de ondergrond bevinden. De lagen zorgen ervoor dat het inzijgende water zich verzamelt in een lokaal waterlichaam met één of enkele overlopen. Op een dergelijke (punt)locatie treedt het hele jaar of een groot deel van het jaar grondwater uit. Dit water heeft de volgende kenmerken:

Temperatuur en lichtinval
Een aantal sturende factoren bepaalt de leefomstandigheden voor de aanwezige flora en fauna (Verdonschot 2000). Eén van de meest karakteristieke eigenschappen is de constante temperatuur van het bronwater. Grondwater heeft jaarrond een temperatuur van rond de 10
oC. De constante temperatuur van het water bepaalt de snelheid van allerlei processen en daarmee van de levenscycli en productie van bronorganismen. Dit verklaart waarom sommige soorten uitsluitend in bronnen voorkomen. 's Winters is het bronmilieu warmer, 's zomers kouder dan de omgeving. Bovendien heeft het water een relatief hoge stroomsnelheid. Omdat het koel en beweeglijk is, neemt het meer zuurstof op uit de lucht dan stilstaand water. Licht speelt een belangrijke rol op de temperatuur en de begroeiing van de bron en is voor de meeste aquatische bronorganismen ongewenst. Voor andere bronvegetaties is directe lichtinval daarentegen weer gunstig. De Bronkruid-associatie (Philonotido fontanae-Montietum) ontwikkelt zich op niet-beschaduwde plaatsen (in de zogenaamde weidebronnen), terwijl de Associatie van Paarbladig goudveil (Pellio epiphyllae-Chrysosplenietum) en de Kegelmos-associatie (Pellio-Conocephaletum
) op beschaduwde plekken voorkomen (dan aangeduid als bosbron) (zie ook verderop). Met het beheer kan de factor licht (en daarmee temperatuur) worden beïnvloed. Door plaggen, maaien, begrazen en kappen kan een weidebron in stand gehouden worden of juist gecreëerd. Deze maatregelen zijn voor bosbronnen doorgaans ongewenst.

Variatie in water- en bodemkwaliteit
Bronnen worden gekenmerkt door het (zo goed als) continu uittreden van (grond)water. De (lokale) grondwaterstroming en grondwaterstand (in het inzijg- en kwelgebied) bepalen grotendeels de hoeveelheid en de kwaliteit van het ín de bron uitstromende water. Hierop zijn aard, omvang en locatie van het infiltratiegebied van invloed. Daarnaast bestaat een duidelijke relatie tussen de verblijftijd van het water in de ondergrond en de chemische samenstelling van het uittredende grondwater. Deze is afhankelijk van de doorstroomde bodemlagen. Van nature is in een bron de chemische samenstelling van het uittredende water vrij constant. Neerslag heeft een andere chemische samenstelling dan grondwater. Het belangrijkste verschil bestaat uit de concentraties van de stoffen die erin opgelost zijn. Zo heeft regenwater bijvoorbeeld een pH van rond de 5 terwijl in grondwater de pH varieert van 5 tot 7 met uitzonderingen tot 8. Er is (zo goed als) altijd een relatie tussen de verblijftijd en het substraat waar het water door stroomt. In de regel bevat jong grondwater minder opgeloste stoffen dan ouder grondwater. Bronnen die worden gevoed met neerslag en/of jong grondwater bevatten doorgaans lage gehaltes aan macro-ionen. Bronnen die verrijkt zijn met mineralen (waaronder kalk en ijzer) hebben daarentegen een hoger gehalte aan macro-ionen. De standplaatscondities in bronnen variëren daardoor sterk in de hoog/laag - gradiënt van de beekdalen. Deze variatie blijkt per beekdal(bron)systeem steeds weer anders te zijn.

In bronnen komen verschillende substraten naast elkaar voor die van belang zijn voor de kenmerkende macrofauna, de met het blote oog waarneembare ongewervelde fauna (meestal tussen de één millimeter en enkele centimeters groot). Het gaat daarbij om slib en/of detritus, zand- en grindbankjes, bladpakketten en begroeiingen met hogere planten of mos. Het bladafval van verschillende groottes dient daarbij als voedsel (vooral voor vlokreeftjes), maar ook als schuilplaats. Daarbij is het blad van de Zwarte els, Gewone es en wilgensoorten relatief snel verteerd. Het blad van Beuk en Zomereik heeft daar meer tijd voor nodig, terwijl blad van populier- en naaldhoutsoorten zelfs de waterchemie (negatief) kunnen beïnvloeden.

Bronnen op een rij
Bronnen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld. Verdonschot (2000) geeft een overzicht van brontypen, waarbij hij onderscheid maakt tussen:

Naast de eerder genoemde tweedeling weidebron/bosbron zijn brontypen te onderscheiden aan de hand van de landschappelijke ligging en de hoeveelheid uittredend water (hydrologische typering):

Landschappelijke typering
Bronnen liggen op (sterk) hellende plaatsen in de verschillende landschappen van Nederland. Er bestaat een groot verschil in ligging tussen de bronsituaties in het stuwwallandschap, het plateau- en terrassenlandschap, de duinen en het dekzandlandschap (Verdonschot 2000). Op stuwwallen liggen de bronnen hoog op de stuwwal in de erosiedalen. In het plateau- en terrassenlandschap liggen de bronnen juist aan de voet van de steilrand. Het grondwater komt in beide landschappen in een beperkt gebied aan de oppervlakte en stroomt uit in een bronbeek. De bronnen die dagzomen in de glooiende landschappen van de duinen en het dekzandlandschap treden (diffuus) aan de voet van een hoogterand uit.

- Stuwwalbronnen
Stuwwalbronnen worden aangetroffen in Gelderland en Overijssel. In de voorlaatste ijstijd zijn sedimenten met een verschillende doorlatendheid (tertiaire klei - keileem – zand – grind) als lagen op elkaar en over elkaar geschoven. Hierover is in een later stadium weer dekzand afgezet. Deze verschillen in doorlatendheid en de helling zijn bepalend voor de aanwezigheid van de bronnen.

- Terrasbronnen
Terrasbronnen komen alleen in Limburg voor. Belangrijk in de ondergrond van het terrassenlandschap zijn de afzettingen van klei met daarboven door de Rijn en Maas afgezette grove, grindhoudende zanden. Doordat de Maas en Rijn zich in een latere periode in de genoemde afzettingen insneden, maar zich ook langzaam verplaatsten, ontstonden de hoog-, midden- en laagterrassen (met de oorspronkelijke bodemlagen). De verschillende bodemlagen (met een eigen textuur) waaruit de terrassen zijn opgebouwd vormen, samen met abrupte hoogteverschillen langs de terrasranden, de basis voor het voorkomen van terrasbronnen.

- Dekzand- en duinbronnen
Dekzandbronnen komen voor in de glooiende dekzandlandschappen van Drenthe, Noord-Brabant, Gelderland Overijssel en (Noord-) Limburg. Eén van de belangrijkste glooiingsvormen in dit landschap zijn de beekdalen. Daar waar diepe beekdalen zijn gevormd en bodemlagen met een verschillende doorlatendheid dagzomen, kunnen dekzandbronnen voorkomen. In een zelfde vorm kunnen bronnen aan de rand van duinen dagzomen en uitstromen in duinrellen.

Hydrologische typering
Op basis van de hoeveelheid uittredend water per tijdseenheid worden drie hoofdtypen onderscheiden:

De droogvallende bronnen kunnen weer worden onderverdeeld naar de duur van de periode dat ze binnen een jaar droogvallen, dat wil zeggen dat er binnen die periode geen water aangevoerd wordt:
  • intermitterende bron: bron valt meer dan 6 maanden per jaar droog;
  • periodieke bron: bron valt 3-6 maanden per jaar droog;
  • temporaire bron (in strikte zin): bron heeft aan het eind van de zomer geen aanvoer van water. De bodem blijft echter vochtig/nat.
Kenmerkende plantengemeenschappen
Per brontype worden in de tabel hieronder de kenmerkende associaties genoemd en daaronder worden de kenmerkende soorten benoemd voor deze associaties (Schaminée et al. 2010, Van Gennip et al. 2007):

Brontype

Associatie

Bronnen met geconcentreerde, hoge afvoer

Associatie van Paarbladig goudveil; Goudveil-Essenbos; Tufmos-associatie.

Mineralenarme bronnen met pleksgewijze, matige tot diffuse lage afvoer

Bronkruid-associatie; Associatie van Klimopwaterronkel

Matig mineralenrijke bronnen met pleksgewijze, matige tot diffuse lage afvoer

Associatie van Paarbladig goudveil; Goudveil-Essenbos; Bronkruid-associatie; Associatie van Klimopwaterronkel

Mineralenarme, droogvallende bronnen

Associatie van Paarbladig goudveil; Bronkruid-associatie

Matig mineralenrijke beekbegeleidende bronnen

Associatie van Paarbladig goudveil; Bronkruid-associatie; Kegelmos-associatie; Goudveil-Essenbos

Mineralenarme tot mineralenrijke bronvijvers

Associatie van Vlottende bies; Associatie van Teer vederkruid

Kenmerkende diersoorten
Bronnen herbergen met hun karakteristieke, geconcentreerde en (semi) permanente (hoge) afvoer van water unieke faunakwaliteiten. Een deel van de kenmerkende fauna is aangepast aan de constante temperatuur van het water; de zogenaamde stenotherme soorten. Dit zijn platwormen, kreeftachtigen, kokerjuffers en vedermuggen. Het gaat om detrivoren, herbivoren en carnivoren (vergaarders, schrapers en verzwelgers). Daarnaast staan op de onderstaande lijst van doelsoorten een drietal ‘grote' diersoorten genoemd die gebonden zijn aan bronnen.

Kenmerkende bronsoorten

faunagroep

Nederlandse naam

Adicella filicornis

kokerjuffer

-

Agabus melanarius

waterkever

-

Apatania fimbriata

kokerjuffer

-

Arrenurus fontinalis

watermijt

-

Beraea maurus

kokerjuffer

-

Calopteryx virgo

libel

Bosbeekjuffer

Chaetocladius laminatus

vedermug

-

Cordulegaster boltonii

libel

Gewone bronlibel

Crenobia alpina

platworm

-

Crunoecia irrorata

kokerjuffer

-

Dendrocoelum boettgeri

platworm

-

Dixa maculata

meniscusmug

-

Drusus trifidus

kokerjuffer

-

Dugesia gongcephala

platworm

-

Elodes minuta

waterkever

-

Ernodes articularis

kokerjuffer

-

Heleniella ornaticollis

vedermug

-

Hydraena melas

waterkever

-

Hydroporus longulus

waterkever

-

Krenopelopia binotata

vedermug

-

Krenopelopia nigropunctata

vedermug

-

Laccobius atratus

waterkever

-

Lebertia lineata

watermijt

-

Lebertia stigmatifera

watermijt

-

Limnephilus ignavus

kokerjuffer

-

Micropsectra roseiventris

vedermug

-

Nemoura dubitans

steenvlieg

-

Niphargus aquilex

kreeft

-

Niphargus schellenbergi

kreeft

-

Parametriocnemus stylatus

vedermug

-

Phagocata vitta

platworm

-

Pisidium personatum

erwtenmossel

-

Plectrocnemia brevis

kokerjuffer

-

Polycelis felina

platworm

-

Proasellus cavaticus

zoetwaterpissebed

-

Salamandra salamandra ssp. terrestris

Amfibie

Vuursalamander

Sericostoma flavicorne

kokerjuffer

-

Simulium latipes

kriebelmug

-

Stempellinella brevis

vedermug

-

Thaumalea testacea

bronmug

-


De ‘grote' fauna
Libellen zijn opvallende insecten die een deel van hun leven als larven onder water doorbrengen. In Nederland komen twee soorten voor die in meer of mindere mate gebonden zijn aan bronnen. Voor de Gewone bronlibel en de Bosbeekjuffer geldt dat de binding aan bronnen met name gerelateerd is aan de uit bronnen voortvloeiende bronbeken. Beide soorten staan als bedreigd op de Rode Lijst.

De Gewone bronlibel is, zoals de naam al weergeeft, de meest aan bronnen gebonden libellensoort van ons land. De biotoop bestaat uit zuurstofrijke, schone bronbeekjes of kwelgevoede, beschaduwde bovenlopen van ongestoorde laaglandbeken met zandige bodems met fijne kiezels en lokaal slib (Bouwman et al., 2008). De larven leven meestal lang (3 tot 4 jaar) in het water waardoor het van essentieel belang is dat de bronnen over een langere periode waterhoudend zijn. In de permanente en semi-permanente bronnen is dit zeker aan de orde.

De Bosbeekjuffer is minder aan bronnen gebonden dan de Gewone bronlibel. De belangrijkste factoren van een geschikt leefgebied voor deze libel zijn een lage watertemperatuur en een hoge zuurstofverzadiging, factoren die vaak voor bronbeken gelden, waarmee deze een belangrijk leefgebied vormen. Daarnaast zijn beschaduwing (meer dan 60 %) en een matige doorstroom van belang (100-400 liter per seconde). Een goed ontwikkelde oevervegetatie en een flinke mate van meandering zijn eveneens belangrijke karakteristieken van een geschikt leefgebied (Groenendijk, 2002). De larven van de Bosbeekjuffer overwinteren meestal twee keer. Het is voor deze soort dan ook van belang dat de bronbeek permanent waterhoudend is, hetgeen bij de permanente en semi-permanente bronnen het meest voorkomt. In beken waar onnatuurlijke drempels voor extra zuurstof in het oppervlaktewater zorgen, ontstaan kunstmatige secundaire biotopen (o.a. de Dinkel).

De Vuursalamander is in Nederland de enige voorkomende landsalamander die specifiek afhankelijk is van bronnen. De soort komt met name voor in bronnen op kalkrijke bodems in vochtige loofbossen die worden doorsneden door bronbeekjes en is in haar verspreiding vrijwel beperkt tot Zuid-Limburg.


Met bijdragen van: Marcel Horsthuis, Jaap Bouwman, Fons Eysink & Bert Knol (november 2010).

Literatuur:

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website