Pad: Natuurtypen / Stenen elementen / Stenen dijken

Stenen dijken

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Cultuur- en natuurmonument
Als natuurtype even oud als hunebedden

KENSCHETS
Zout en zoet
Steen uit alle windstreken
Onze rotsplanten en -dieren
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

Cultuur- en natuurmonument
Dijken met een bekleding van steen zijn een typisch Nederlands verschijnsel. De versterking van dijken met steen is niet alleen voor het eerst in Nederland toegepast; de stenen dijken zijn nog steeds het meest algemeen in ons land. In het buitenland stelt men wat de veiligheid aangaat meer vertrouwen in de natuurlijke zeewering of in een minder harde begrenzing van de rivierbedding, en wordt slechts heel plaatselijk een stukje met een stenen beschoeiing versterkt.


Van nature komt er in Nederland buiten Zuid-Limburg geen steen aan de oppervlakte voor, met uitzondering van wat zwerfstenen. Alle organismen die gebonden zijn aan stenig milieu zijn hier dus cultuurvolgers. Dit proces van cultuurvolging is al eeuwen aan de gang en heeft geleid tot de ontwikkeling van een geheel eigen levensgemeenschap.

De oudere stenen dijken vormen tevens fraaie voorbeelden van de unieke Nederlandse cultuurgeschiedenis en hebben dus naast een ecologische ook een cultuurhistorische waarde. Toch is de aandacht voor stenen dijken, zowel vanuit de cultuurhistorische als de natuurbeschermingshoek minimaal gebleven. Er zijn tot dusverre nog nooit dijken als reservaat aangewezen. En dat is zo terwijl stenen dijken toch op te vatten zijn als een zwaar bedreigd milieutype. In de laatste decennia zijn de oudste rivierdijken en vrijwel alle dijken in het Deltagebied verzwaard en verhoogd. Bij al deze dijken is de originele structuur en bedekking van natuursteen, inclusief de daarop levende organismen, vernietigd en vervangen door een laag van nieuw gegoten beton.

Als natuurtype even oud als hunebedden

De historie van dijken met steenbedekkingen is goed gedocumenteerd, maar bij publiek en natuurbeschermers meestal onbekend. Lees voor het verband tussen stenen zeedijken en hunebedden verder op de pagina stenen elementen, onder het kopje ‘De samenhangende historie van stenen dijken en hunebedden'.

KENSCHETS

Zout en zoet
Dijken met een bekleding van steen vinden we langs de zeekust op plaatsen waar geen duinen zijn, en langs rivieren en andere binnenwateren. Een al dan niet aanwezige invloed van zout zeewater is heel bepalend voor de samenstelling van de begroeiing van stenen dijken. Een interessante ontwikkeling heeft zich daarbij voorgedaan op de dijken langs de voormalige Zuiderzee. De dijken langs de Zuiderzee besloegen bijna de helft van de totale lengte aan zeedijken. Na de afsluiting in 1932 begon de verzoeting van het water, de oevers en de dijken. Het water bevat al lange tijd alleen nog maar organismen die kenmerkend zijn voor het zoetwatermilieu. Op de dijken komen echter nu, dus 75 jaar na de afsluiting van de zee, nog steeds hier en daar ‘maritieme relicten'voor, soorten die wijzen op brakwatermilieu's en een verleden met zeeinvloed.


De verschillen in vorm, omvang en functie van dijken en de stenen dijkversterkingen hebben veel invloed op de begroeiing die zich op de stenen vestigt. De traditionele hoge stenen zeedijken en winterdijken in het rivierengebied moeten het water in alle gevallen, bij alle stormen en hoogwaters, tegenhouden. Dus vooral de naar het water gerichte voorkant moet sterk zijn en dat de kust mag over hele lengte geen zwakke plekken hebben. De zomerkades hoeven niet zo hoog te zijn omdat ze alleen de functie hebben het water in de zomer buiten de plaatselijke uiterwaarden te houden. Echter, ze moeten wél bestand te zijn tegen overspoeling in de winter. Dat betekent dat zowel de voor- als achterkant van de zomerdijken zo sterk moet zijn en daarbij is nogal eens versterking met steen gevraagd.

Steen uit alle windstreken

Voor de beschoeiing van zeedijken zijn vroeger hoofdzakelijk zwerfstenen gebruikt. De zwerfstenen bestaan uiteenlopende, allemaal zure gesteenten die in de voorlaatste ijstijd uit Scandinavië met het landijs zijn aangevoerd. Het betreft vooral graniet, maar ook gneis, gabbro, hoornblendeschist, syeniet etc.; de dijkenbouwers noemden het allemaal Noordse steen. De zwerfstenen hebben een min of meer ronde vorm, als gevolg van de afslijtende werking van het ijs toen ze in de gletscher zaten, op weg naar ons land. Vanwege de afgeronde vorm is het niet zo eenvoudig van zwerfstenen een aaneensluitende beschoeiing te maken en het levert een nogal een ongelijk oppervlak op.

De Zeeuwse zeedijken, die wat later dan de Hollandse werden aangelegd omdat men in Zeeland wel gewend was aan overstromingen, zijn in eerste instantie grotendeels belegd met een vrij harde kalkzandsteen uit het Belgische Vilvoorde. Deze steen bleek echter toch relatief snel te slijten. Vanwege fossiele insluitsels heeft hij ook veel gaatjes wat tot vorstschade kan leiden.

Toen de belangrijkste bron van zwerfstenen uitgeput was, dus van de prehistorische grafheuvels alleen de hunebedden overgebleven waren, werd basalt de meest populaire steen voor dijkbekleding. Basalt is zeer hard, maar goed te verwerken omdat basaltstenen een regelmatig hoekige vorm hebben en prima samen te voegen zijn tot een aaneensluitend en vlak stenen dek. Incidenteel werden later ook nog andere steensoorten gebruikt. Zo is de Wieringermeerdijk bijvoorbeeld belegd met de harde carbonische kalksteen, die ook wel stoepsteen genoemd wordt.

Tegenwoordig wordt vrijwel altijd beton of asfalt gebruikt. Het beton is vaak in hoekige, bazalt-achtige vorm gegoten en wordt dan basalton genoemd. In de bebouwde omgeving is al een overvloed van beton en asfalt aanwezig. Het overgaan op gebruik van beton in plaats van natuursteen voor dijkversterking komt neer op een vervlakking van milieudiversiteit (= nivellering) die op den duur zal leiden tot een verarming van de korstmosflora van ons land.

Onze rotsplanten en -dieren

De meerderheid van de Nederlandse korstmossoorten groeit op een stenen ondergrond en enkele zeedijken en voormalige Zuiderzeedijken behoren tot de plekken waar in Nederland de meeste Rode Lijst-korstmossen groeien; er zijn daar veel meer korstmossoorten te vinden dan in enig heidegebied of stuifzand. Veel van de korstmossoorten die op zeedijken voorkomen, komen nergens anders in ons land voor. Vaak zijn ze zelfs alleen op de zeedijken in bepaalde hoogtegordels ten opzichte van het water te vinden, enkele van de soorten zijn aangepast aan dagelijks een poos onder water staan. Rivierdijken hebben ook eigen soorten, waaronder enkele die afhankelijk zijn van incidentele overstroming.

We kunnen de korstmossenbegroeiing van zeedijken tot op zekere hoogte vergelijken met die van de hunebedden. Bij de hunebedden zijn de stenen gemiddeld genomen veel groter, maar de totale oppervlakte ervan is kleiner dan die van de zeedijken. Verder zijn de hunebedden altijd meer verspreid geweest, terwijl de zeedijken vroeger over grote afstanden met elkaar in verbinding stonden. Als een ondergrond voor begroeiing zijn de zeedijken en de hunebedden in dezelfde periode, na 1730 beschikbaar gekomen. Vrijwel alle nu aanwezige soorten moeten zich daar na die tijd gevestigd hebben.

Het lijkt er op dat de levensgemeenschap op de stenen dijken nog in ontwikkeling is, want er worden nu nog voortdurend nieuwe soorten op de dijken gevonden. Naast korstmossen zijn ook bladmossen op de stenen dijken een goed vertegenwoordigde groep. Daar hoort het aan zeewater gebonden Zee-achterlichtmos (Schistidium maritimum) bij en er zijn enkele bladmossoorten die alleen op kribben in rivieren voorkomen.

Op beton en baksteen komen vele soorten basenminnende topkapselmossen voor, vooral ook op vochtige of overstroomde delen. Van de hogere planten hebben vooral de varens zich hier en daar goed gevestigd op stenen dijken. Onder de vaatplanten zijn enkele zeedijkbewoners die elders op rotskusten groeien, onder andere Kustmelde (Atriplex glabriuscula), Zeekool (Crambe maritima) en Zeevenkel (Crithmum maritimum). Zeevenkel is onder invloed van de klimaatopwarming met een opmerkelijke opmars langs de Nederlandse kust begonnen.

De met basalton bedekte rivierdijken zijn vaak bedekt met meerdere soorten Vetkruid (Sedum soorten). Op stenen rivierdijken kunnen sommige stroomdalsoorten zich goed handhaven, bijvoorbeeld Wede (Isatis tinctoria) en Cypreswolfsmelk (Euphorbia cyparissias). Van de ongewervelde dieren is het met name enkele slakken gelukt zich permanent te vestigen op een aantal stenen dijken. Mogelijk zijn deze slakken daar steeds met kalkrijk steenmateriaal naar toe gebracht.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De vegetaties van stenen dijken zijn tot dusverre door vegetatiekundigen in Nederland onopgemerkt gebleven. Ze vertonen overeenkomsten met muurbegroeiingen en stroomdalgraslanden, maar zijn veelal soortenarm wat betreft vaatplanten en rijk aan mossen en vooral korstmossen. De begroeiingen van stenen dijken zijn niet vastgelegd als natuurdoeltype en staan niet op de lijst van te beschermen habitattypen.

Met bijdragen van:
André Aptroot, februari 2007

Literatuur:
Herk, CM van, LB Sparrius & A Aptroot, 2005. Hotspots van de korstmossen op de Rode Lijst vragen om een betere bescherming. De Levende Natuur 106: 20-25.

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website