Pad: Natuurtypen / Stenen elementen / Muren

Muren

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Kerken hebben de oudste muren
Forten, stadsmuren, grachtkanten, putten en graven

KENSCHETS
Vulkanisch tufsteen het oudst
Varens en andere sporenplanten
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

Kerken hebben de oudste muren
Van nature komt er in Nederland buiten Zuid-Limburg geen steen aan de oppervlakte voor. De oudste stenen gebouwen in Nederland zijn in de Romeinse tijd gebouwd. Van die tijdsperiode staan echter nauwelijks meer muren overeind, en die muuroppervlakte is van geen betekenis voor de natuur. Hierna kwam een periode van bijna 1000 jaar waarin hout en ander materiaal voor de constructie van gebouwen gebruikt werd. Pas in de middeleeuwen werden in ons land voor het eerst weer stenen muren gebouwd. Het ging daarbij om kerken, enkele kastelen en molens; stadsmuren werden aanvankelijk niet versterkt met steen. Hoewel enkele middeleeuwse kastelen in ons land behouden zijn gebleven, zit daar geen enkele oude muur meer bij; alles is in de loop der tijd, al dan niet na een verwoesting, vervangen. De oudste muren die bewaard zijn gebleven zijn middeleeuwse kerkmuren. Alle andere muren zijn van een veel recenter datum.

Het verschil van ouderdom van de muren is goed aan de begroeiing af te lezen. De oudste kerkmuren bevatten de grootste aantallen soorten korstmossen, als ze ten minste niet gepleisterd zijn of waren, wat vooral in het zuiden van het land op grote schaal gebeurt. De rijkdom aan vaatplanten hangt af van andere factoren, zoals de mate van verval van de muur, de mate van beschaduwing en verschillen in blootstelling aan zon en wind door een ‘expositie',een ligging, in noord- zuid- west- of oost-richting.

Forten, stadsmuren, grachtkanten, putten en graven

Er zijn behalve kerken ook andere objecten met oude muren. Veel van onze forten, hoewel vaak niet zo oud, bieden planten een rijke afwisseling van muur-milieu's door de grote variatie in expositie en in steensoorten. De meeste forten tonen bovendien allerlei stadia van verval omdat ze nooit gebruikt zijn. Voor sommige stadsmuren geldt hetzelfde. In stenen putten en op met stenen vastgelegde grachtkanten is vaak een speciale, enigszins vochtminnende, begroeiing ontstaan met veel varens en mossen. Putmilieu's vertonen enige overeenkomst met het milieu van grotopeningen. Muurtjes in de uiterwaarden herbergen vaak een heel eigen mosflora, vanwege de incidentele overspoeling met oppervlaktewater die hier plaatsvindt. Graven, grafmonumenten en sommige andere monumenten vertonen een heel eigen begroeiing, omdat ze vaak gemaakt zijn van een bijzondere steensoorten, bijvoorbeeld larvikiet of glimmerschist. De oudste grafmonumenten van de kerkhoven zijn niet zo heel oud, omdat de belangrijke doden tot ca. 1750 meestal in de kerk zelf begraven werden. Vanwege de variatie in gebruikte steensoorten kunnen begraafplaatsen toch een groot aantal plantensoorten herbergen.

KENSCHETS

Vulkanisch tufsteen het oudst
Nederlanders gebruiken in de bouw vanouds vooral baksteen en dakpannen. Daarin verschillen we met de buren in het buitenland waar vooral met natuurlijke steen wordt gewerkt. Toch zijn de oudste muren van ons land wél van natuursteen. In het zuiden hebben we de oude muren uit mergelblokken die uit de plaatselijke ondergrond stammen. In de rest van Nederland bestaan de oudste muren uit vulkanische tufsteen die per boot over de Rijn uit de Eifel in Duitsland werd aangevoerd. Deze steensoort is licht, goed te zagen en toch stevig. Heel veel oude kerken, en met name de torens, zijn geheel of gedeeltelijk uit dit materiaal opgetrokken. Pas later durfde men het aan om complete kerktorens met de veel zwaardere baksteen te bouwen.

Het ligt voor de hand dat een deel van de variatie in muurbegroeiingen samenhangt met de steensoort. Vaak worden voor hoekstenen en ornamenten andere stenen gebruikt, bijvoorbeeld zandsteen zoals Vilvoordse zandsteen of harde kalksteen. Harde kalksteen is ook veel gebruikt als stoepsteen. Ook het voegsel heeft een grote invloed op de vaatplanten- en mossenflora. Vroeger werd meestal schelpenkalk gebruikt om te voegen, in tegenstelling tot de tegenwoordig gebruikelijke Portlandcement. Dat cement is hard, zuur en blijft lang glad. De schelpenkalk is veel zachter en loogt makkelijker uit, waardoor mossen en vaatplanten zich makkelijker kunnen vestigen in de voegen. De opgeloste kalk zorgt verder voor buffering van de omringende, vaak vrij kalkarme, bakstenen. Hierdoor ontstaan op de bakstenen die met schelpenkalk zijn gevoegd gunstige omstandigheden voor korstmossen.

Vooral varens en andere sporenplanten

Alle organismen die gebonden zijn aan stenig milieu zijn hier cultuurvolgers. Dit proces is al wel eeuwen aan de gang en heeft geleid tot een heel eigen levensgemeenschap. De meerderheid van de Nederlandse korstmossen komt op steen voor. Enkele oude kerken behoren tot de plekken waar in Nederland de meeste soorten korstmossen groeien; er zijn daar veel meer korstmossoorten te vinden dan in enig heidegebied of stuifzand. De Oosterse schotelkorst (Lecanora pannonica) bedekt vaak hele tufstenen kerktorens, en heeft daar het zwaartepunt van zijn verspreiding in Nederland. Bladmossen zijn een andere belangrijke goed vertegenwoordigde groep, met o.a. het Steentjesmos (Leptobarbula berica), waarvan Nederland het zwaartepunt van de verspreiding vormt. Op de mossen kunnen ook enkele tientallen soorten paddenstoelen worden gevonden, met name Mosklokjes (Galerina soorten), Mosschijfjes (Octospora en Lamprospora soorten) en enkele Trechtertjes (Omphalina soorten). Van de vaatplanten hebben vooral de varens die zich zoals de mossen met kleine sporen verspreiden, zich op veel plaatsen gevestigd. Het aantal van de vaatplanten die zich vestigen hangt sterker samen met de mate van het verval van de muur dan met de ouderdom. Veel forten, stadsmuren, muren rond begraafplaatsen en grachtkanten zijn aanzienlijk soortenrijker dan veel kerken. De kerkmuren kunnen weliswaar ouder zijn, maar ze worden meestal goed schoongehouden.
Van de ongewervelde dieren is het voornamelijk enkele slakken gelukt zich permanent op muren te vestigen. In de holtes van de muren nestelen hommels, bijen en wespen. De stadsmuren van Maastricht herbergen de enige wilde populatie in Nederland van de Muurhagedis (Lacerta muralis). Verder het vermelden waard: de Boerenzwaluw (Hirundo rustica), Huiszwaluw (Delichon urbica) en Gierzwaluw (Apus apus) nestelen tegen muren. Vleermuizen gaan schuil in kleine en grotere holtes in stenen muren, vooral in holtes van forten en riolen.

P
lantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
De volgende vegetaties zijn aan muren gebonden: De Associatie van Kandelaartje en Plat beemdgras (13Aa2), de Associatie van Klein Glaskruid (21Aa1), de Muurbloem-associatie (21Aa2), de Muurvaren-associatie (21Ab1), de Tongvaren-associatie (21Ab2) en de Rompgemeenschappen van Muurvaren, Muurleeuwenbek, Gele helmbloem en Liggend vetmuur en Muursterretje. De begroeiingen van muren zijn niet vastgelegd als natuurdoeltype en staan niet op de lijst van te beschermen habitattypen.

Met bijdragen van:
A. Aptroot, maart 2007.

Literatuur:
Schaminée, JHJ, EJ Weeda & V Westhoff, 1998. De vegetatie van Nederland. Deel 4: Kust en binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Uppsala.

Weeda, EJ, JHJ Schaminée & L van Duuren, 2003. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 3: Kust en binnenlandse pioniermilieus. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website