Pad: Natuurtypen / Moeras

Moeras

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Getemde wildernis
Vroeger turfwinning, nu waardevolle veenmoerassen

KENSCHETS
Verschillende soorten moeras
Schoon water
Moerasvegetatie verjongt zich in schoon water
Diersoorten
Herintroductie van soorten
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Getemde wildernis
Moerassen met zoet of enigszins brak water zijn in Nederland wijd verspreid. Nederland heeft een aantal grote moerasgebieden die internationaal bekend zijn: de Olde faenen, de Wieden en Weerribben, het Naardermeer, de Hollands-Utrechtse Vechtplassen, de Biesbos en Oostvaardersplassen. Ze liggen in laagland-landschappen: laagveen en zeeklei. Kleinere moerassen komen in alle streken van het land voor, ook in hooggelegen vlakten, in de kustduinen en het rivierengebied. Ze ontstaan overal daar waar water blijft staan of stagneert: in verlandende plassen en meren, oude rivierarmen, kanalen, en ook langs stromende rivieren en beken. Gevoed door een overvloed aan water waarvan de stand vaak sterk fluctueert, maar niet diep in de grond wegzakt, herbergt het moeras doorgaans een bijzonder rijke planten- en dierenwereld. Vooral jonge natuurgebieden en sommige uitgestrekte laagveenmoerassen lijken sterk op wildernissen. De natuur heeft in veel moerassen, groot of klein, een meer of minder grote mate aan vrijheid, maar is toch altijd enigszins tam gemaakt. In Nederland wordt de waterhuishouding immers overal onder controle gehouden. Voor de ontginning en veiligheid van de landbouw en de woonkernen werden de natte gebieden vanouds verdeeld in afzonderlijke poldereenheden, die door dijken of kaden werden gemarkeerd en werden drooggemalen. In de polders en nieuwe compartimenten reguleren nu automatische stuwen en pompen en allerlei andere moderne hydrologische kunstwerken het waterpeil. De grote ‘open' weelderige moerassen zonder bomen, bijv. rietmoerassen, zijn ontstaan doordat opslag van bomen en struiken steeds wordt afgemaaid of gekapt.
Het merendeel van de natte landschappen zijn meer of minder intensief ontwaterd en ontgonnen.

Vroeger turfwinning, nu waardevolle veenmoerassen
Doordat de mens in de moerassen ging maaien voor riet- of hooiwinning, vormden zich grote rietvelden, zeggemoerassen met veenmosgroei en natte schraallanden. De veengebieden werden ook op grote schaal gebruikt voor turfwinning ten behoeve van de brandstofvoorziening. Vanaf oeverwallen, veenstroompjes of gegraven weteringen gingen de eigenaars grote en minder grote moerassen in lange percelen verkavelen en verkopen. Turfwinners groeven in die percelen het veen weg. Eerst gebeurde dit nog boven het niveau van de waterspiegel, later werd er ook onder water gewerkt. Met een baggerbeugel (een soort emmertje op een lange steel) baggerde men veenmateriaal omhoog in de sloten: de pet- of trekgaten. Vervolgens legde men de bagger of ruwe turf op uitgespaarde stukken land, de zogenaamde ribben en legakkers te drogen. Op veel plaatsen werden smalle ribben of legakkers later weggespoeld door golfslag. Zo ontstonden veenplassen die almaar groter werden. Men wilde niet dat nog meer grond in het water verdween en had behoefte aan nieuwe landbouwgrond. Dus werden tussen 1800 en 1950 de meeste van de grote veenplassen met krachtige gemalen drooggemalen. Enkele gedeeltelijk verveende en ontgonnen grote laagveengebieden, zoals De Nieuwkoopse Plassen, De Wieden en De Weeribben, zijn niet drooggemalen en die bleven tot op vandaag als waardevolle natte natuur- en recreatiegebieden behouden. In het geval van het Naardermeer faalde de drooglegging.
Na verloop van tijd werd de turfwinning opgegeven en de vraag naar riet en hooi kleiner. In plassen (petgaten) waar de turfwinning gestopt was, begon de groei van water- en moerasplanten en veenmossen weer en opnieuw vormde zich veen. Waar de riet- en hooiwinning niet werd toegepast of stopte, vormde zich drassig bos, broekbos genaamd. Door deze ‘verbossing' is de oppervlakte aan open moeras nu veel kleiner dan in 1850 en 1900 en neemt ze verder af.


KENSCHETS

Verschillende soorten moeras
Moerassen ontlenen hun naam aan ‘moer' dat betekent veengrond, slik. Wij vatten met dit begrip hier alle zoetwater- en licht brakke open moerassen samen. Het meest bekend en algemeen zijn wel de voedselrijke rietlanden die gedomineerd worden door Riet (Phragmites australis). In voedselarme, zure moerassen groeit vooral veenmos (Sphagnum) en verder cypergrassen en ijl riet of Gewone dophei (Erica tetralix). Moerassen kunnen zeer soortenrijk zijn en tal van zeldzame planten herbergen, waaronder soms ook zeldzame orchideeën zoals Veenmosorchis (Hammarbya paludosa). Moerassen zijn in te delen op basis van de herkomst van het water. Rietmoerassen en grote-zeggemoerassen worden vooral gevoed door oppervlaktewater, trilvenen en kalkmoerassen door grondwater en veenmosrietlanden en veenheiden vooral door regenwater.
Gemaaid rietland, overjarig rietland, kalkmoeras, trilveen, veenmosrietland en moerasheide hebben elk een ander beheer nodig en worden hier als aparte natuurtypen behandeld. Drassige en venige bossen rekenen we niet bij moeras maar bij natuurtypen van het natuurbos, en natte graslanden bij het grasland. Hoogveen neemt een bijzondere positie in en omsluit twee natuurtypen. Karakteristiek voor hoogveen is een veenmosdek en mozaïek van laagblijvende heide en ijle slenkvegetaties.

Schoon water
Moerasgroei vindt alleen plaats in of langs wateren met een bepaalde waterkwaliteit. Mensen beïnvloeden de waterkwaliteit, omdat ze hun afval in het water lozen en daardoor allerlei stoffen aan het water toevoegen die daar van nature niet in aanwezig zijn. Regenwater raakt vervuild door luchtverontreiniging. Het grondwater vervuilt via inzijging van dit regenwater en door verontreiniging van de bodem. Schoon water kunnen we hier eenvoudigweg definiëren als water met geen of heel weinig menselijke toevoegingen die de flora en fauna veranderen. Het is nooit hypertroof, dat wil zeggen nooit overmatig voedselrijk met zeer hoge gehaltes aan fosfaat en stikstof. Voor meer over waterkwaliteit zie onder andere Laagveen en zeekleilandschap en Meren, plassen en sloten.

Moeras verjongt zich in schoon water
Op beschutte plaatsen in stilstaand open water vindt een proces plaats dat verlanding genoemd wordt. Het is een kernproces in moerassystemen. Het proces begint met waterplantenvegetatie van bijv. kranswieren (Charophyceae), fonteinkruiden (Potamogeton), blaasjeskruiden (Utricularia) en wat later Krabbenscheer (Stratiotes aloides). Vervolgens vestigen zich in de onderwaterbodem wortelende planten - zogenoemde helofyten - en/of planten die drijftillen vormen of kraggen. Sommige helofyten, bijv. Riet kunnen in de onderwaterbodem wortelen maar zich ook langzaam vanuit de oever uitbreiden en kraggen vormen. Wanneer de afbraak van afgestorven plantendelen langzamer plaatsvindt dan de aanwas, raakt het water opgevuld met plantenmateriaal ofwel veen. De snelheid waarmee het veen zich ophoopt is enerzijds afhankelijk van de productiviteit van de vegetatie, en anderzijds van de afbraaksnelheid. Voedselrijkere wateren zullen eerder dichtgroeien dan voedselarme wateren, tenzij ze door algen of blauwalgen gedomineerd worden. In harde wateren zal de veenvorming langzamer verlopen dan in zachtere wateren omdat de afbraaksnelheid in harde wateren hoger ligt. Tijdens het afbraakproces van organische biomassa kan zich methaan (aardgas) vormen. Drijftillen en kraggen met een zeer dicht vlechtwerk en een hoog aandeel aan dood materiaal hebben een groot drijfvermogen als gevolg van gasophoping. Er vormen zich gasbellen die gevangen raken in de dichte veen- en wortelmassa. Waarschijnlijk dragen ook de sterk vertakte, holle wortelstokken van grote helofyten als Mattenbies (Schoenoplectus lacustris), Kleine lisdodde (Typha angustifolia) en Riet bij aan het drijfvermogen.
Vegetatietypen volgen elkaar op in een successiereeks. Het eindstadium na tientallen of honderden jaren is bos. Sterke golfslag en wind verhinderen verlanding en slaan gaten in de vegetatie. In een intact natuurlijk moeras begint de reeks steeds opnieuw in water dat die gaten vult.
De successiereeksen van kleine mesotrofe wateren of grote voedselrijke (= eutrofe) plassen verschillen. Voor de start en het verloop van de verlanding is de waterhuishouding de cruciale factor. Door veranderingen in het waterregime en vermesting en vervuiling - met fosfaat, nitraat en sulfaat - van het oppervlaktewater zijn de plantengroei en de afbraakprocessen verstoord. Er zijn lange tijd nauwelijks jonge verlandingsgemeenschappen van voedselarm schoon water bijgekomen. Dat was in het verleden wel heel anders: rond 1850 groeiden waterplanten en drijftillen zo weelderig, dat het gebruikelijk was ze te oogsten voor de bemesting van akkers. Door in soortenrijke trilvenen en andere schraallanden van de verlandingsreeks maaibeheer toe te passen, zijn deze vegetatietypen in natuurgebieden behouden gebleven. Om de karakteristieke laagveengebieden in stand te houden, met de open landschappen van de plassen, rietlanden, trilvenen, schrale graslanden en alle bijbehorende flora en fauna, is het toepassen van maaibeheer op den duur niet genoeg. Het blijkt nodig om de waterhuishouding en waterkwaliteit te verbeteren en geregeld dichtgegroeide trekgaten open te maken en/of nieuwe trekgaten te graven. Daar, in schoon open water, kan het verlandingsproces dan opnieuw beginnen indien er zaden of sporen beschikbaar zijn.

Diersoorten
Veel diersoorten, bijvoorbeeld de otter en een aantal vogelsoorten, zijn niet gebonden aan een specifieke moerasbiotoop, maar meer aan een combinatie van riet- of schraallandmoeras en open water en eventueel drassig bos. Van de vogels zijn daarvan het meest bijzonder: Kwak (Nycticorax nycticorax), Roerdomp (Botaurus stellaris), Woudaap (Ixobrychus minutus), Purperreiger (Ardea purpurea), Porseleinhoen (Porzana porzana), Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) en Kwartelkoning (Crex crex). Van de zoogdieren zijn de Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), Dwergmuis (Micromys minutus), Otter (Lutra lutra) en Meervleermuis (Myotis dasycneme) heel karakteristiek, van de amfibieën zijn dat de Rugstreeppad (Bufo calamita) en Heikikker (Rana arvalis), die ook veel in de heide voorkomt, van de reptielen de Ringslang (Natrix natrix). De meest karakteristieke vlinders zijn Grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava), Zilveren maan (Boloria selene), Hooibeestje (Coenonympha pamphilus), Groot dikkopje (Ochlodes faunus) en Argusvlinder (Lasiommata megera). Karakteristieke kokerjuffers zijn Anabolia brevipennis en Limnephilus incisus.

Herintroductie van soorten
In ‘jonge' nieuw gemaakte open wateren zijn de eerste stadia van verlanding nog steeds schaars. Het is mogelijk dat de waterkwaliteit in orde is, maar dat de vestiging van water- en moerasplanten toch uitblijft omdat er geen zaadbank aanwezig is en het moeras te zeer is versnipperd. Herintroductie valt dan te overwegen. In een aantal laagveenwateren is herintroductie via diasporen of individuen geprobeerd, met wisselende resultaten. Soorten als Krabbenscheer (Stratiotes aloides), Slangenwortel (Calla palustris), fontein- en blaasjeskruiden verdwijnen op sommige locaties binnen een paar jaar weer, terwijl ze op andere na vijf jaar nog aanwezig zijn. Het is veelal onduidelijk wat de verschillen in het succes bepaalt. Duidelijk is echter wel, dat het inbrengen van zaden alleen zinvol is wanneer de waterkwaliteit in orde is en het water helder genoeg is. Over de gewenstheid van deze herintroductie van planten- en diersoorten en de kans van slagen verschillen de meningen sterk.
De herintroductie van o.a. de Zilveren Maan in het gebied de Meije in West Nederland laat zien dat de soort daar kan overleven, maar helaas was de soort in 2007 nog met 3 exemplaren aanwezig en in 2008 volledig verdwenen uit de Meije.


Met bijdragen van:
Moniek Nooren, 5.9.2006 en Boudewijn Beltman, 15 mei 2007

Literatuur:
Jalink M.H. 1996. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Deel 2 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.
Catalogi Bedrijfssturing Natuur, Bos Recreatie en Landschap, 2002/3. Staatsbosbeheer, DriebergenBarendregt, A., B.Beltman, E.Schouwenberg, G. van Wirdum, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verdroging, verzuring en stikstofdepositie op trilvenen (Noord-Holland, Utrecht en Noordwest- Overijsssel). Rapport EC-LNV nr. 2004/281-O, Ede.

Lamers, L.P.M., P.J.J. van den Munckhof , M. Klinge & J.T.A. Verhoeven, 2004. Verdroogd, vermest, verstard en versnipperd; hoe moet dat nu met onze laagveenwateren ? In: G.A. van Duinen e.a. (red.). Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit - 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp. 109-169.

Leerdam, A. van & J.G. Vermeer 1992. Natuur uit het moeras! Naar een duurzame ecologische ontwikkeling in laagveen moerassen. Rapport Rijksuniversiteit van Utrecht, Staatsbosbeheer Driebergen.

|

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website