Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11)Ambtelijk concept d.d. 24-02-2010, nog niet bestuurlijk vastgesteld
Droge schraalgraslanden N11
Inhoud van deze pagina:
Karakteristiek
Ontstaan
Beheertypen
Verwante natuurtypen
Voorkomen en areaal
Belang
Beleids- en/of beheeropgaven
Karakteristieken Droge schraalgraslanden zijn gevarieerde, grazige begroeiingen op droge plekken in het landschap. Ze zijn soortenrijk dankzij het feit dat de grond tamelijk (maar niet extreem) voedselarm is, met een extensief gebruik of beheer door de mens. Dit laatste leidt ertoe dat vaak overgangen aanwezig zijn naar struweel, wat gunstig is voor de fauna. Andere bodemeigenschappen (zoals de zand- en leemfractie en het kalkgehalte) kunnen regionaal sterk variëren, waardoor de soortensamenstelling zeer wisselend is.
Ontstaan
Droge schraalgraslanden zijn lang geleden meestal ontstaan uit droge natuurbossen die werden gekapt, verbrand en beweid. Ze ontstonden in de hogere delen van het land op bodems die van nature tamelijk basenrijk zijn. Vermoedelijk is een deel van de droge schraalgraslanden er door uitputting van de bodem en door natuurlijke uitloging geleidelijk ‘doorveranderd' in droge heide. In bijvoorbeeld Zuid-Limburg hebben ze een lange geschiedenis van voornamelijk begrazing. In de lagere delen van het land (rivier- en beekdalen) wordt de vereiste basenrijkdom van de bodem op peil gehouden via periodieke overstroming.
Beheertypen
Het natuurtype omvat één beheertype:
De verschijningsvorm kan per regio behoorlijk verschillen.
Verwante natuurtypen
Overeenkomstige habitattypen
De volgende habitattypen van Natura2000 kunnen voorkomen in dit natuurtype:
Voorkomen en areaal
Gelet op de benodigde voedselrijkdom (of -armoede) van de bodem, liggen droge schraalgraslanden in ons land grofweg op twee plekken in het landschap. In de hogere delen van Nederland (stuwwallen, dekzandgebieden, lössgebieden) gaat het om de plekken die van nature het voedselrijkst zijn. In de lagere delen van het land echter (rivier- en beekdalen) gaat het juist om plekken die het meest voedselarm zijn.
Het natuurtype is tegenwoordig schaars en de locaties zijn versnipperd. Het type kwam vroeger op veel grotere schaal voor, maar de meeste plaatsen zijn ontgonnen voor landbouwgrond of beplant met bos.
Belang
Ecologisch
De grote natuurwaarde is gelegen in het voorkomen van een groot aantal karakteristieke soorten, waaronder vlinders en orchideeën.
Europees verband
Dit natuurtype komt overeen met 6 habitattypen van de Habitatrichtlijn (vertaald in Natura 2000).
Beleids- en/of beheersopgaven
Randvoorwaarden voor een goede ontwikkeling
- De belangrijkste randvoorwaarde voor het natuurtype is dat de matige voedselrijkdom in stand blijft. De bodem mag niet substantiëel verrijken via de lucht of de bodem. Door hun relatief hoge ligging in het landschap ondervinden droge schraalgraslanden meestal geen gevaar voor toevoer van meststoffen via grond- of oppervlaktewater, al zijn in Zuid-Limburg lokaal wel problemen met oppervlakkige afstroming vanuit hoger gelegen akkers na stortbuien; Het natuurtype heeft actief graslandbeheer of -gebruik nodig om in stand te blijven, anders zal het zich opnieuw ontwikkelen in richting van natuurbos.
Knelpunten en opgaven
De belangrijkste opgaven zijn:
- Vermindering van de stikstofdepositie. Droge schraallanden zijn zeer gevoelig voor vermesting. De grootste bedreiging in natuurgebieden is dan ook atmosferische depositie van stikstof- (en vroeger ook van zwavel-) verbindingen, die leiden tot ongewenste dominantie van bepaalde grassoorten en toename van de bosopslag. Naast vermindering van de stikstofdepositie zijn effectgerichte maatregelen nodig op de plaatsen die reeds vergrast en verbost zijn.
- Instandhouden en herstellen van enkele specifieke omstandigheden. Sommige zeldzame en bijzondere typen van droog schraalgrasland (zoals zinkweiden en stroomdalgraslanden) zijn afhankelijk van grootschalige (incidentele) waterprocessen met erosie en sedimentatie. Zo dienen de Zuid-Limburgse zinkweiden weer aanvoer te krijgen van zinkhoudend slib, en is het voor stroomdalgraslanden belangrijk dat zij voldoende aanvoer krijgen van schoon kalkrijk water.
- Terugdringen van versnippering. Versnippering is een groot probleem voor de instandhouding van duurzame populaties van karakteristieke soorten. Onder andere in de provinciale gebiedsplannen wordt daarom voorzien in een belangrijke uitbreiding van dit natuurtype, deels door omvorming van andere natuurtypen, deels ook via natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden. De effecten van versnippering kunnen deels ook worden beperkt door het inzetten van gehoede kuddes die worden verplaatst van het ene terrein naar het andere. Op deze manier worden (vooral via de wol en de mest) zaden van soorten verspreid.
- Begrazing is verder een prima manier om droge schraalgraslanden te beheren, vooral in de vorm van drukbegrazing. Daarbij worden relatief veel dieren gedurende korte tijd geweid, al dan niet in combinatie met maaien. Grassen worden daardoor minder dominant en pioniersoorten krijgen kans om te herstellen.
Redactie Ommering, G, 'Index Natuur en Landschap, Beschrijving Natuurtypen', Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Den Haag 2010.
| Droog schraalland (N11.01) |
Pagina bijgewerkt op: 02-08-2012