Pad: Landschapstypen / Zee en wad / Bedreigingen en Beheeropgaven

Zee en wad

 

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Morfologie
Waterkwaliteit: slibhuishouding
Waterkwaliteit: nutriënten
Waterkwaliteit: vervuilende stoffen
Klimaatverandering en bodemdaling
Bodemberoering en andere activiteiten
Overexploitatie van soorten
Toename van exoten
Verstoring
Preditatie van kustbroedvogels
Met Bijdragen van

Algemeen
Hoewel de waddengebieden nog tot de meest natuurlijke ecosystemen van Nederland behoren, hebben zij ten opzichte van de natuurlijke situatie belangrijk aan kwaliteit verloren. De Waddenzee staat onder druk door factoren van binnenuit, zoals morfologische veranderingen door bedijkingen en inpolderingen in het verleden, baggerwerkzaamheden, visserij, recreatie, en door factoren van buitenaf zoals klimaatverandering, het terugdringen van eutrofiëring en visserij op de Noordzee. In de Eems-Dollard spelen problemen met troebelheid, emissies van contaminanten en gebrek aan dynamiek als gevolg van kanalisering en inpoldering (afname kwelders en zoet-zout overgangen). Tegelijkertijd vinden er grootschalige ontwikkelingen plaats in de Eemshaven met o.a. de voorgenomen bouw van drie energiecentrales en verdere verbreding en verdieping van de vaargeul.

In de Oosterschelde spelen onomkeerbare morfologische veranderingen veroorzaakt door de Deltawerken, een afname in doorzicht van het water en de invasie door de Japanse Oester. In de Westerschelde spelen effecten van de vaargeulverruiming door bagger- en stortwerkzaamheden en de aanleg van leidammen. Deze hebben geleid tot een toename van hoogdynamische estuariene milieus en een afname van de soortenrijkere laagdynamische milieus, zoals slikken en schorren. Het immer toenemende aantal vaarbewegingen van zeeschepen brengt ook risico's mee.

Morfologie
Vooral aan de landzijde zijn de vroegere estuaria door inpolderingen en bedijkingen sterk verkleind en voorzien van harde begrenzingen. Door afsluitingen, zoals van de Lauwerszee en de Zuiderzee, zijn stromingspatronen veranderd en zijn de komberging en het areaal waar slib kan bezinken, afgenomen. Effecten van deze veranderingen op de hoeveelheid slib in de waterkolom en de verdeling van bezonken slib kunnen decennialang voortduren.

De gevolgen hiervan zijn het grootst in de Oosterschelde, waar het getijvolume door de Deltawerken met 28% is verkleind. Dit heeft geleid tot ‘zandhonger' in de geulen, die proberen hun afmetingen aan te passen aan de geringere hoeveelheid doorstromend water. Omdat de stormvloedkering de aanvoer van zand uit de Voordelta vrijwel heeft afgesneden, gebeurt dit door erosie van de droogvallende platen. Ook op de schorren is erosie gaan overheersen bij gebrek aan slibaanvoer. Deze ontwikkelingen waren voorspeld, maar de gevolgen zijn sneller merkbaar dan verwacht. Vooral de afname van de droogvalduur van platen en slikken is problematisch, omdat deze de tijd bekort waarin vogels op de drooggevallen platen kunnen foerageren en de condities voor het voorkomen van bodemorganismen verandert. Op de lange termijn (>100 jaar) zullen droogvallende platen in Oosterschelde zelfs geheel verdwijnen.

De overgang van het natte wad naar de vastelandskust is door bedijkingen op veel plaatsen scherp en hard geworden, met nadelige gevolgen voor biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Natuurlijke verjonging van kwelders is erdoor beperkt, waardoor veroudering plaatsvindt die leidt tot minder variatie in biotopen en soorten. Daarnaast vangt vooral de vegetatie van de jonge kwelders veel slib in, zodat de zeespiegelstijging bijgehouden kan worden en de inwerking van golven op dijken wordt verminderd.

Zoete en zoute watersystemen zijn van elkaar gescheiden geraakt door dijken en kades met een beperkt aantal spuisluizen en gemalen. Levensgemeen­schappen van zwak brak water zijn zeldzaam geworden en (vis)soorten die tussen zoet- en zoutwater migreren, worden in hun migratie gehinderd. Door grote, grillige en schoksgewijze schommelingen in de uitstoot van zoet water ontstaan zoetwaterbellen die tot ver in de Waddenzee doordringen en kunnen leiden tot sterfte onder zoutwaterorganismen.

Waterkwaliteit: slibhuishouding
Vertroebeling van het water door zwevend slib beperkt de primaire productie en daarmee de draagkracht van het ecosysteem. Het leidt tot foerageerproblemen voor op het oog jagende vogels zoals sterns en futen. Uit de beschikbare meetgegevens blijkt geen eenduidige trend in de troebelheid van de Waddenzee, maar dit is vermoedelijk vooral een gevolg van beperkingen in de meetreeksen. De historische verspreiding van sublitoraal zeegras in de westelijke Waddenzee indiceert dat het doorzicht vóór de afsluiting van de Zuiderzee niet beperkend is geweest voor de groei. Het verkleinen van de Waddenzee heeft stromings­patronen veranderd en het areaal waar slib kan bezinken, verkleind. Baggeren vindt periodiek plaats in havens en vaarwegen en brengt slib in suspensie bij het baggeren zelf en bij het storten. Indirect beïnvloedt baggeren lokale stroomsnelheden. In het Eems estuarium hebben morfologische veranderingen door kanalisatie, vaargeulverdieping en grootschalige onderhoudsbaggerwerken geleid tot een sterke toename in concentraties zwevend slib. Delen van de Eemsbedding stroomop­waarts van Emden zijn tegenwoordig 's zomers gevuld met 'fluid mud' en vrijwel zuurstofloos, met grote gevolgen voor de lokale fauna. Ook in de Westerschelde hebben grootschalig baggeren en vaargeulverbreding geleid tot vertroebeling. Elders wordt ook slib uitgewassen door omwoeling van de bodem bij visserij op mosselzaad, garnalen en schelpen, het opschudden van mosselkweek­percelen, zandwinning en zand­suppleties.

In de Oosterschelde is na de aanleg van de stormvloedkering en de compartimenterings­dammen in 1987 het doorzicht van het water eerst sterk toegenomen door de lagere stroomsnelheid en slibaanvoer. In de afgelopen 15 jaar is het doorzicht echter weer bijna gehalveerd, waardoor de primaire productie in sommige delen is afgenomen. De oorzaak is niet zwevend slib, maar waarschijnlijk een toename van opgeloste humuszuren die het water kleuren. Deze lijken afkomstig te zijn uit veenlagen die vroeger bedekt werden door sediment dat als gevolg van de zandhonger naar de diepere geulen is verdwenen. De precieze oorzaken en gevolgen voor het ecosysteem worden echter nog niet goed begrepen.

Waterkwaliteit: nutriënten
Tussen 1950 en de jaren '80 is de nutriëntenbelasting van het kustwater sterk gestegen door sterke eutrofiëring vanuit de landbouw en rioolwater. Dit verhoogde aanbod van voedingsstoffen ging gepaard met een verdrie­voudiging van de primaire productie door fytoplankton en fytobenthos in de Waddenzee. Sindsdien is door verbeterde waterzuivering en efficiënter gebruik in de landbouw de toevoer van fosfaat en (in mindere mate) stikstof weer afgenomen. Daarbij is de primaire productie weer licht gedaald, maar is de biomassa van het plankton vrijwel gelijk gebleven. Dit betekent dat de verhouding tussen primaire productie en biomassa (P:B ratio) is afgenomen. Daarmee is ook de draagkracht van het ecosysteem voor filtrerende schelpdieren, die immers bepaald wordt door de primaire productie, gedaald. De schelpdierbestanden werden hierdoor kwetsbaarder voor overbevissing, die rond 1990 leidde tot voedseltekorten bij schelpdieretende vogels. In de Dollard heeft een sterke terugdringing van de eutrofiëring door afvalwaterlozing geleid tot grote veranderingen in de bodemfauna en een afname van benthosetende vogelsoorten. Hoewel deze veranderingen feitelijk een terugkeer naar een meer natuurlijke systeemtoestand weerspiegelen, beperken ze wel de speelruimte voor menselijke activiteiten.

Waterkwaliteit: vervuilende stoffen
De rivieren in de regio, inclusief de ‘kustrivier' langs de Hollandse kust, zijn de belangrijkste transporteurs van xenobiotische stoffen naar de waddengebieden. De hoge concentraties van gechloreerde koolwaterstoffen, die in de jaren '50 en '60 leidden tot massale sterfte en populatiecrashes bij Zeehonden, Eiders, Grote Sterns en vele andere soorten, en de concentraties van metalen zijn sterk gedaald. Doelen voor veilige concentraties in sediment en organismen worden echter nog lang niet voor alle stoffen overal gehaald. Bovendien zijn een aantal ‘nieuwe' potentieel schadelijke stoffen zoals hormoonverstoorders en vlam­vertragers toegenomen.

Klimaatverandering en bodemdaling
De nu optredende veranderingen in het klimaat zullen op velerlei manieren invloed hebben op het waddenecosysteem. Aan de positieve kant zal een hogere gemiddelde luchttemperatuur (2-5 oC in de komende eeuw) leiden tot een lager energieverbruik door overwinterende watervogels en een verminderde kans op sterfte door dichtvriezen van hun foerageer­gebied. De gevolgen hiervan zijn al zichtbaar in een (noord)oost­waartse verschuiving van het zwaartepunt van de NW-Europese winterverspreiding van veel wadvogelsoorten.

Een hogere watertemperatuur (1,5 oC in afgelopen 30 jaar) zal gunstig zijn voor de overleving en reproductie van benthische organismen die zijn aangepast aan warm water, zoals de Japanse Oester, maar heeft negatieve gevolgen voor de conditie en recrutering van de nu meest talrijke schelpdiersoorten. Hogere watertemperatuur leidt bij de koudbloedige schelpdieren tot een grotere metabolische activiteit, en daardoor tot meer gewichtsverlies in de winter en een geringe voortplanting in de volgende zomer, die wellicht nog wordt versterkt door een verhoogde predatie op de juveniele stadia door jonge Garnalen. Dit kan leiden tot een afname in de beschikbaarheid en profitabiliteit (vlees:schelpratio) van voedsel voor schelpdieretende vogels.

Klimaatsscenario's zijn onzeker of een verhoogde frequentie is te verwachten van het aantal stormsituaties met extreem hoge golfhoogten en wateropzet, met mogelijke gevolgen voor  zandaanvoer en kustvorming. In de afgelopen decennia is echter wel een duidelijke toename opgetreden in de frequentie van hoge vloeden, vooral in het vogelbroedseizoen. Deze heeft geleid tot het vaker wegspoelen van eieren en jongen van kwelderbroedvogels. Voor sommige soorten, waaronder de Scholekster, is nu al aannemelijk dat dit bijdraagt aan populatie­afnames.

Zeespiegelstijging leidt, wanneer de aanvoer van zand uit de Noordzee dit proces niet kan bijhouden, tot een verminderde droogvalduur van slikken en platen en een beperking van de foerageertijd voor wadvogels. Mogelijk leidt dit uiteindelijk tot het geheel onder water verdwijnen van de platen. Momenteel wordt de drempelwaarde van relatieve zeespiegelstijging, waarbij de Waddenzee ‘verdrinkt', geschat op zo'n 60 cm per eeuw, maar er is variatie tussen getijdebekkens (30 cm) en kwelders (90 cm). Deze kritische waarden liggen dicht bij de verwachte snelheid van zeespiegelstijging (85-120 cm in de komende eeuw, plus 10 cm bodemdaling, totaal 95-130 cm).

Bodemdaling versnelt het effect van zeespiegelrijzing. De bodem van de Nederlandse kustzone daalt als gevolg van een natuurlijk geologisch proces, maar lokaal ook door gaswinning. De bodemdaling boven het grote Groningse gasveld Slochteren strekt zich uit onder de kwelders en het wad. Kleinere velden zijn Zuidwal, Blija, Moddergat en Lauwersoog. Op de twee meest recente locaties gebeurt de winning onder voorwaarde dat dit niet leidt tot ecologische schade door bodemdaling, maar voor de langer bestaande locaties is dit ‘hand aan de kraan' principe niet verplicht. Tot nog toe is er ondanks uitgebreide monitoring­ en onderzoek echter geen duidelijke schade geconstateerd. Bodemdaling als gevolg van gaswinning verhoogt wel de zandvraag, met gevolgen voor de erosiesnelheid van de Noordzeekust van de Waddeneilanden.

Een veranderd neerslagregime met meer neerslag in de winter en meer geconcentreerde neerslag in de zomer zal leiden tot een grotere variatie in de afvoer van zoet water, met mogelijk gevolgen voor organismen binnen het bereik van de ontstaande zoetwaterbellen.

Verzuring van wateren is een direct effect van CO2, dat effecten kan hebben op dieren met een kalkskelet. In de Noordzee is een daling van de pH gemeten, maar in de Waddenzee nog niet, mogelijk als gevolg van buffering door de schelpenrijkdom.

Bodemberoering door visserij en andere activiteiten
Diverse vormen van visserij en schelpenwinning, maar ook baggeren, baggerstort en kustzandsuppleties, gaan gepaard met intensieve beroering of bedekking van de bodem in geulen en/of platen. Deze meer of minder diepe omwoeling leidt tot verstoring van het sediment met de daarin en daarop levende organismen en tot uitspoeling van slib (zie Waterkwaliteit: slibhuishouding). De tijdsschaal waarop bodemdier­gemeen­schappen zich kunnen herstellen, varieert sterk tussen soorten. Voor veel biobouwers is de hersteltijd zo groot dat zij bij de huidige frequentie van bodemverstoring geen bestaansmogelijkheid hebben. Voor sommige andere soorten schelpdieren lijkt intensieve bodemberoering via een gewijzigde sedimentsamenstelling te leiden tot minder goede vestigingsmogelijkheden voor broedval. Daarnaast hebben sommige visserijen door overbevissing van de doelsoorten een directe negatieve invloed op het ecosysteem en op de voedselbeschikbaarheid voor vogels (zie Overexploitatie van soorten). 26% van het droogvallende deel van de Waddenzee is gesloten verklaard voor de bodemberoerende visserij. De geulen binnen deze platen mogen echter wel worden bevist.

Winning van dode (meest fossiele) schelpen is toegestaan in 40-50% van het diepe water van de Waddenzee (onder 5 m -NAP), in Marsdiep, Vlie en het Friese zeegat. Winning vindt plaats met een steekhopperzuiger die de schelpen uitzeeft en het zand weer overboord spoelt. Waar schelpen­voorraden worden verwijderd, verdwijnt ook de epifauna. Het onttrekken van schelpen aan de Waddenzee zorgt voor enige verhoogde zandvraag in de Noordeezeekust.

De garnalenvisserij is de meest omvangrijke visserijtak in de Waddenzee en vindt plaats in de sublittorale delen en op laaggelegen littorale wadplaten. Aan beide zijden van het schip wordt een ca. 9 m breed net over de zeebodem voortgesleept, opengehouden door een ijzeren boom. Effecten op de wadbodem worden vaak relatief gering geacht, omdat niet zoals bij de boomkorvisserij met wekkerkettingen wordt gewerkt, maar met rollers. Aantasting van de epifauna door het schuren van het net kan echter niet worden uitgesloten. Zachte biogene structuren onder de laagwaterlijn (zoals Sertularia) komen vrijwel niet meer voor. Bijvangst zoals platvis wordt uit het net geweerd met een wijdmazig keerwant (‘zeeflap'), of met een spoeltrommelzeef van de garnalen gescheiden en overboord gezet. Naar de kwantitatieve betekenis van bijvangst wordt momenteel onderzoek verricht.

De belangrijkste grondstof voor de mosselkweek in Nederland is het mosselzaad, kleine mosselen uit de meest recente broedval die worden opgevist van de wilde banken. Overbevissing van de droogvallende mosselbanken rond 1990 heeft belangrijk bijgedragen tot hun verdwijnen en tot een reductie van de aantallen overwinterende Scholeksters. Sinds 1993 is de visserij op littorale banken nog maar zeer beperkt toegestaan. De najaarsvisserij in het sublittoraal richt zich op de ‘instabiele banken', die (bijvoorbeeld door storm) dreigen te verdwijnen gedurende de winter. Bij de voorjaarsvisserij wordt de rest van het sublittoraal bevist; in totaal gemiddeld 60% van de broedval. De jonge mosselen worden uitgezaaid op kweekpercelen, waar ze kunnen groeien en enkele keren worden verplaatst. Het netto effect van de mosselcultuur op de totale hoeveelheid sublittorale mosselen in de Waddenzee, en daarmee op de voedselbeschik­baarheid voor Eider en Topper, is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat een klein gemiddeld positief effect omslaat in een afname na meerdere jaren met weinig zaadval. Waarschijnlijk is de biodiversideit van epibiontische organismen op mosselkweekpercelen aanzienlijk geringer dan op ongestoorde natuurlijke mosselbanken.

De mechanische kokkelvisserij was tot in het recente verleden de tweede grote visserij op schelpdieren in de Nederlandse wateren. Ze veroorzaakte een directe reductie van kokkelbestanden en het voedselaanbod voor vogels zoals Scholekster, Eider, Zilvermeeuw en Kanoet, maar is ook geassocieerd met veranderingen in de lokale sedimentsamenstelling met negatieve gevolgen voor vestiging van Kokkels zelf en andere schelpdieren zoals Nonnetjes. De mechanische kokkelvisserij is per 2005 verboden, maar handkokkelvisserij is sindsdien zelfs uitgebreid. Hierbij worden kokkels verzameld met een hark met een zakvormig net die lopend over de bodem wordt getrokken. Opgeviste kokkels worden met een klein bootje naar een groter schip vervoerd. Het vissen gebeurt bij afgaand en opkomend water. In de praktijk vindt de visserij vooral plaats op de dichtst bezette kokkelbanken. Het vissen veroorzaakt lokale verstoring van de bodemfauna en een (kwantitatief onbekende) reductie in de voedselvoorraad voor schelpdieretende vogels. Het grootste negatieve effect ontstaat wellicht door verstoring van de omgeving van foeragerende vogels.

Bij mechanische pierenwinning worden tijdens hoogwater Wadpieren geoogst met een boot die met de ankerlier naar het anker wordt toegetrokken terwijl een snijbak een sleuf graaft in de wadbodem. De visserij heeft lokaal een effect op de dichtheid van Wadpieren, en dus op de beschikbaarheid daarvan voor vogels die deze eten, en op de overige bodemfauna, waarvan het herstel meerdere jaren duurt. Er zijn nu nog vier vergunninghouders, maar er geldt een uitsterfbeleid. Zeepieren en zagers worden daarnaast op allerlei plekken bij laagwater door individuele verzamelaars uit het sediment geschept, tot ca. 35 cm diepte. Pierensteken vindt plaats vanaf het vaste land en onder de eilanden. De activiteit verstoort hier foeragerende wadvogels.

Overexploitatie van soorten
In het verleden zijn ca. twintig grotere diersoorten (bijna) uit de Waddenzee verdwenen door te intensieve bejaging en bevissing, waaronder Europese Oester, Stekelrog Raja clavata, Pijlstaartrog Dasyatis pastinaca, Steur Acipenser sturio en Gewone Zeehond. De laatste heeft zich sterk hersteld. De visserij op mosselzaad en Kokkels is sterk aan banden gelegd na sterke aanwijzingen voor overexploitatie. Een combinatie van overbevissing, winterstormen en het uitblijven van zaadval door warme winters in de jaren '90 leidde tot het vrijwel verdwijnen van droogvallende mosselbanken, zeer kleine schelpdierbestanden en massale emigratie en sterfte bij Eider en Scholekster.

Toename van exoten
Door actieve en passieve import bereiken steeds meer nieuwe soorten afkomstig uit andere delen van de wereld de Nederlandse kustwateren. Het gevaar bestaat dat sommige van deze ‘exoten' het verdwijnen van autochtone soorten kunnen bewerkstelligen, door een grotere concurrentiekracht of betere aanpassing aan veranderende omstandigheden zoals het opwarmende zeewater. Als exoten lang genoeg domineren, kunnen ze een aanzienlijke invloed op het ecosysteem uitoefenen.

De Japanse oester concurreert in de droogvallende gebieden met de overige bodemdier­gemeenschappen. In de Oosterschelde heeft hij tot dusver een grotere dominantie bereikt dan in de Waddenzee en lijkt een verband te bestaan tussen zijn opkomst en veranderingen in de soortsamenstelling van het fytoplankton. Recent onderzoek dat een vergelijking maakte tussen Japanse Oesters en Mosselen lijkt aan te geven dat de oester geen reductie in de epibenthische biodiversiteit of biomassa veroorzaakt. In gemengde banken was de totale hoeveelheid biogeen hard substraat veel groter dan in door mosselen gedomineerde banken. Dit lijkt de belangrijkste factor te zijn voor vestiging van epibionten. In Nederland zijn er wel anekdotische observaties van specifieke locaties dat deze soort de Mossel mogelijk volledig zal wegconcurreren. Het is nog de vraag hoe de oesters het gebruik van het wad door vogels beïnvloeden. Oesters zelf lijken lastige prooien voor de meeste vogels, hoewel sommige zee-eenden, Scholeksters en Zilvermeeuwen wel op jonge oesters hebben leren foerageren.

Verstoring
In en rondom het natte waddengebied verblijven en verplaatsen zich grote aantallen mensen en voertuigen, die aanleiding geven tot verstoring en vluchtgedrag bij diersoorten. Deze menselijke activiteit is deels beroepsmatig en deels recreatief van aard. Beide vormen van verstorende activiteit, maar vooral de recreatieve, nemen in intensiteit toe.

De verschillende waddenhabitats kennen hun eigen meest voorkomende vormen van verstoring. Op het open water is dat scheepvaart. De beroepsvaart en zeescheepvaart komen in principe niet buiten de gemarkeerde vaarwegen, maar vissersschepen wel. Recreatievaart vindt op de hele Waddenzee plaats, vooral in voorjaar en zomer, met de hoogste dichtheden rond de jachthavens en sluizen en de belangrijkste routes naar de waddeneilanden. In de omgeving van dijken en stranden wordt lokaal gewindsurft en gekitesurft. Op droogvallende platen speelt verstoring van rustende zeehonden en foeragerende vogels. Voorbijvarende schepen spelen hierin een rol, maar belangrijker zijn mensen die zich op de platen bewegen of er verblijven: wadlopers, pierenstekers, handkokkelaars, hengelaars, bivakkerende kanovaarders en opvarenden van droogvallende schepen. Langs de kusten treedt ook verstoring van op het wad foeragerende vogels op door wandelaars, fietsers en verblijvende recreanten op dijken en strandjes. In de kustzones zelf speelt vooral verstoring van broedplaatsen en van hoogwatervluchtplaatsen waar vogels rusten die bij laagwater op het wad foerageren. Militaire, civiele en recreatieve luchtvaart kunnen in al deze habitats verstoring veroorzaken, al zijn deze activiteiten beperkt tot specifieke delen van het gebied en tot bepaalde minimale vlieghoogtes.

Verstoring van vogels en zeehonden springt het meest in het oog, maar ook vissen en Bruinvissen Phocoena phocoena kunnen verstoord worden door onderwatergeluid of de contouren van naderende schepen. Verstoring uit zich doordat dieren hun natuurlijke activiteit onderbreken of vluchten. Deze reactie is tijdelijk, maar leidt soms wel tot een verhoging van de energieuitgaven (bv. opvliegende vogels) en vaak tot een reductie van de voedselopname. Als deze niet op een later tijdstip kan worden gecompen­seerd, kan dit leiden tot verminderde conditie en verhoogde sterftekansen van individuen. Verstoring van broedende vogels kan ook direct leiden tot sterfte van eieren en jongen door blootstelling aan kou of predatie, maar werkt doorgaans vooral via een reductie van de voedselaanvoer naar het nest. Vaak voorkomt verstoring zelfs al de vestiging van broedvogels. Bij Zeehonden is vooral verstoring van zogende vrouwtjes problematisch, doordat de voedselopname door de jongen wordt onderbroken en er soms toe leidt dat moeder en jong elkaar kwijtraken.

Op veel plaatsen wordt verstoring beperkt door gebiedsafsluitingen (vaak alleen in het broedseizoen) en zonering van activiteiten (bv. kitesurfen, vliegcorridors). Deze maatregelen zijn effectiever voor (de meer geconcentreerd voorkomende) broedvogels dan voor vogels buiten het broedseizoen, terwijl juist ook in die delen van het jaar een sterke toename in recreatiedruk heeft plaatsgevonden. Bij de broedvogels is een probleem dat vaak wel de broedplaatsen van verstoring worden gevrijwaard, maar niet de zich daarbuiten uitstrekkende foerageergebieden.

Onze kennis van effecten van verstoring beperkt zich grotendeels tot momentane effecten op individuen (opvliegafstanden en terugkeertijden) en vestiging van broedvogels. Doorwerking van herhaalde verstoring op individuen en populaties is nog (veel te) weinig onderzocht. Het is niet onwaarschijnlijk dat mede als gevolg daarvan de effecten van verstoring op verspreiding en aantallen vogels in de Waddenzee worden onderschat.

Predatie van kustbroedvogels
De karakteristieke broedvogels van waddengebieden zijn bijna allemaal grondbroeders die kwetsbaar zijn voor predatie. Van nature broedden zij daarom op voor landroofdieren moeilijk bereikbare plaatsen zoals zandplaten, eilanden, en kwelders. Infrastructuurontwikkeling heeft veel van deze plekken beter bereikbaar gemaakt, terwijl door de beperking van de geomorfologische dynamiek onvoldoende nieuwe plaatsen ontstaan die een alternatief bieden. Ontwikkelingen in het achterland hebben geleid tot een uitbreiding van diverse soorten predators. De Vos Vulpes vulpes kwam vroeger vrijwel niet voor op de vastelands­kwelders, maar is daar nu geregeld aanwezig, wat heeft geleid tot het grotendeels verlaten van deze kwelders door koloniebroeders, zoals Kokmeeuw Larus ridibundus en Visdief Sterna hirundo. Ook de waddeneilanden met hun grote broedkolonies zijn kwetsbaar, zoals in 2009 bleek na de opzettelijke introductie van Vossen op Vlieland.

Met bijdragen van:
Hans Schekkerman en Bruno Ens, november 2010.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website