Pad: Landschapstypen / Grote zoete wateren / Bedreigingen en Beheeropgaven

Grote zoete wateren

Inhoud van deze pagina: 

BEDREIGINGEN
Onnatuurlijke morfologie van oevergebieden
Eutrofiering / nutriëntenbelasting
Onnatuurlijk peilbeheer (hydrologie)
Slib
Verruiging en ontzilting van oevers
Verstoring door recreatie
Exoten
Visserij en andere bedreigingen voor visstand
Ganzen

Onnatuurlijke morfologie van oevergebieden
Bij een groot deel van de oevers is sprake van een harde rand tussen land en water (stortsteen of een ander type oeverbekleding). De geleidelijke overgang tussen land en water is daardoor vaak onderbroken. Door erosie kan de oeverafslag van onverharde oevers zonder gesloten rietbegroeiing aanzienlijk zijn. Dit heeft in het verleden vaak genoopt tot het aanbrengen van harde oeverbescherming, op dan wel op enige afstand vóór de oeverlijn.

Eutrofiering/nutriëntenbelasting
Met het rivier-, beek- of inlaatwater komen grote hoeveelheden nutriënten de meren binnen. Deze belasting leidt tot allerlei eutrofiëringverschijnselen. Algenbloei komt in geëutrofieerde meren vaak voor, bijvoorbeeld drijflagen van de blauwalg Microcystis die voor grote overlast zorgen. Door de sterke toename van het fytoplankton wordt het water troebel. Doordat minder licht in het water doordringt verdwijnen de waterplanten die in het ondiepe water groeien. Als de waterplantenbegroeiing verdwenen is woelt de bodem gemakkelijker op onder invloed van windgolven, wat het lichtklimaat nog verder aantast. In samenhang hiermee verandert de visgemeenschap en gaat Brasem domineren. Deze heeft de eigenschap dat hij de bodem doorwroet op zoek naar voedsel, en daarbij ook grote hoeveelheden bodemdeeltjes opwoelt. Kortom, het water gaat van helder naar troebel. Er is sprake van alternative stable states, zie Betekenis en Kenschets onder Waterplantenrijk water.

Hydrologie (peilbeheer)
Onnatuurlijk waterpeil leidt tot achteruitgang van oevers en oevergebieden. In de voormalige estuaria veranderde na de afsluiting de dynamiek van de vegetatie van de lagere delen van de oevers drastisch. Met name biezenvelden en laaggelegen rietvegetaties verdwenen door afslag of ganzenvraat. Ze konden zich niet herstellen door het gebrek aan plas-dras milieus die afwisselend droog en overstroomd zijn. Hetzelfde geldt voor begroeiingen met waterriet, dat het grootste deel van het jaar in het water staat. Bij een vast peil is en concentratie van de golfwerking op een smal stukje van de oever kan dan snelle oeverafslag optreden.

Slib
In grote zoete wateren is veel slib in omloop. Er is een continue aanvoer van vers slib vanuit rivieren en door het bezinken van afgestorven algen. In geëutrofieerde meren blijft het slib in ondiepere delen door wind en bodemwoelende vissen (zoals Brasem) steeds in opwerveling, waardoor het water troebel blijft. Verslibbing van de bodem heeft effecten op de bodemfauna, in het bijzonder verstikking van filterende bodemorganismen zoals Driehoeksmosselen.
Foto 3 Grote zoete wateren  foto 4 Grote zoete wateren
Links het Volkerak (de Prinsesseplaat), rechts Driehoeksmosselen in het Volkerak. Foto’s Hugo Coops

Verruiging en ontzilting van oevers
Bij de verandering van de oorspronkelijk estuariene gebieden in zoete meren is de vegetatie van de oevergebieden sterk veranderd. Terwijl in de lage oever door oeverafslag een deel van de vroegere schorvegetatie verdwijnt en plaats maakt voor open water, veranderen de hogere delen van de oever onder invloed van verdroging, ontzilting en ophoping van organisch materiaal. De verandering in de lage oevers gaat meestal snel, maar op de hogere oevers gaat het veranderingsproces lange tijd door, en zal – als er geen beheersmaatregelen worden genomen – uiteindelijk meestal tot voedselrijk bos leiden. In veel oevers ontwikkelt het riet- en biezenmoeras dat in eerste instantie ontstond zich geleidelijk naar voedselrijke ruigte en wilgenstruweel. Het oorspronkelijke mozaïek van vegetaties wordt steeds eenvormiger.

Verstoring door recreatie
Door het intensieve recreatieve gebruik van het open water, treedt vaak verstoring op van watervogels. Recente ontwikkelingen als de toename van het aantal ligplaatsen voor boten, sterk verstorende activiteiten zoals het kite-surfen, en het steeds langer wordende recreatieseizoen vormen een steeds groter probleem voor watervogels. Vooral in de ruiperiode zijn watervogels gevoelig voor de nabijheid van recreatieve activiteiten.

foto 5 Grote zoete wateren
Waterrecreatie op het IJmeer bij Muiderberg. Foto Hugo Coops

Exoten
Steeds weer arriveren nieuwkomers die de oorspronkelijk aanwezige flora en fauna beïnvloeden. Een voorbeeld hiervan is de komst een Oost-Europese vlokreeft, Dikerogammarus, die een duidelijk negatieve invloed heeft op de soortensamenstelling van de bodemfauna. Ook de Aziatische korfmossel (Corbicula spp.) is massaal binnengedrongen, maar de effecten van deze soort op andere organismen zijn minder duidelijk. In de oevervegetatie zijn op veel plaatsen nieuwe ruigteplanten opgedoken waarvan een enkele plaatselijk dominant is geworden (zoals Late guldenroede, Reuzenbalsemien, en Reuzenbereklauw). Onder de vogels nemen de aantallen van soorten als Knobbelzwaan, Canadese gans en Nijlgans toe.

Visserij en andere bedreigingen voor visstand
Visserij heeft een grote invloed op de samenstelling van de vis in grote wateren. Door selectief wegvissen van de grote vis kan kleinere vis een groter aandeel in de populatie gaan uitmaken. Het wegvangen van viseters (piscivoren) leidt tot toename van de planktoneters (planktivoren). Dat geeft een hogere predatie van zooplankton, waardoor fytoplankton minder wordt begraasd – wat tot meer algenbloei leidt. Het wegvangen van Brasem daarentegen leidt tot minder bodemwoeling en daarmee tot helderder water. In grote wateren zijn deze voedselketens complexer dan in kleinere omdat er veel habitats zijn waartussen vissen kunnen migreren. Migratie naar andere watersystemen (zee, rivieren) wordt overigens gehinderd door barrières als dammen, dijken en stuwen.
Het ontbreken of onbegroeid zijn van ondieptes betekent voor veel vissoorten een minder gunstige situatie voor voortplanting.

Ganzen
De aantallen ganzen in de oevergebieden van de grote zoete wateren zijn in de laatste decennia sterk toegenomen. Ganzen verblijven graag in moerasbegroeiingen, waar ze rust en voldoende voedsel (jonge scheuten en wortelstokken van riet en biezen) vinden. Waterriet heeft sterk te lijden onder ganzenvraat. Het vaste waterpeil zorgt er bovendien voor dat kiemplanten steevast worden opgeruimd vóór ze tot volwassen rietplanten kunnen opgroeien. Vestiging van riet en biezen op daarvoor geschikte plaatsen komt daardoor nagenoeg niet voor. Zie ook Ganzengrasland.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website