Pad: Landschapstypen / Laagveen en zeeklei / Bedreigingen en Beheeropgaven

Laagveen en zeeklei

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN EN BEHEEROPGAVEN
Hydrologische relaties met omgeving zijn sterk aangetast: verlies aan biodiversiteit
Stagnerende verlanding knelpunt voor biodiversiteit en functioneren van laagveensystemen
Verdroging
            Aanvoer van gebiedsvreemd water
            Verstarring van het waterpeil
Vermesting
            Vermesting door aanvoer van gebiedsvreemd water
            Sulfaat belangrijk bij interne eutrofiëring
            Sommige vissoorten kunnen bijdragen aan vermesting
            Vermesting door stikstofdepositie
            Vermesting door agrarisch gebruik van oevers en veenweiden
            Haarvatenstelsel van schone sloten biedt kansen voor herstel soortenrijkdom
Verzuring
Versnippering 
Met bijdragen van
Literatuur
 
Hydrologische relaties met omgeving zijn sterk aangetast: verlies aan biodiversiteit
Het grootste probleem in het laagveen- en zeekleilandschap is dat de natuurgebieden niet langer op een meer natuurlijke wijze gevoed worden door het grond- en oppervlaktewater. Om verdroging van natuur- en landbouwgebieden te voorkomen, wordt in de meeste gevallen gebiedsvreemd water ingelaten. Een deel van de natuurgebieden staan bovendien onder invloed van een onnatuurlijk waterpeilregime in het belang van de landbouw: 's winters laag peil, 's zomers hoog peil. Hierdoor zijn over het algemeen veel minder watertypen aanwezig, vermindert de dynamiek en stagneert de verlanding. Dit betekent verlies van biodiversiteit.
Een ander waterhuishoudkundig probleem op iets kleinere schaal is, dat vanwege het intensieve sloten- en greppelstelsel nauwelijks nog deelgebieden aanwezig zijn met een voldoende mate van hydrologische isolatie. Daardoor kan daar bijvoorbeeld geen zelfstandig functionerend hoogveensysteem ontstaan.
Laagvenen en zeekleiafzettingen hebben zich oorspronkelijk ontwikkeld in de laagstgelegen delen van het landschap. Hier was permanent sprake van waterverzadiging en een continue of periodieke aanvoer van mineraalrijk water vanuit de omgeving. Dit betrof zowel oppervlaktewater als grondwater dat toestroomde vanuit regionale hydrologische systemen.
Vanaf de late Middeleeuwen raakte het laagveen- en zeekleilandschap steeds meer verdeeld in compartimenten, de polders en later droogmakerijen. Natte natuurgebieden zijn tegenwoordig vooral te vinden in boezemlanden en kleinschalig verkavelde polders. De grotere en jongere polders en droogmakerijen kregen voornamelijk een landbouw- en woonfunctie. Door verregaande ontwateringen is de bodem juist in deze delen van het laagveengebied sterk geklonken. Het gevolg is dat de natuurgebieden waar natte condities gewenst zijn, tegenwoordig hoger in het landschap liggen dan de gebieden met landbouw-, bebouwing- en verkeerfuncties waar droge condities gewenst zijn.
In laagveenwateren die vroeger beïnvloed werden door brak grond- of oppervlaktewater, zoals in Nieuwkoop, Ilperveld en in delen van De Weerribben, trad in de eerste helft van de vorige eeuw geleidelijk ontzilting op door de vorming van het zoete IJsselmeer en een gewijzigd boezembeheer.
Verdroging, verstarring van het waterpeil, vermesting en verzuring zijn een uitvloeisel van deze hydrologische veranderingen op landschapsschaal. Van deze processen spelen verdroging en versnippering in eerste instantie op landschapsschaal een rol.

Stagnerende verlanding knelpunt voor biodiversiteit en functioneren van systemen
Verlandingsvegetaties zijn zeldzaam geworden in Nederland. Zelfs als er kraggen aanwezig zijn, is toch maar op een klein aantal locaties sprake van daadwerkelijke verlanding. Dit betekent dat de venen hun functie als koolstofvastlegger verloren hebben en tegenwoordig netto koolstof verliezen. Dit is een belangrijk knelpunt voor het behoud van het laagveenlandschap. Veenvorming en verlandingssuccessie zijn belangrijke sturende processen voor de biodiversiteit, ook op landschapsschaal.
Kennis over sturende factoren bij veenvorming en successie in vroege verlandingsstadia ontbreekt grotendeels. Belangrijke oorzaken van uitblijvende verlanding, de vorming van drijftillen en kraggen, lijken de afgenomen peildynamiek en de te grote voedselrijkdom van veel laagveenwateren. Methaanvorming, het resultaat van de zuurstofloze afbraak van veen, speelt een belangrijke rol in het laten opdrijven van kraggen. Op locaties rijk aan nitraat of sulfaat wordt kraggenvorming via het opdrijven van veen sterk geremd, doordat de productie van methaan zeer laag is. De vorming en uitbreiding van helofytengordels is afhankelijk van een relatief hoog gehalte aan voedingsstoffen, peilfluctuaties en de eventuele ophoping van sulfide en andere gifstoffen.
Verder biedt ook versnippering een verklaring voor het uitblijven van verlanding. Sleutelsoorten in de verlandingsreeksen zijn soms lokaal verdwenen en de mogelijkheden om nieuwe gebieden te bereiken zijn vaak beperkt. Herstelbeheer door het bieden van nieuwe kansen voor de soorten die nog in de zaadbank in de bodem aanwezig zijn kan hier eventueel een oplossing bieden. 
 
Verdroging
Ontwatering van omringende gebieden heeft de hydrologie van vrijwel alle laagvenen sterk veranderd. Door de daling van de grondwaterstand in de omgeving en de inklinken van landbouwgebieden is in de twintigste eeuw in laagveengebieden kwel verminderd, weggevallen of zelfs omgeslagen in wegzijging. Op andere plaatsen is sprake van een sterk toegenomen wegzijging. Vooral het veranderen van een opwaartse grondwaterstroom, vaak aangeduid als kwel, in een neerwaartse stroming die als wegzijging of inzijging wordt aangeduid, heeft grote gevolgen gehad voor de waterbalans en de waterkwaliteit. Dit is één van de grootste landschapsecologische knelpunten in het huidige laagveen- en zeekleigebied.
Grondwatervoeding van laagvenen in de vorm van diepe regionale kwel komt tegenwoordig nog maar op beperkte schaal voor, in gebieden nabij de hogere zandgronden, zoals de Weerribben en de Vechtplassen. Vaak is hierbij sprake van een tijdelijk optreden van kwel in natte perioden, gevolgd door inzijging in droge tijden. Oppervlakkig door het veen stromend water en zijdelingse uitwisseling van water via legakkers levert in een groot aantal gebieden een belangrijke bijdrage aan de water- en nutriëntenvoorziening. Daarbij gaat het vaak niet om toestroming van grondwater van regionale oorsprong, maar om lokale kwel vanuit oppervlaktewatersystemen. 
 
Aanvoer van gebiedsvreemd water
Om verdroging van natuur- en landbouwgebieden te bestrijden, wordt veelal gebiedsvreemd water ingelaten. Een groot deel van Nederland wordt in droge tijden gevoed met water dat indirect afkomstig is uit de grote rivieren, vooral de Rijn. Het inlaten van gebiedsvreemd water draagt doorgaans bij aan vermesting van laagveenwateren (zie Afbeelding 2). Natuur- en waterbeheerders zijn dan gedwongen te kiezen tussen twee kwaden: het gebied laten verdrogen of het laten vermesten. 


  
 
Afbeelding 2: Het inlaten van gebiedsvreemd water om verdroging te compenseren leidt vaak tot eutrofiëring, zoals in dit petgat. Draadalgen domineren, terwijl de laatste Krabbescheerplanten wegkwijnen (inzet). Foto L. Lamers. 
 
Verstarring van het waterpeil
Binnen het laagveen- en zeekleilandschap is sinds het begin van de 20e eeuw een sterke vermindering van de peildynamiek opgetreden. Dit vormt een belangrijk knelpunt voor natte natuur in het laagveen- en zeekleigebied. Onder natuurlijke omstandigheden is het winterpeil in oppervlaktewateren meestal hoger dan het zomerpeil. Op veel plaatsen in Nederland is echter een onnatuurlijke situatie ontstaan door sterke regulering van polderpeilen. De peilen worden het hele jaar door op een vrijwel constant niveau gehouden: dit wordt bedoeld met verstarring van het waterpeil. Vaak zijn daarbij de peilen 's zomers iets hoger dan 's winters wat de onnatuurlijkheid nog verhoogt.
De hedendaagse verstarring van de peilen heeft te maken met de gewenste versnelling van de afvoer van het neerslagoverschot in de winter en een watertekort in de zomer. Bovendien wordt in een groot aantal plassen en vaarten het waterpeil in de zomer hoog gehouden om pleziervaart mogelijk te maken.
De afname van de natuurlijke fluctuaties van het waterpeil heeft een aantal ongunstige gevolgen voor de water- en oevervegetatie. Het water is nu in het groeiseizoen dieper dan vroeger en daardoor zijn de licht- en kiemingscondities voor een aantal soorten verslechterd. Doordat de golfwerking zich nu concentreert op een klein deel van de oever, kan mechanische schade optreden aan oevervegetaties.
In veel gebieden draagt vermindering van de peildynamiek bovendien bij aan vermesting van de laagveenwateren. Het is mogelijk dat met de dikker wordende waterlaag de kweldruk vermindert, en met de afname van de grondwatertoevoer neemt dan ook de ijzeraanvoer af. Dit kan fosfaateutrofiëring veroorzaken (zie onder vermesting). Als gevolg van de verminderde peildynamiek vallen veel onderwaterbodems minder vaak droog, vindt daar minder neerslag van fosfaat met ijzer plaats, en heersen er permanent zuurstofloze omstandigheden (zie ijzerhuishouding). Met de stagnatie en opstuwing van het water stagneert ook de afvoer van voedings- en gifstoffen. Dit is op den duur slecht voor bijvoorbeeld rietvegetaties. En dat vormt een ernstige bedreiging voor rietvogels zoals Baardman (Panurus biarmicus) en Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) die sterk afhankelijk zijn van vitaal (water)riet.
Meer natuurlijke peilfluctuaties zijn belangrijk voor de ontwikkeling en het voortbestaan van veenvormende vegetaties en andere vegetaties in het laagveen- en zeekleigebied. Het toelaten van peilfluctuatie is echter in gebieden die ook andere functies dan natuur hebben, niet altijd mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan wonen en infrastructuur of recreatie en bevaarbaarheid.  
 
Vermesting
Vermesting speelt in vrijwel alle natuurtypen binnen het laagveen- en zeekleilandschap. Op landschapsschaal is vermesting een gevolg van de genoemde hydrologische veranderingen. Daarnaast vormt aanvoer van voedingsstoffen via atmosferische depositie en de landbouw een belangrijke bron van vermesting, hoewel deze in de laatste twee decennia gelukkig aanzienlijk afgenomen is. Op standplaats- en ecosysteemniveau wordt vermesting vaak aangeduid als eutrofiëring. 
 
Vermesting door aanvoer van gebiedsvreemd water
Laagveenbodems bevatten grote hoeveelheden stikstof en fosfaat. Deze zijn van nature echter ingekapseld in afgestorven organisch materiaal zoals veen en daarom niet beschikbaar voor planten. Aanvoer van gebiedsvreemd water kan deze vastgelegde voedingsstoffen echter ‘mobiliseren': ze komen beschikbaar als voedingsstoffen voor planten. In dit geval vindt eutrofiëring plaats zonder noemenswaardige aanvoer van voedingsstoffen van buitenaf. Dit wordt ‘interne eutrofiëring' genoemd,. In grote delen van het laagveen- en zeekleigebied heeft aanvoer van gebiedsvreemd water geleid tot sterke eutrofiëring van natte natuurgebieden.
Inlaatwater bevat doorgaans veel bicarbonaat en is relatief hard in vergelijking met systeemeigen water in laagveengebieden. Dit bicarbonaat zorgt voor neutralisatie van zuren die de veenafbraak remmen. Daarom leidt de waterinlaat ook tot een versnelde afbraak van organisch materiaal. 
 
Sulfaat belangrijk bij interne eutrofiëring
De hoge sulfaatconcentraties in het inlaatwater dragen sterk bij aan interne eutrofiëring. Ook de sulfaatconcentraties in het grondwater zijn in de afgelopen decennia sterk toegenomen. Hierbij spelen hoge nitraatconcentraties, een gevolg van bemesting, ook een rol. Bij de omzetting van nitraat naar stikstof, het proces van denitrificatie wordt zwavel geoxideerd tot sulfaat. Zwavel is in de ondergrond aanwezig in banken van pyriet en andere ijzersulfiden. Het sulfaat spoelt vervolgens uit naar het grondwater en oppervlaktewater.
Pyriet in het veen kan bij verdroging ook problemen opleveren. Al in 1885 mislukte de ontginning van het net drooggelegde Naardermeer door het voorkomen van pyrietrijke ‘katteklei', die bij blootstelling aan de lucht zorgt voor sterke bodemverzuring.
Hoewel het oppervlaktewater in voormalige brakwatervenen verzoet is, is vaak nog sprake van brakwaterbodems met sulfaat- en sulfiderijk grondwater. De chlorideconcentratie van de waterlaag is echter te laag voor ontwikkeling van speciale brakwatergemeenschappen, waardoor het resultaat vaak een sterk vermeste, troebele waterlaag is.
De sulfaatverrijking van zoete of verzoete laagveenwateren veroorzaakt een aantal problemen. Bodembacteriën gebruiken onder zuurstofarme omstandigheden sulfaat bij de afbraak van organisch materiaal. Hierbij wordt waterstofsulfide gevormd, dat naar rotte eieren stinkt. Het gevormde sulfide zorgt ervoor dat fosfaat in de bodem niet langer goed kan binden aan ijzer, doordat sulfide zelf sterker hecht aan het vrijgekomen ijzer. Fosfaat komt hierdoor vrij in de bodem en diffundeert naar de waterlaag, wat ernstige interne eutrofiëring tot gevolg kan hebben. Daarnaast is er minder ijzer beschikbaar om nieuw vrijgekomen of aangevoerd fosfaat te binden. Als er onvoldoende ijzer is om het sulfide te binden, loopt de concentratie van het sulfide op en bereikt het soms voor planten en dieren giftige waarden.
Doordat gebiedsvreemd water meestal een hoger chloridegehalte heeft, is met de waterinlaat verder ook de concentratie van chloride sterk gestegen in veel laagveenwateren. Chloride kan een belangrijke bijdrage leveren aan interne eutrofiëring met fosfaat, mogelijk door verdringing van fosfaat van bindingsplaatsen door het eveneens negatief geladen chloride. 
 
Sommige vissoorten kunnen bijdragen aan vermesting
Naast veranderingen in de waterkwaliteit kan ook een verandering van de visfauna een belangrijke rol spelen in de vermesting van laagveenwateren. Wanneer een waterlichaam verandert van matig voedselrijk naar voedselrijk, zal de ‘algendichtheid' meestal toenemen. Het aantal van de in het water zwevende algen neemt op die plaats toe. Algen etende dieren, zoöplankton, vooral watervlooien komen daarop af en kunnen de algendichtheid binnen de perken houden. De dichtheid van watervlooien in het water neemt vervolgens toe en wordt op haar beurt gereguleerd door de dichtheid van plankton etende, ‘planktivore' vissoorten. De belangrijkste van zulke soorten zijn Brasem (Abramis brama) en Blankvoorn (Rutilus rutilus). Grote exemplaren van Brasem eten ook de kleine diertjes, de ‘macrofauna' die in de bodem leven, daarbij veel slib opwervelend. In veel laagveenwateren leiden hoge dichtheden van deze planktivore en bodemomwoelende vissen tot algenbloei en vertroebeling van het water, tot fosfaatmobilisatie en verstoring van wortelende waterplanten. Door de vraatzucht van de vissen neemt de dichtheid van schelpdieren en andere diertjes die algen uit het water filteren nog verder af. 
 
Vermesting door stikstofdepositie
De voorheen hoge atmosferische stikstofdepositie vertoont in Nederland sinds de jaren '90 van de vorige eeuw een dalende trend. De door de lucht aangevoerde stikstofverbindingen zorgen voor een verrijking van het ecosysteem met nitraat of ammonium. De abiotische omstandigheden op standplaatsniveau bepalen grotendeels welke vorm overheerst. In begroeiingstypen van voedselarme standplaatsen waar sprake is van groeibeperking door stikstofgebrek, zal hoge stikstofdepositie bijdragen aan hogere biomassaproductie en verschuivingen in de soortensamenstelling. In laagveenwateren heeft hoge atmosferische stikstofdepositie een gering effect, omdat de plantengroei hier meestal door fosfaat wordt beperkt. Dit geldt ook voor veel trilvenen en veenmosrietlanden, aangezien het maaibeheer meer zorgt voor fosfaatuitputting dan voor stikstofuitputting. Echter, sommige laagveenplanten zijn gevoelig voor een toename van het ammoniumgehalte. Dit geldt bijvoorbeeld voor Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpiodes) en andere ‘brown mosses' en deze gevoeligheid en achteruitgang van die soorten heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het succes van bepaalde soorten Veenmos (Sphagnum sp) en Haarmos (Polytrichum sp.) in veel verzurende trilvenen. Veenmossen en haarmossen zijn veel minder gevoelig voor ammonium. De toename van veenmossen door stikstof- en fosfaatverrijking stimuleert op haar beurt verzuring van kraggen door de uitscheiding van zuren
 
Vermesting door agrarisch gebruik van oevers en veenweiden
Ook het agrarische landgebruik in het laagveengebied kan leiden tot vermesting. Bemesting van veenweiden en legakkers leidt lokaal tot sterke eutrofiëring van zowel de weiden, de oevers, het water, als de onderwaterbodem. Dat bevordert de biomassaproductie zodat op de verrijkte plekken intensiever maai- of plagbeheer nodig is. Het laten liggen van maaisel op oevers zorgt veelal voor extra eutrofiëringsproblemen via mineralisatie van organische stof, waardoor oeververlanding sterk gehinderd wordt. Eutrofiëring van oevers kan verder leiden tot sterke verruiging, afname van kraggenvormende plantensoorten door troebeling en een toename van de algendichtheid.
Een groot probleem in het beheer van veenweiden is, net als bij natuurontwikkeling op zandgronden in voormalige landbouwgebieden, de overheersing van Pitrus (Juncus effusus). De soort treedt massaal op bij vernatting en haar uitbreiding wordt versterkt door bodemverzuring. Ze kan zich bijv. uitbreiden na vernatting door het nemen van herstelmaatregelen of bij het stoppen van bekalking. De beschikbaarheid van fosfaat neemt toe bij vernatting, doordat ijzer gereduceerd wordt. Bovendien spoelt er fosfaat uit naar de waterlaag, waardoor algenbloei kan ontstaan, vooral van blauwalgen. Om de kans op dit ongewenste effect te verkleinen is het bij vernattingsprojecten essentieel om na te gaan hoe het gesteld is met het gehalte van voor planten beschikbaar fosfaat in het bodemprofiel. Dit onderzoek kan niet op het oog gedaan worden. Uitbreiding van natte natuur met voormalige landbouwgronden kan, zonder extra maatregelen, vanwege de grote concentratie aan fosfaat in de toplaag van de bodem leiden tot het ongewenst creëren van een belangrijke nieuwe bron van vermesting.
Er zijn aanwijzingen dat in het veenweidegebied een sterke nitraatbemesting heeft plaatsgevonden die grote invloed heeft op de bodemdaling en de slibproductie. Het overschot aan nitraat spoelt uit naar het zuurstofloze veen in de ondergrond, waar het naar alle waarschijnlijkheid de veenafbraak stimuleert, de bodem doet dalen en leidt tot verhoogde uitspoeling van nutriënten en slib naar het aanliggende water. Hoeveel invloed dit proces heeft, wordt momenteel onderzocht binnen het OBN-onderzoek aan laagveenwateren. Dit mogelijke knelpunt illustreert de sterke relatie tussen het standplaats- en systeemniveau en de omgeving op landschapsschaal.
In het beheer van veenweiden is het vaak moeilijk om te beslissen over het al dan niet toepassen van bemesting en bekalking. Weidevogelbeheer vereist een zekere mate van bemesting en bekalking; het is nodig om het voedselaanbod voor de vogels hoog genoeg te houden. Bemesting en bekalking leidt echter tot veenafbraak en eutrofiëring en dat tast de vegetatie aan en uiteindelijk de veensystemen. Verder onderzoek zal daarom moeten uitwijzen of het mogelijk is om de weidevogelgebieden en de reservaten met natuurtypen van het laagveen- en zeekleigebied te combineren in één gebied, of dat ze gescheiden zullen moeten worden binnen het laagveenlandschap. 
 
Haarvatenstelsel van schone sloten biedt kansen voor herstel soortenrijkdom
In veel Nederlandse laagveenwateren is het soortenaantal van de water- en oeverplanten klein. In veel grote plassen komen nauwelijks waterplanten voor. Hier dient het achterland, het ‘haarvatenstelsel', als een reservoir met restpopulaties van karakteristieke planten. Waarschijnlijk geldt dit ook voor fauna en sieralgen.
In het kader van OBN wordt onderzoek gedaan naar de voorwaarden voor herstel in het laagveenlandschap. Herstel van laagveenwateren blijkt voor een aantal gebieden in de praktijk op relatief korte termijn mogelijk. Het veranderen van de hydrologische situatie kan hierbij helpen. Bijvoorbeeld door verminderde inlaat van gebiedsvreemd water, of door dit water zo door het gebied te leiden dat de sloten met de gevoeligste en soortenrijkste vegetatie pas in laatste instantie bereikt worden.
Oevervegetaties lijken echter minder snel te reageren op verbeteringen van de waterkwaliteit. Dit hangt mogelijk samen met verspreidingsproblemen van sommige moerasplanten. De kiemkracht van de zaden van kraggensoorten is kort en er komen geen zaailingen van deze soorten voor in voedselrijke, verruigde oevervegetaties. Binnen een laagveengebied kunnen kansrijkere en minder kansrijke deelgebieden voor succesvol herstel onderscheiden worden. Hierbij geldt overigens dat maatregelen in minder kansrijke delen positieve gevolgen kunnen hebben voor deelgebieden met een hogere kans op succesvol herstel. 
 
Verzuring
Verzuring komt neer op een afname van de bufferingscapaciteit voor zuren die leidt tot een daling van de zuurgraad (pH). In laagveenbodems wordt het zuurbufferend vermogen in eerste instantie geleverd door bicarbonaat en vervolgens door de basische kationen calcium en magnesium die gehecht zijn aan bindingsplaatsen in de bodem. Verzuring speelt in het laagveen- en zeekleigebied niet op landschapsschaal. Het gaat immers om wateren en bodems met een goede zuurbuffering. Lokaal kan verzuring echter wel een rol spelen in de latere stadia van de verlanding, waarbij zich in de kragge een laag regenwater vormt boven het minerotrofe water. Dit speelt bijv. in de natuurtypen trilveen en veenmosrietland. In deze latere successiestadia treedt ook op natuurlijke wijze verzuring op door toename van de invloed van neerslag, kooldioxide in de neerslag, oxidatieprocessen, ademhaling van bodemorganismen en zuurafgifte van hogere planten en veenmossen. Het gebrek aan buffering in de regenwaterlaag leidt tot verzuring van de bovenlaag van het veen. Dit proces zorgt van nature voor een langzaam verlies van mineraalminnende planten. Hierdoor veranderen trilveenvegetaties in de loop van de successie in veenmosrietlandvegetaties (zie Afbeelding 1). Diepwortelende laagveensoorten, die de gebufferde waterlaag kunnen bereiken, kunnen lang standhouden tijdens het verzuringsproces. In de loop van de jaren tachtig is echter een drastische verandering opgetreden in de soortensamenstelling van veel trilvenen, waarbij kenmerkende mossen, zoals Rood schorpioenmos, vrijwel volledig zijn vervangen door zuurtolerante planten, zoals Slank veenmos (Sphagnum flexuosum) en Gewoon haarmos (Polytrichum commune). Dit verschijnsel is deels te wijten aan de verzurende en eutrofiërende werking van atmosferische depositie. Daarnaast speelt verzuring als gevolg van toegenomen wegzijging en verdroging van de systemen een rol. Van Zinderen Bakker (1942) legde al een relatie tussen het optreden van Haarmos door verzuring op standplaatsniveau en peilverlaging in de omgeving, op systeem- en landschapsniveau. 
 
Versnippering
Op landschapsschaal vormt versnippering van natuurgebieden als gevolg van sterk toegenomen ruimtegebruik voor de functies landbouw, industrie, verkeer en wonen een belangrijk knelpunt. Geïsoleerde laagveengebieden die in het verleden onderdeel uitmaakten van grote moerascomplexen herbergen meestal niet meer de rijkdom aan soorten en successiestadia die karakteristiek is voor ongestoorde laagvenen. Wanneer deze gemeenschappen en soorten ook niet meer in kleine restpopulaties in de omgeving aanwezig zijn, kan hun terugkeer zelfs bij volledig herstel van de abiotische randvoorwaarden lang uitblijven. Verspreiding van laagveenplanten gebeurt via waterstroming, wind, vissen of vogels. Een aantal zeldzame soorten zal alleen terugkeren als ze ofwel in de zaadbank voorkomen, of een geschikte natte ecologische verbinding, een ‘corridor' hebben met restpopulaties in andere natuurgebieden. De restpopulaties van de regio gaan dan als ‘donorpopulatie' dienen. Restpopulaties zijn echter veelal zo ver weg, dat hervestiging niet mogelijk is Bij de verspreiding van zaden van laagveensoorten via het water is gebleken dat de drijfduur, en daarmee de verspreidingsafstand, verlengd wordt door de aanwezigheid van vegetatie aan de oevers. Hierdoor neemt de golfslag af en zinken de zaden minder snel. Dit betekent dat verspreiding over een groot en ondiep open water, met veel golfwerking, bijzonder moeilijk is.
Veel laagveenplanten lijken een relatief ‘kortlevende zaadbank' te hebben: de zaden blijven niet lang kiemkrachtig. Op dit gebied bestaan nog veel kennishiaten. Bij recente beheersexperimenten in een geëutrofieerde laagveenplas, Terra Nova, bleek de zaadbank, ook voor zeldzame laagveensoorten, veel vitaler dan verwacht. Dit biedt hoop voor andere laagveengebieden waar herstelmaatregelen genomen worden. Bij versnippering en een kortlevende zaadbank volstaat herstel van de abiotische randvoorwaarden niet om karakteristieke soorten van laagveengemeenschappen terug te doen keren. Zo kan gebrek aan een zaadbank een knelpunt vormen bij herstelbeheer. Een uitzondering op dit probleem in laagvenen vormen de kranswieren; die vormen sporen die langdurig kiemkrachtig blijven. Ook russen en grassen ‘hebben een langer levende zaadbank', waardoor plantensoorten van deze groepen vaak snel terugkeren na herstelmaatregelen. In meren is waargenomen dat wateren met een kleine zaadvoorraad een hoger kiemingspercentage vertoonden dan wateren met een grote zaadvoorraad. Fonteinkruiden (Potamogeton spec.) blijken in deze situatie goede kiemers. Ook voor de fauna kan versnippering een knelpunt zijn voor herstel van de biodiversiteit. Voor een aantal rietvogels en macrofaunasoorten is bekend dat habitatfragmentatie geleid heeft tot een afname van de aantallen. 
 
Met bijdragen van:
Henk Beije, november 2006; Maurice Paulissen, juni 2007 (met gebruikmaking van teksten van Leon Lamers e.a.); Leon Lamers en Wilco Verberk, september 2007.
 
Literatuur:
Beltman, B. & T. van der Krift, 1997. De invloed van sulfaat en chloride op de fosfaatbeschikbaarheid in veenbodem, een bijdrage aan integraal waterbeheer. H2O 30: 19-22.
 
Graveland, J. & H. Coops, 1997. Verdwijnen van rietgordels in Nederland. Oorzaken, gevolgen en strategie voor herstel. Landschap 14: 67-86.
 
Lamers, L., M. Klinge & J. Verhoeven, 2001. OBN Preadvies laagveenwateren. Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij, Wageningen.
 
Lamers, L.P.M., P.J.J. van den Munckhof, M. Klinge, M. & J.T.A. Verhoeven, 2004. Verdroogd, vermest, verstard en versnipperd; hoe moet dat nu met onze laagveenwateren? - Een onderzoeksplan voor systeemherstel. In: Van Duinen G-J, Bobbink R, Van Dam Ch, Esselink H, Hendriks R, Klein M, Kooijman A, Roelofs J & Siebel H. (Red.), Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit; 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. Rapport Expertisecentrum LNV nr. 2004/305, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ede. Pag. 109-170.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website