Pad: Landschapstypen / Rivierengebied / Herstelbeheer en Inrichting

Nat zandlandschap

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER EN INRICHTING
Het dieptepunt is gepasseerd
Kansen in een veranderende samenleving
Inrichten van stroomgebieden
Inrichten van riviertrajecten
Herstellen van rivierdynamiek en mesotrofe omstandigheden
Cyclisch beheer in uiterwaarden
Omgaan met bodemverontreiniging in uiterwaarden
Herstellen van bodem- en waterkwaliteit in gestabiliseerde delen
Dijken zijn verbindingen, maar ook barrières
Introductie van grote grazers
Zuinig zijn op hooggelegen plekken
Beschikbare modelinstrumenten
Met bijdragen van
Literatuur


Het dieptepunt is gepasseerd
In de paragraaf over de bedreigingen is de nadruk gelegd op de aantasting van het rivierengebied door menselijk gebruik. We zien nu veranderingen in de samenleving optreden die nieuwe kansen bieden om het natuurlijke riviersysteem gedeeltelijk weer ‘aan de praat' te krijgen.

Een van de belangrijkste veranderingen is de groei van een bewustzijn dat schone rivieren van levensbelang zijn. Eind jaren zeventig was de Rijn zo goed als dood: er was nauwelijks leven meer in de soms zuurstofloze rivier en de bodem was zwaar verontreinigd. Dieren aan de top van de voedselketen zoals de Otter (Lutra lutra), maar ook vissen en de eendagsvlieg Schoraas (Ephoron virgo), vroeger ook bekend als Zomersneeuw. De ommekeer kwam met het Rijnactieplan. Inmiddels zijn er weer waterplanten en vis in de Rijn en is het afzettingsmateriaal en het water in de rivieren schoner. Met het Rijnactieplan en hopelijk straks ook het Maasactieplan wordt er gewerkt aan een verdere verbetering.

Kansen in een veranderende samenleving
Belangrijk voor de natuurbeheerder is dat hij zich realiseert dat ook andere maatschappelijke belangen baat hebben bij een natuurlijker rivierengebied. Vooral in de uiterwaarden zijn er gedeelde belangen met waterbeheerders, drinkwaterwinners, delfstoffenwinners, recreatie- en horecaondernemers, particuliere grondeigenaren etc. Sommige problemen die binnen het natuurbeheer niet kunnen worden aangepakt worden oplosbaar door samen te werken met deze partners. Verder voltrekken zich veranderingen in de landbouwsector die naar verwachting zullen leiden tot extensivering van het grondgebruik en meer ruimte voor natuur en recreatie in het rivierengebied. Dat zal zeker het geval zijn in 2013 als daar veel landbouwsubsidies stoppen.
De delfstoffenindustrie, en met name de kleiwinners, hebben reeds hun verantwoordelijkheid genomen. Er wordt tegenwoordig vrijwel geen baksteen meer gemaakt zonder dat de productie heeft bijgedragen aan nieuwe natuur. Per jaar wordt zo 100-150 ha nieuwe riviernatuur gerealiseerd. Met de grindindustrie - in de Grensmaas- en de zandindustrie zijn soortgelijke afspraken in de maak.
Natuurgebieden kunnen van groot belang zijn bij de ontwikkeling van een nieuwe plattelandseconomie - zie studies over de Gelderse Poort. Daarom gaat dit economische belang voor lokale en regionale overheden en ondernemers meespelen en wordt het naar verwachting een steeds belangrijker motief om met natuurontwikkelingen in zee te gaan.

Klimaatverandering tenslotte doet het besef groeien dat we meer ruimte voor het water moeten maken, zowel bovenstrooms als langs de Nederlandse riviertakken zelf. Bij ons gaat het om ruimte voor rivieren, ook nieuwe rivieren en bovenstrooms om vergroting van de ‘sponswerking' van brongebieden. Mits goed uitgevoerd, kan het natuurlijke riviersysteem veel baat hebben bij deze maatregelen.

Inrichten van stroomgebieden
Het beheer van natuur in het Nederlandse rivierengebied kan niet los worden gezien van maatregelen boven- en benedenstrooms. Rechtstreeks of via nationale en internationale organisaties moet gewerkt worden aan:


Inrichten van riviertrajecten
Voor een goed functionerend rivierecosysteem is een bepaalde omvang nodig. Afgemeten naar de minimumarealen van verschillende deelbiotopen in een natuurlijk rivierengebied en de eisen van dieren aan de top van de voedselketen, praten we over beheereenheden van minimaal enkele duizenden hectares. Dat betekent bijvoorbeeld dat we afwegingen op het raakvlak van natuur- en waterbeheer niet meer op gebiedsniveau gaan maken, maar op het niveau van een heel riviertraject. Het gaat dan over waar wel/geen ruimte bieden aan ooibos, nevengeulen of rivierduinen. Hoe dat kan is goed in beeld gebracht in het boek ‘Cyclisch beheer in uiterwaarden' (Peters et al., 2006).
Ook maatregelen om het verder inslijten van de rivierbodem, en het daardoor dalen van de grondwaterstand, te voorkomen kunnen dan op dit niveau van het landschap worden uitgewerkt.
De argumentatie om natuurdoelen in het rivierengebied op trajectniveau te formuleren, wint aan kracht tegen het licht van klimaatverandering. Immers: door de te verwachten verschuivingen in klimaatzones zullen soorten, die binnen een te nauwe ruimtelijke eenheid worden beschermd, uiteindelijk ‘over het randje vallen'.

Nodig is uiteraard om de inrichting van natuurgebieden binnen de bestaande uiterwaarden mede af te stemmen op de waterafvoerende functie. Vanuit natuuroogpunt is het van belang om o.a. een evenwichtige verdeling te hebben tussen hoger gelegen stukken en laaggelegen uiterwaardvlakten met geulen en plassen. Door elementen zoals oude stroomruggen en -geulen te sparen en niet te gaan vergraven in natuurontwikkelingsprojecten die ten doel hebben natuurlijke processen te herstellen, is verlies van bestaande waarden te voorkomen. Zorgvuldig omgaan met geïsoleerde wateren die hun natuurwaarde danken aan isolatie is om dezelfde reden geboden.

Herstellen van rivierdynamiek en mesotrofe omstandigheden
Zijn op trajectniveau eenmaal keuzes gemaakt voor het toestaan van een bepaalde vorm van dynamiek, dan kan die vorm in de uiterwaarden vervolgens per natuurterrein worden uitgewerkt. Wanneer de keuze valt op herstel van een situatie met veel dynamiek, is het eventueel mogelijk de startsituatie te verbeteren. Dat kan gebeuren door bijvoorbeeld het afgraven van voedselrijke bodemlagen, het uitgraven van nevengeulen, het verbinden van wateren, het verwijderen van ooibos loodrecht op de stroomrichting of juist het laten staan van bos als golfbreker voor de dijk.
Wanneer gekozen wordt voor behoud van bestaande, minder dynamische systemen liggen andere verbeteringsmaatregelen meer voor de hand. Zie hiervoor ‘Herstellen van bodem- en waterkwaliteit in gestabiliseerde delen'.

In het voedselrijke rivierengebied heeft bij omvorming van landbouwgronden naar natuur een verschraling beogend beheer van begrazen of van maaien en afvoeren weinig zin. In een groot deel van de nieuwe natuurgebieden in het rivierenlandschap ontwikkelen zich bij deze vormen van beheer voornamelijk soortenarme ruigten. In combinatie met kleiwinning is wél een slag naar verschraling te maken als daarbij de complete kleilaag wordt verwijderd van de zandige ondergrond. De bemeste decimeters dikke bovenlaag, de ‘rooflaag' kan eventueel voor de constructie van nieuwe, hoogwatervrije terpen worden gebruikt.

Cyclisch beheer in uiterwaarden
Cyclisch beheer is een nog vrij nieuw beheerconcept. Zoals het voor het rivierengebied is uitgewerkt sluit het cyclische beheer aan bij de natuurlijke verjongingsprocessen binnen de realiteit van ons huidige uiterwaardengebied. Zonder de pretentie te hebben om processen volledig te kunnen vervangen, biedt het nieuwe kansen voor natuurontwikkeling en hoogwaterbescherming bij de inrichting en ontwikkeling van de uiterwaarden. De Radboud Universiteit Nijmegen heeft, in nauwe samenwerking met Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat en Ark Natuurontwikkeling, het handboek 'Cyclisch beheer in uiterwaarden - Natuur en veiligheid in de praktijk' opgesteld (Peters et al., 2006). Enkele belangrijke punten van de uitwerking van het concept van ‘Ruimte voor de rivier':

Hier en daar worden ondertussen wel al ingrepen uitgevoerd als onderdeel van plannen voor cyclische verjonging in nieuwe natuurgebieden. In de Millingerwaard is bijv. in 2007 een brede strook ooibos geveld van in totaal 8 ha. De ingreep is te beschouwen ‘als een nabootsing van de eroderende werking van een stevig hoogwater met ijsgang'. Het vellen voorziet in het verminderen van de hoogwaterstremming door bosopslag met in acht neming van de bestaande natuurwaarden. Het nu opengelegde tracé zal in de komende jaren - vóór 2015 - worden uitgegraven en deel gaan uitmaken van een nevengeul met vertakkingen. De nevengeul gaat zorgen voor de vlotte doorstroming bij hoogwater en creëert daarmee ruimte voor de rivierduinen en ooibossen elders in de overstromingsvlakte.

Omgaan met bodemverontreiniging in uiterwaarden
In de komende jaren zal in het kader van de Planologische Kernbeslissing ‘Ruimte voor de Rivier', omvangrijk grondverzet in rivieruiterwaarden plaatsvinden in combinatie met natuurontwikkeling. Het gaat daarbij bijv. om uiterwaardverlaging en aanleg van nevengeulen. Uitgangspunt is hierbij dat licht verontreinigde bodems geen bezwaren op leveren mits de risico's voor verspreiding van de verontreiniging verminderen of tenminste gelijk blijven.

Voor het beoordelen van verspreidings- en blootstellingrisico's van verontreinigingen in de uiterwaarden zijn diverse modellen ontwikkeld. Deze houden rekening met de ophoping, beschikbaarheid en ruimtelijke variabiliteit van verontreinigingen. Risicokaarten per gebied kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de onderbouwing van sanering of beheersmaatregelen. Door rekening te houden met de biogeochemische proceskennis over verspreiding en biobeschikbaarheid van verontreinigingen zijn veel problemen te voorkomen. Zie ook de tien vuistregels voor het beperken van vergiftiging bij natuurontwikkeling in rivieruiterwaarden (Brochure van RIZA van Stuifzand en anderen, 2005).

Herstellen van bodem- en waterkwaliteit in gestabiliseerde delen
Natuurwaarden in gestabiliseerde delen van het rivierengebied herstellen vergt een fundamenteel andere aanpak dan herstel van delen met dynamiek. In gestabiliseerde delen staat niet het herstel van erosie- en sedimentatieprocessen centraal, maar herstel van de lokale hydrologie en bodemkwaliteit. Denk daarbij bijvoorbeeld aan herstel van moerassen, natte schraalgraslanden en geïsoleerde plassen.

Zeer belangrijk voor natte, stabiele delen van het rivierengebied is herstel van de grondwatertoestroming en de grondwaterkwaliteit. In terreinen waar het rivierwater nu direct toegang heeft tot een nat terrein met een flinke invloed van grondwater, is het beter om het terrein van de rivier te isoleren door bijvoorbeeld een kade die niet vaker dan 20 dagen/jaar overstroomt. De grondwatertoestroming of kwelinvloed kan worden vergroot door het dichten van alle kunstmatige drainages en ontwateringsloten. Ook kan een overlaat worden aangelegd naar de omgeving zodat de kwelwaterstroom op gang blijft. Voor oevervegetaties, broekbossen en schraallanden is het bovendien zaak de waterhuishouding zo in te stellen dat de standplaatsen gedurende de zomer minstens enkele weken droog vallen. Zodoende zijn de schadelijke invloed van sulfaat in het grondwater, vorming van het giftige sulfide, interne eutrofiëring en ijzerbinding, te minimaliseren.

Diepe, gegraven plassen hebben in de randzone van het riviersysteem vaak een opvallend goede waterkwaliteit vanwege een zijwaartse instroom van grondwater. Verondiepen van deze plassen werkt hier averechts. Beter is het hier om het centrale deel van de plas diep te houden - als een bezinkput voor slib - in combinatie met het scheppen van een zo breed mogelijke oeverzone.

Dijken zijn verbindingen, maar ook barrières
Speciale aandacht verdienen de ecologische relaties aan weerszijden van de winterdijk. Veel uiterwaarden moeten het nu stellen zonder een hoogwatervluchtplaats voor de fauna. Een betere verbinding met binnendijkse terreinen kan wat dit betreft uitkomst bieden. Zo'n betere aansluiting is bijvoorbeeld mogelijk door de verkeersdruk op de dijk te verminderen.

Ook kan de dijk een belangrijke verbinding zijn tussen verschillende natuurgebieden in het rivierengebied. De hele overstromingsgradiënt vindt standplaatsen op de buitenhelling van de dijk. Met een zorgvuldig maaibeheer of extensief begrazingsbeheer kan de bijbehorende flora en fauna - in het bijzonder de insectenfauna- op grote schaal nieuwe kansen krijgen. Door de dijk op te nemen in een beheereenheid zoals een begrazingsgebied, kan een uiterwaard en haar aangrenzende winterdijkhellingen een eenheid gaan vormen. Zo wordt de mogelijkheid de dijkhelling te laten functioneren als doorgaand lint voor de overstromingsgevoelige soorten uit het rivierengebied ten volle benut. Bovendien kan deze dijkhelling een functie vervullen als hoogwatervluchtplaats voor de fauna.

Introductie van grote grazers
Grote grazers, zoals het Oerrund, waren een essentieel onderdeel van vrijwel al onze ecosystemen. Helaas zijn de meeste soorten al lang geleden door de mens uitgeroeid en op veel plekken vervangen door vee. Vooral in het rivierengebied is inmiddels vrij veel ervaring opgedaan met de introductie van enkele grote grazers in een zo natuurlijk mogelijke situatie. Dit houdt onder andere in dat er gestreefd wordt naar kuddes die in groepsverband leven, met natuurlijke geslachtsverdeling en leeftijdsopbouw. Andere streefdoelen zijn daarbij een begrazingsdruk naar draagkracht van het systeem waar zij in grazen, het afzien van ontwormingsmiddelen, de inzet van verschillende soorten voormalig inheemse grazers en het niet verwijderen van dieren die dood gegaan zijn in het terrein. Er zijn vele beperkingen die een natuurlijke situatie voorlopig onmogelijk maken, zoals het ontbreken van grote roofdieren, en de isolatie, het te kleine formaat en de te kleine interne variatie van veel terreinen. Los van dit streven naar een natuurlijke begrazing, is het nog onvoldoende duidelijk wat de voor- en nadelen van een ‘natuurlijke begrazing' zijn tegenover het puur gebruiken van vee als beheermethode.

Zuinig zijn op hooggelegen plekken
Bij de projecten van het plan ‘Ruimte voor de Rivier' gaat de aandacht vooral uit naar de ontwikkeling van hoogdynamische riviernatuur. De plaats voor die ruimte zoekt men vooral in de diepte van het riviersysteem en minder in de breedte. Het gaat dus om het scheppen van veel nevengeulen, om uiterwaardverlagingen en het afgraven van hoogwatervrije terreinen. Aan het terugleggen van dijken en scheppen van plaatsen voor ongestoorde vegetatiesuccessie is weinig aandacht besteed. Voor veel diersoorten is het echter essentieel dat ook hooggelegen plekken worden hersteld.

Bij hoogwater zijn hooggelegen plekken in een uiterwaard van vitaal belang voor de overleving van vrijwel alle zoogdieren, reptielen, amfibieën en sommige insecten. Tijdens hoogwater verdrinken talrijke dieren, vooral zoogdieren. Uit recent onderzoek blijkt dat hoogwatervrije terreinen belangrijke vluchtplaatsen zijn voor kleine zoogdieren. Na de overstromingsperiode kunnen de kleine zoogdieren zich opnieuw vestigen in de voor hen geschikte leefgebieden in uiterwaarden. Deze herkolonisatie kan echter alleen plaatsvinden vanuit de binnendijkse gebieden of hoogwatervrije terreinen die in of tegen de uiterwaarden aan liggen. Er zijn grote verschillen in terugkeerstrategie en terugkeersnelheid van soorten. Voor de meeste muizensoorten bijvoorbeeld is het opbouwen van een populatie een zeer traag proces dat enkele maanden tot meer dan een jaar duurt. Een gemiddelde overstroming van 1x per jaar op meer dan 120 meter van hoogwatervrije vluchtplaatsen houdt de muizenaantallen al laag. Ook rivierduinflora is gevoelig voor overstroming, vooral in het zomerseizoen. Indien hoge plekken ontbreken in de uiterwaard, kan de fauna gebaat zijn bij een verbinding naar binnendijkse natuur. Een hoge oeverwal langs de rivier is echter gunstig voor zowel flora als fauna; er is daar meer dynamiek en zaadaanvoer dan aan de rand van het riviersysteem en de plek is als vluchtplaats veel meer toegankelijk.

Beschikbare modelinstrumenten
In recente tijd zijn diverse modelinstrumenten ontwikkeld voor de ecologische risicobeoordeling en optimalisatie van herinrichtingsplannen en beheer van riviergebieden. Enkele voorbeelden zijn:


Met bijdragen van:
Henk Beije, september 2006 en Wouter Helmer, Emiel Brouwer & Rob Leuven juni 2007

Literatuur:
Buijse A, Klijn F, Leuven RSEW, Middelkoop H, Schiemer F, Thorp J, Wolfert H (Eds), 2005. Rehabilitating large regulated rivers. Archiv für Hydrobiologie Suppl. 155(1-4): 1-738.

De Nooij, R.J.W., Lenders, H.J.R., Leuven, R.S.E.W., De Blust, G., Geilen, N., Goldschmidt, B., Muller, S., Poudevigne, I. & P.H. Nienhuis, 2004. BIO-SAFE: assessing the impacts of physical reconstruction on protected and endangered species. River Research and Applications 20/3: 299-313.

Duel, H., Arts, G.H.P. & Pedroli, G.B.M., 1996. Watersysteemverkenningen. Een stroom natuur. Natuurstreefbeelden voor Rijn en Maas. Achtergronddocument B: Ontwikkelingsmogelijkheden voor doelsoorten.. RIZA werkdocument 95.173X. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Den Haag (in Dutch).

Kooistra, L., R.S.E.W. Leuven, R. Wehrens, L.M.C. Buydens & P.H. Nienhuis, 2001. A procedure for incorporating spatial variability in ecological risk assessment of Dutch river floodplains. Environmental Management 28/3: 359-373.

Lenders, H.J.R., M.A.J. Huijbregts, B.G.W. Aarts & C.A.M. van Turnhout, 1999. Assessing the degree of landscape, natural and cultural-historical values in river dike reinforcement planning in the Netherlands. Regulated Rivers: Research and Management, 15: 325-337

Lenders, H.J.R. & R.J.W. de Nooij, 2001. SPEAR: An audit model for ecological riverbank reconstruction planning. European Water Management 4(5): 37-49.

Leuven, R.S.E.W., Gerig, Y., Poudevigne, I., Geerling, G.W., Kooistra L. & Aarts, B.G.W., 2002. Cumulative impact assessment of ecological rehabilitation and infrastructure facilities in the middle reach of the river Waal. In: Leuven, R.S.E.W., Poudevigne, I. & Teeuw, R.M. (Eds.). Application of geographic information systems and remote sensing in river studies. Backhuys Publishers, Leiden, the Netherlands. pp. 201-216.

Leuven RSEW, Wijnhoven S, Kooistra L, De Nooij RJW & Huijbregts MAJ., 2005. Toxicological constraints for rehabilitation of riverine habitats: a case study for metal contamination of floodplain soils along the Rhine. Archiv für Hydrobiologie Suppl. 155(1-4): 657-676.

Peters, B.W.E., E. Kater & G.W. Geerling, 2006. Cyclisch beheer in uiterwaarden - Natuur en veiligheid in de praktijk.Radboud Universiteit, Nijmegen. 206 p.

Schipper, A.M., M. Loos, A.M.J. Ragas, J.P.C. Lopes, B. Nolte, S. Wijnhoven & R.S.E.W. Leuven, 2007. Modelling the influence of spatial variation in environmental characteristics on heavy metal exposure concentrations for terrestrial vertebrates in river floodplains. Environmental Technology & Chemistry.

Wijnhoven, S., G. van der Velde, R.S.E.W. Leuven & A.J.M. Smits, 2006. Modelling recolonisation of heterogeneous river floodplains by small mammals. Hydrobiologia 565: 135-152.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website