Pad: Landschapstypen / Rivierengebied / Bedreigingen en Beheeropgaven

Nat zandlandschap

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN EN BEHEEROPGAVEN
Rivierdynamiek verstoord
Aanleg winterdijken: binnendijks stopt erosie, buitendijks toename van dynamiek
Aanleg zomerkades: opslibbing van uiterwaarden
Regulering van de rivier: hindernissen voor trekvissen en oeverpioniers verdrinken
Steeds meer exoten door kanaalverbindingen en scheepvaart
Intensief landgebruik: ontwatering, afgraving, boskap, vermesting
Klei- en zandwinning: puingronden, ontwaterings- en recreatieplassen
Grote en onregelmatige afvoerpieken: hoogwatervluchtplaatsen schaars geworden
Vermesting van de rivier: floristische verarming in overstromingsgebieden
Historische rivierverontreiniging werkt nog steeds door
Grondwater raakt vervuild en droogt op: moeras kwijnt weg
Klimaatverandering en nog meer problemen... 
Met bijdragen van
Literatuur

Rivierdynamiek verstoord
De leefgemeenschappen van het rivierensysteem hebben zich in West-Europa niet ongestoord kunnen ontwikkelen na de laatste ijstijd. Reeds toen was de jachtdruk in dit gebied zo hoog dat van natuurlijke populaties van grote grazers geen sprake was. Vervolgens werden de grote grazers een voor een uitgeroeid. In de Middeleeuwen verdwenen ook het wilde paard en rund uit de riviersystemen. Aanvankelijk hadden menselijke activiteiten zowel positieve als negatieve effecten op de variatie aan biotopen en de biodiversiteit, maar recent is de balans naar de negatieve kant doorgeslagen.
Drie menselijke ingrepen zijn van doorslaggevende invloed geweest op de rivierdynamiek in ons land: de bedijking in de Middeleeuwen, de aanleg van zomerkades in de 17e en 18e eeuw en de zogenoemde normalisatie en kanalisatie aan het eind van de 19e, begin 20e eeuw. De zo kenmerkende dynamiek van ondiepe winter- en voorjaarsoverstromingen werd hierdoor ernstig verstoord.
Iedere vorm van het waterbeleid heeft zijn eigen sporen achtergelaten. De bedreigingen en aantastingen van de natuur in de riviersystemen zijn zeer gevarieerd (zie schematisch plaatje van nu meest voorkomende aantastingen).

Schematisch plaatje van een riviersysteem met de nu meest voorkomende aantastingen. N = Te veel stikstof, P = Te veel fosfor.
Figuur 3: Schematisch plaatje van een riviersysteem met de nu meest voorkomende aantastingen. N = Te veel stikstof, P = Te veel fosfor.


Aanleg winterdijken: binnendijks stopt erosie, buitendijks toename van dynamiek
Met de aanleg van winterdijken werd de oorspronkelijke kilometers brede overstromingsvlakte ingeperkt tot een zone van een kilometer of nog smaller. De gebieden die binnen de bescherming van de dijk ofwel ‘binnendijks' kwamen te liggen, werden voorgoed afgesneden van de zijwaarts afslijtende kracht van de kronkelende rivier. Geïsoleerde wateren van binnendijkse gebieden groeiden langzaam dicht, diasporen en vers sediment konden niet meer met water worden aangevoerd en in hoge delen gingen uitlogings- en verzuringsprocessen overheersen. Aanvankelijk werd vaak nog wel hoogwater ingelaten voor bevloeiing van de landbouwgronden met vruchtbaar slib. Dit leidde tot een geleidelijke opslibbing van de binnendijkse gebieden. Als er geen overstroming meer plaatsvindt, dan krimpen of ‘klinken' de komgronden in en hierbij oxideert het zwavelrijke slib. Bij dit oxidatieproces komt zuur vrij, zodat veel komgronden nu relatief arm aan kalk zijn.

In de gebieden die buitendijks van de winterdijken bleven liggen, de uiterwaarden, nam de dynamiek sterk toe. Op sommige plaatsen, zoals in de Gelderse Poort, nam de peilfluctuatie toe van maximaal 2 meter tot meer dan 9 meter. Hiervoor gevoelige planten en dieren werden naar de hoogste delen verdreven. Tussen de winterdijken aan beide zijden van de rivier in ging het proces van ‘meandering', het opwerpen en weer opruimen van oeverwallen, in hevigere vorm dan voorheen door. Als gevolg daarvan werden hier de reliëfverschillen groter en de bodems nog zandiger.

Aanleg zomerkades: opslibbing van uiterwaarden
Met de komst van zomerkades kwam er een einde aan deze periode met verhoogde dynamiek in de buitendijks van de winterdijk gelegen gebieden. Het doel van de aanleg van zomerdijken was, ook in de uiterwaarden de rivierdynamiek zo te verlagen dat intensievere landbouw mogelijk werd. Vanaf dat moment vindt er nauwelijks meer erosie van sediment in uiterwaarden plaats en blijft er na ieder hoogwater een laagje slib achter van gemiddeld 1 cm/jaar. De reliëfrijke, zandige uiterwaardbodem die nu beschermd wordt door de zomerkades, raakt ‘afgesmeerd' met een soms metersdikke, voedselrijke sliblaag. Het gebied vervlakt, de uiterwaardbodem komt in haar geheel omhoog en groeit meters uit boven het binnendijkse gebied. De kans op dijkdoorbraken neemt daarmee toe.

Regulering van rivier: hindernissen voor trekvissen en oeverpioniers verdrinken
Vanaf het eind van de19e eeuw brengt de mens ook de rivierloop zelf steeds sterker onder controle. In de eerste helft van de 20ste eeuw zijn de trajecten van de grote rivieren vastgelegd door de aanleg van kribben en beschoeiingen. Ook werden in de Maas en Nederrijn stuwen aangelegd. Als gevolg van deze reguleringen gaat de Gelderse rivierbodem sterk in de diepte uitslijten. Grote delen van het rivierengebied worden onbereikbaar voor trekkende vissen. In de grote rivieren komen bijna geen trekvissen meer voor, zoals Zalm (Salmo salar), Elft (Alosa alosa), Fint (Alosa fallax) en Paling (Anguilla anguilla), die vanuit zee de rivier op trekken. Er komen nog wel veel riviervissen voor, die afhankelijk zijn van vrije migratieroutes: Kopvoorn (Leuciscus cephalus), Winde (Leuciscus idus), Serpeling (Leuciscus leuciscus) en Sneep (Chondrostoma nasus). Bovendien gaan de achter strekdammen gelegen, oorspronkelijk zandige oevers, dichtslaan met slib. Doordat het rivierpeil nu in de riviersystemen in de zomer hoog bleef, verdwenen de pioniervegetaties die vroeger op de droogvallende oevers aanwezig waren.

Steeds meer exoten door kanaalverbindingen en scheepvaart
Vooral aangaande de ongewervelden is de fauna van de rivieren in laatste decennia zeer sterk gewijzigd. De grote rivieren staan nu via kanalen in verbinding met bijvoorbeeld het Donausysteem. Ook komen schepen van over de hele wereld over de rivieren. Exoten hebben zich niet alleen in onze rivieren gevestigd, maar zijn er vaak ook gaan overheersen terwijl ze de inheemse soorten verdringen. De meest beruchte voorbeelden zijn de Aziatische mossel (Corbicula fluminea), de Driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), de Kaspische slijkgarnaal (Corophium curvispinum) en zeer recent de Quaggamossel (Dreissena rostriformis).

Intensief landgebruik: ontwatering, afgraving, boskap, vermesting
De geschiedenis van het rivierengebied laat een steeds intensiever landgebruik zien. De omschakeling van jacht naar veeteelt had aanvankelijk als bijkomend voordeel dat de rol van de uitgeroeide grote grazers min of meer terugkeerde in de vorm van extensief gehouden vee. Vanaf de Middeleeuwen neemt de intensivering van de landbouw echter vormen aan die steeds meer bestanddelen van het natuurlijke systeem doen verdwijnen. Begin jaren 80 van de 20e eeuw is deze invloed maximaal. In de bedijkte delen werden natte delen ontwaterd, droge delen afgegraven, bossen gekapt en graslanden sterk bemest of omgezet in bouwland. Bovendien heeft de bebouwing zich steeds verder uitgebreid. In de uiterwaarden werden bossen gekapt omdat ze bij hoogwater te veel stuwing veroorzaakten. Ook hier in de uiterwaarden werden de meeste rivierduinen afgevlakt en gebruikt om delen van nevengeulen te dempen.

Klei- en zandwinning: puingronden, ontwaterings- en recreatieplassen
In de 19e en 20e eeuw verplaatst het zwaartepunt van de delfstoffenwinning in ons land zich van de hogere gronden naar het rivierengebied. De klei die achter de zomerkades is neergeslagen, is een aantrekkelijke grondstof voor de baksteenindustrie. Onder de klei bevinden zich dikke zand- of grindpakketten, die na 1950 winbaar zijn met grote baggermolens. De kleiputten, plassen die na de winning overblijven, worden dikwijls opgevuld met huisvuil en weer als landbouwgrond in gebruik genomen. Zelfs diepe zandwinningsplassen worden weer opgevuld, met vliegas, mijnsteen of eveneens huisvuil. Veel van de overige plassen worden zo ingericht dat ze geschikt zijn voor intensieve recreatie. Vanwege hun diepte dragen de zandwinningsplassen vaak bij aan de ontwatering van de omgeving. Dicht langs de rivier kunnen ze echter ook de zandafzetting op de rivieroever stimuleren doordat ze bij hoogwater de hoofdstroom naar zich toetrekken. Bij Leeuwen, Weurt en Gendt liggen voorbeelden van zo'n geactiveerde, dynamische oeverwal bij een diepe zandplas.

Grote en onregelmatige afvoerpieken: hoogwatervluchtplaatsen schaars geworden
Door de toegenomen bebouwing en drainage wordt een groot deel van het water sneller uit de riviersystemen afgevoerd dan vroeger in ons land het geval was. Dit heeft de intensiteit van de stroming in de rivier en onregelmatigheid van de afvoerpieken in het rivierpeil sterk bevorderd. Mede door de bedijking en het afgraven van oeverwallen zijn hoogwatervluchtplaatsen en delen zonder zomeroverstroming schaars geworden.

Vermesting van de rivier: floristische verarming in overstromingsgebieden
Rioolwater uit de bebouwing en uitspoeling uit de landbouw hebben mede geleid tot een sterke belasting van het rivierwater met meststoffen (nitraat, ammonium, fosfaat, kalium) en macro-ionen (sulfaat, natrium, chloride). Spreekt vanzelf dat die belasting invloed heeft op de plantengroei in het riviersysteem. In overstromingsgebieden leidt de vermesting van het rivierwater tot floristische verarming en overheersing van enkele soorten die in staat zijn te gedijen onder zeer voedselrijke omstandigheden.

Historische rivierverontreiniging werkt nog steeds door
In de periode van 1950 tot rond 1970 was het rivierwater ernstig vervuild met zware metalen zoals lood, cadmium, zink en koper en met organische gifstoffen. Als gevolg van deze historische rivierverontreiniging zijn veel uiterwaardbodems matig tot ernstig verontreinigd met giftige stoffen zoals zware metalen en organische verbindingen. De verontreinigen blijven zich verspreiden met de sedimentatie- en erosieprocessen die tijdens overstromingen plaatsvinden en door het omwoelen van de bodem door bodemorganismen. De mate van blootstelling van organismen aan deze verontreinigingen is zeer groot in uiterwaarden. De ophoping van verontreinigingen die in dieren is aangetroffen verschilt sterk per soort en is vooral groot bij roofdieren die aan het eind van de voedselketen staan. De concentraties van de giftige stoffen zijn soms zo hoog, dat vergiftiging van populaties van diverse karakteristieke soorten van het rivierengebied, zogenoemde ‘doelsoorten', niet is uit te sluiten. Dat geldt vooral voor diverse vleeseters die aan het eind van de voedselketen staan, de ‘toppredatoren'.

Voor de natte vegetaties is bovendien het hoge sulfaatgehalte van het water een groot probleem. Sulfaat wordt in natte bodems omgevormd tot het giftige sulfide. Het sulfide kan zich binden aan ijzer, maar hierbij neemt de fosfaatbeschikbaarheid toe en dat is ook geen wenselijke situatie. Op venige bodems neemt onder invloed van hoge sulfaatgehalten bovendien de afbraak van humus toe. In veel gebieden heeft de belasting van oppervlaktewater met sulfaat en voedingsstoffen in combinatie met het wegvallen van kwelstromen met ijzerhoudend grondwater geleid tot het verdwijnen van krabbescheervelden en van natte rietvelden - het zogenoemde ‘waterriet'. Ook natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden en soortenrijke broekbossen zijn als gevolg van deze combinatie van aantastingen verdwenen.

Grondwater raakt vervuild en droogt op: moeras kwijnt weg
Door het insnijden van de rivieren na de aanleg van zomerkades, kribben en strekdammen is de ontwateringbasis in grote delen van het rivierengebied vele decimeters tot enkele meters omlaag gegaan. Daardoor zijn natte gedeelten zoals oeverlanden en oude beddingen uitgedroogd. Omdat tegelijkertijd de uiterwaarden verder opgehoogd zijn met slib, maken daar levensgemeenschappen van natte plekken plaats voor levensgemeenschappen van droge plekken. Het ten behoeve van de landbouw droogmalen van poldertjes binnen het gebied van de zomerkades versterkt dit proces nog. Binnendijks is de landbouwdruk die de moerasbiotopen bedreigt nog veel groter. Reeds vanaf de Middeleeuwen vindt hier aldoor verfijning en verdieping van slotenstelsels plaats.

De gronden rondom de grote stroomdalen worden ook steeds intensiever gebruikt, met name door de landbouw. Door ontwatering neemt de hoeveelheid kwelwater af. Verder is het grondwater vaak sterk belast met nitraat dat uitspoelt uit bemeste bodem. Dit nitraat zorgt weer voor oxidatie van gereduceerd zwavel en ijzer. Het ijzer slaat ter plekke neer en bereikt dus niet meer de kwelstroom. De hoeveelheid zwavel in het kwelwater, in de vorm van sulfaat, neemt juist sterk toe.

Grondwatergevoede vegetaties in het rivierengebied worden dus bedreigd door een gewijzigde samenstelling van het grondwater, een verminderde toestroom van grondwater, een verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit en een onregelmatiger wordend overstromingsregime of het achterwege blijven van overstromingen. Tel daarbij op dat ook atmosferische depositie, egalisatie van grond en bemesting een rol speelt of speelde en het wordt duidelijk hoe complex het kan zijn om grondwatergevoede biotopen in het rivierengebied te behouden.

Klimaatverandering en nog meer problemen...
Een menselijke invloed, die qua schaal boven alle voorgaande bedreigingen uitstijgt, is de relatief snelle verandering van het klimaat door de snel toenemende concentratie aan broeikasgassen in de lucht. De gevolgen hiervan zijn o.a.: hevigere neerslag en dus extremere hoogwaterperiodes in het winterhalfjaar, het verdwijnen van gletsjers en daardoor uitdroging van het rivierengebied in de zomer én ook: een grotere kans op immigratie van soorten uit Midden- en Zuid-Europa en het uit Nederland verdwijnen van karakteristieke soorten waarvan de areaalgrenzen naar het noorden opschuiven.

Er zijn er nog bedreigingen voor de natuur in het rivierengebied die nog niet uitputtend zijn onderzocht. Zo komt ook in het rivierengebied een ruime hoeveelheid stikstof naar beneden, die vooral in de voedselarmere delen een negatief effect zal hebben op de biodiversiteit en karakteristieke flora en fauna. Energiecentrales gebruiken rivierwater als koelwater, waardoor de temperatuur van het water sterk oploopt. Dit leidt tot zuurstofarmoede en bovendien maakt het de weg vrij voor exotische diersoorten van warmer water.

Met bijdragen van:
Henk Beije, september 2006 en Wouter Helmer, Emiel Brouwer & Rob Leuven, juni 2007

Literatuur:
Bakker, C., A. Breukelaar, R. Foppen, N. Geilen, W. Liefveld, R. Pouwels & J. Simons, 1999. Ecologische netwerken, basis voor de inrichting van grote rivieren. RIZA rapportr 99.035. RIZA, Arnhem.

Reeze, A.J.G., A.D. Buijse & W.M. Liefveld, 2005: Weet wat er leeft langs Rijn en Maas. Ecologische toestand van de grote rivieren in Europees perspectief. RIZA rapport 2005.010. RIZA, Lelystad.

Wijnhoven, S., G. van der Velde, R.S.E.W. Leuven & A.J.M. Smits, 2006. Modelling recolonisation of heterogeneous river floodplains by small mammals. Hydrobiologia 565: 135-152.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website