Pad: Landschapstypen / Nat zandlandschap / Bedreigingen en Beheeropgaven

Nat zandlandschap

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN EN BEHEEROPGAVEN
Zeer gevoelig voor verdroging en atmosferische deposities
Kansen zijn redelijk
Met bijdragen van
Literatuur


Zeer gevoelig voor verdroging en atmosferische deposities
In de meeste van de natte zandlandschappen treden problemen op door verdroging, verzuring en vermesting. De karakteristieke soorten dreigen steeds verder achteruit te gaan, indirect via concurrentie of direct door veranderingen in milieuomstandigheden.

Verlaging van de grondwaterstand, vermindering van (lokale) kwel, alsook atmosferische depositie en toestroming van vermest en sulfaatrijk grondwater zijn de grootste bedreigingen voor de van nature natte en voedselarme onderdelen van het zandlandschap. Deze bedreigingen hebben op grote schaal geleid tot ernstige verzuring, vermesting en verdroging binnen de levensgemeenschappen. Voorbeelden zijn vergrassing van hoogveen en natte heide met Pijpenstrootje en de grote achteruitgang van de bijzondere soorten uit heischraal grasland en vennen. Een belangrijke rol speelt hierbij het feit dat de voorraden van bufferende stoffen in zand- en leemgronden, en dus ook in het ondiepe grondwater, beperkt zijn. Deze voorraden zijn na decennia ‘zure regen' vaak uitgeput. Door ingrepen in de waterhuishouding is het waterpeil vaak sterker gaan schommelen of gemiddeld lager geworden en is de toestroming van grondwater verminderd. In veel natte zandlandschappen is de aanvoer van bufferende stoffen gestopt als gevolg van een verminderde toevoer van grondwater. In zulke gebieden heeft de verzuring toegeslagen, waardoor planten- en diersoorten van iets minder zure situaties, zoals Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en dus ook Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), meer en meer zijn gaan verdwijnen.

Verdroging van natte gebieden kan behalve met verzuring ook gepaard gaan met ‘interne' vermesting (interne eutrofiëring). Als gevolg van verdroging kan zuurstof dieper in de bodem doordringen, waardoor een versterkte mineralisatie van organisch materiaal optreedt, die leidt tot verhoging van de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Dit probleem treedt op in bodems van natte heiden en in veenbodems. In hoogveensystemen leiden beluchting en afbraak van het veenpakket tot het beschikbaar komen van voedingsstoffen. Ook verdwijnt dan de sponswerking die het veenpakket van nature heeft: door afbraak van veen neemt het volume van de poriën af en vermindert het waterbergend vermogen, zodat de waterstand niet meer constant blijft, maar duidelijke wisselingen gaat vertonen.

De aanplant van bos in veel heiden en stuifzanden is niet alleen ten koste gegaan van die heiden en stuifzanden zelf, maar ook van de vennen die daarin liggen. In vergelijking met de oorspronkelijke lage vegetatie verdampen bomen namelijk meer water. Ook vangen ze meer stikstof uit de lucht in, dat uiteindelijk in het grondwater terecht komt. Hierdoor is de grondwatertoevoer afgenomen en tegelijkertijd toch de stikstoftoevoer naar de vennen toegenomen. Daarnaast is door de aanplant van bomen rondom veel vennen de hoeveelheid blad die er inwaait sterk toegenomen en is de golfslag door windwerking afgenomen. Dit heeft, samen met vermesting en verzuring, geleid tot slibophoping in de vennen, op alle oevers en in het hele ven. Naast aanplant van bos in de infiltratiegebieden hebben ruilverkavelingen in de naastgelegen beekdalen en grondwateronttrekkingen door drinkwaterbedrijven ook bijgedragen tot een verlaging van de grondwaterstanden in de heideterreinen op de beekdalflanken en de dekzandplateaus. Daardoor liggen veel vennen niet meer ‘met hun buik' in het grondwater en nemen in de zomer de lekverliezen door de slechtdoorlatende lagen toe. Daardoor vallen de vennen eerder droog en dit is met name voor vennen met hoogveengroei funest.

Kansen zijn redelijk
Gelet op de gevoeligheid voor stikstof- en zwaveldepositie, is de natuurkwaliteit in het natte zandlandschap in belangrijke mate afhankelijk van structurele maatregelen in de landbouw (t.a.v. ammoniak) en het verkeer (NOx). Hoewel op dit vlak sinds 1990 belangrijke verbeteringen hebben plaatsgevonden, is hier nog een lange weg te gaan. Voor natuurtypen van de zeer voedselarme standplaatsen zoals hoogvenen, is de huidige stikstofdepositie vanuit de lucht nog ver boven de kritische niveaus. Anderzijds hebben recente ervaringen met effectgerichte maatregelen laten zien dat zulke maatregelen in ieder geval tijdelijk zeer effectief kunnen zijn in de bestrijding van de gevolgen van hoge atmosferische deposities. Mogelijk volstaat in natte gebieden met wat minder voor vermesting gevoelige natuurtypen tegenwoordig een éénmalige hersteloperatie om de ‘erfenis van het verleden op te ruimen' en een goede uitgangssituatie te scheppen voor een duurzaam systeem.

Natte zandlandschappen zijn voor hun waterhuishouding sterk afhankelijk van het waterbeheer in de omringende gebieden. Daarom is het nodig om herstel, behoud en inrichting van natte zandlandschappen, droge zandlandschappen, beekdallandschappen en cultuurlandschappen die aan elkaar grenzen op elkaar af te stemmen. Omdat voor herstel van de waterhuishouding in veel gevallen lokale tot regionale, en geen ‘bovenregionale', maatregelen nodig zijn, is de verdroging voor een groot deel oplosbaar met technische maatregelen. Tot nu toe zijn nog maar weinig regionale herstelprojecten ter bestrijding van verdroging van de grond gekomen. In de nabije toekomst zal echter een inhaalslag plaatsvinden. Al met al zijn de kansen voor natuurherstel in het natte zandlandschap in de toekomst redelijk groot.

Meer gedetailleerde informatie over bedreigingen en beheeropgaven wordt gegeven onder de diverse natuurtypen.

Met bijdragen van:
Henk Beije, juni 2006; Gert-Jan van Duinen & Emiel Brouwer, augustus 2007; André Jansen, oktober 2007.

Literatuur:
Bobbink, R., E. Brouwer, J.G. ten Hopen & E. Dorland (2004). Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: G.A. van Duinen e.a. (red.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 Jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp. 33-70.

Smolders, A.J.P., H.B.M. Tomassen, J. Limpens, G.A. van Duinen, S. van der Schaaf & J.G.M. Roelofs, 2004. Perspectieven voor hoogveenherstel in Nederland. In: G.A. van Duinen e.a. (red.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit - 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur. Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede. Pp.71-107.

Verschoor, A.J., G.J. Baaijens, F.H. Everts, A.P. Grootjans, W. Rooke, S. van der Schaaf & N.P.J. de Vries, 2003. Hoogveenontwikkeling in veentjes en kleinschalige hoogveencomplexen op het Dwingelerveld; een landschapsbenadering. Rapport EC-LNV nr. 2003/227-O, Ede.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website