Pad: Landschapstypen / Zee en wad

Zee en wad

inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

Omschrijving van het natuurtype
Betekenis algemeen
Natuurdoelen conform 'Natura 2000'

KENSCHETS

Geomorfologie
Voedselweb
Bodemdieren: macrobenthos
Vissen
Vogels
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Omschrijving van het natuurtype
Het natuurtype ‘zee en wad' omvat droogvallende zand- en slikplaten, die door de zee worden overstroomd, de tussenliggende geulen en diepere zeebodems en het open water daarboven. Deze tekst beperkt zich grotendeels tot het ‘natte wad', gevormd door het intergetijdengebied of littoraal, gelegen tussen de gemiddelde hoog- en laagwaterlijn, en het sublittoraal beneden de laagwaterlijn. De buitendijkse schorren en kwelders die op veel plaatsen grenzen aan het natte wad worden elders besproken (zie Kwelder en schor). In Nederland komt ‘zee en wad' voor in de Waddenzee en het Eems-Dollard estuarium, in de Ooster- en Westerschelde in het Deltagebied en op kleinere schaal in de Voordelta. Hiervan vormen de Eems en de Westerschelde de enige overgebleven echte estuaria met geleidelijke overgangen van zout naar zoet water. Lauwerszee, Zuiderzee, Haringvliet-Hollands Diep en Grevelingen zijn in de afgelopen eeuw als zodanig verloren gegaan. 

Betekenis algemeen
Waddengebieden behoren tot de meest productieve zoutwaterecosystemen ter wereld, met een veelheid aan overgangszones tussen land, regelmatig droogvallende platen, zee en zoet water. In de gematigde klimaatzone is een gebied zoals de internationale Waddenzee vrijwel uniek door zijn grootte en rijkdom. De hoge voedselproductie ondersteunt vogel-, vis-, schaaldier- en zeezoogdiersoorten tot ver buiten de gebiedsgrenzen. Waddengebieden vervullen essentiële functies in het leven van ongewervelde dieren, vissen en vogels: als foerageergebied, kraamkamer en rustgebied tijdens de rui en de trek. De betekenis voor vogels is bijzonder; de Waddenzee wordt jaarlijks aangedaan door enkele miljoenen watervogels en het Deltagebied door honderdduizenden. De gebieden liggen op een knooppunt van vogeltrekwegen die samen de ‘Oostatlantische Vliegroute' vormen, die broedgebieden van Noordoost-Canada en Groenland tot Centraal-Siberië verbindt met overwinteringsgebieden van Noordwest-Europa tot in West- en Zuid-Afrika.

De bestanden van vis en sommige schelp- en schaaldieren worden op economische schaal door de mens geëxploiteerd. Ondanks het feit dat vele vormen van menselijk activiteit invloed hebben op de natuur in deze waddengebieden behoren ze tot de meest ‘natuurlijke' ecosystemen van Nederland.

Natuurdoelen conform ‘Natura 2000'
De Waddenzee (inclusief het Eems-Dollard-estuarium), de Oosterschelde en de Westerschelde zijn aangewezen als Natura 2000-gebied onder de EU Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De beschermingsdoelen worden gevormd door de habitattypen ‘Permanent overstroomde zandbanken' (H1110), ‘Estuaria' (H1130), ‘Slik- en zandplaten‘ (H1140), ‘Grote Baaien' (H1160), een aantal habitattypen kenmerkend voor Kwelder en schor, en drie soorten vissen, twee soorten zeezoogdieren en 55 soorten vogels, waaronder 15 broedvogels (tabel 1).

KENSCHETS

Geomorfologie
Waddengebieden ontstaan in ondiepe kustzones waar genoeg aanvoer van slib en zand plaatsvindt vanuit het binnenland (door rivieren) of vanuit zee, en waar voldoende beschutting is om dit te laten bezinken. Deze omstandigheden komen voor in baaien en riviermondingen, maar ook in ondiepe kustzeeën waar zich een langgerekte barrière (strandwal) of een reeks van eilanden heeft gevormd, zoals in de Waddenzee. Op luwe plaatsen bezinkt het door het water meegedragen sediment en vormt slikken en platen die met laagwater droogvallen en met hoogwater weer onderlopen. In een waddengebied waarin aan‑ en afvoer van sediment in balans zijn, wordt de grootte van de geulen (en dus de verhouding tussen geulen en platen) bepaald door het volume aan water dat er met elk getij doorheen stroomt.

De werking van getij en wind zorgt voor een continue verplaatsing van sediment, waardoor een zeer dynamisch landschap ontstaat waarin de ligging en vorm van geulen en platen voortdurend verandert en veel verschillende condities voorkomen wat betreft diepte, droogvalduur, stroomsnelheid en sedimentsamenstelling. Omdat grover sediment eerder bezinkt dan fijn materiaal, bestaan de droogvallende platen aan de zeezijde en nabij de grote geulsystemen doorgaans vooral uit zand, en wordt slib vooral afgezet langs de randen van de kombergingsgebieden en langs de vastelandskust. In een estuarium zoals de Westerschelde kunnen harde zandplaten en zeer zachte slikken ook dicht bijeen liggen.

In alle Nederlandse waddengebieden mondden van oorsprong rivieren uit die zoet water en slib aanvoerden uit het achterland. Deze aanvoer is in de Waddenzee sterk beperkt door de Afsluitdijk, en in de Oosterschelde afgesneden door de Philipsdam en Oesterdam. Aan de Noordzeezijde is nog sprake van natuurlijke gradiënten, maar aan de landzijde vormen de dijken een harde grens. In de Oosterschelde en het Eems-estuarium is ook de verbinding met de Noordzee sterk beperkt door de aanleg van een stormvloedkering.

In het water zwevend slib speelt een sleutelrol in de ecologie van de Waddenzee, doordat meestal de hoeveelheid licht die doordringt in de waterkolom beperkend is voor de primaire productie. Het slib komt van oorsprong uit de Noordzee, maar troebeling van het water wordt vooral veroorzaakt door lokale opwerveling. Die kan ontstaan door natuurlijke processen zoals golven, getij en veranderingen in stroomsnelheid, maar wordt ook beïnvloed door op of in de bodem levende organismen. Cyanobacteriën en bodem­diatomeeën, banken van schelpdieren en kokerwormen, zeegrasvelden en kweldervegetaties stabiliseren het sediment, maar dieren die graven in de toplaag van de bodem, zoals wormen, slijkgarnalen en jonge platvis, woelen het juist los. Ook door menselijke activiteiten kan slib in suspensie gaan (zie Bodemberoering door visserij en andere activiteiten).

Voedselweb
De primaire voedselproductie in de waddengebieden vindt vooral plaats door algen in de waterkolom (fytoplankton) en in mindere mate door algen die op of net onder het bodemoppervlak leven (fytobenthos). Vroeger speelden ook zeegrassen (Zostera spp.) een rol, maar deze zijn zeer schaars geworden. Zeegrassen zijn nog het meest aanwezig in de Oosterschelde en daarnaast vindt herintroductie plaats op experimentele schaal. Macroalgen zoals Zeesla Ulva lactuca komen nog wel veel voor. De primaire voedsel­productie ondersteunt een grote gemeenschap van ongewervelde dieren in en op de bodem van de droogvallende platen en de geulen. Het betreft wormen, schelpdieren en kleine kreeftachtigen, die algen en andere planktonorganismen direct uit het water filteren (filter feeders), of eten nadat ze uit de waterkolom naar de bodem zijn gezakt (deposit feeders). Op stabiele plaatsen, die niet te sterk door de mens worden beïnvloed, vormen sommige soorten ‘biogene structuren' zoals mossel- en oesterbanken en riffen van kokerwormen. Deze vormen op hun beurt het habitat voor vele andere soorten. De bodemdieren worden gegeten door ongewervelde predators en aaseters zoals zeesterren, garnalen en krabben, en door vissen en vogels. De toppredators in het systeem zijn zeehonden, (roof)vogels en grote roofvissen, hoewel de laatste groep door overbevissing vrijwel is verdwenen. Ook de mens exploiteert populaties van vis en schelp- en schaaldieren.

Een belangrijk kenmerk van het waddenecosysteem is dat het sterke verbindingen heeft met de Noordzee en met het achterland. Er is een grote uitwisseling van materiaal tussen de Noordzee en de wadden en er vindt ook aanvoer van nutriënten en organische stoffen plaats via de rivieren. Naast materialen verplaatsen ook organismen zich vrijelijk tussen de verschillende systemen: vissen tussen Noordzee en Waddenzee en trekvogels tussen arctische toendra's, Nederlandse en Westafrikaanse wadgebieden.

Bodemdieren: macrobenthos
Zelfs de meest turbulente zeebodems vormen een biotoop voor organismen, maar naarmate het sediment minder in beweging is, nemen de biomassa en de biodiversiteit toe. Stabiliteit van bodems voorkomt dat ingegraven dieren worden uitgespoeld en biedt meer mogelijkheden aan soorten die op het bodemoppervlak leven, waarvan sommige aaneengesloten riffen, bedden of banken kunnen vormen. Voorbeelden van zulke ‘biobouwers' zijn Zeegras, Mosselen Mytilus edulis, Platte en Japanse Oesters Ostrea edulis en Crassostrea gigas en kokerwormen (Zandkokerworm Pygospio elegans, Schelpkokerworm Lanice conchilega en Honingraatworm Sabellaria spinulosa). Door vestigings- en schuilmogelijkheden te bieden aan andere organismen dragen biobouwers belangrijk bij aan de biodiversiteit. Door hun filtratieactiviteit leggen ze veel slib vast en hebben ze een positieve invloed op de helderheid van het water, waardoor algen en planten zich beter kunnen ontwikkelen. Hun invloed strekt zich daarmee ver buiten hun eigen begrenzing uit.

De uiterste vorm van stabiele bodems is hard substraat waarop soorten het oppervlak dikwijls geheel bedekken. Hard substraat is in de waddengebieden van nature aanwezig in de vorm van schelpmateriaal. Dode en levende schelpen bieden een groeiplaats aan andere schelpdieren, maar ook aan een scala aan vasthechtende filter feeders zoals sponzen, anemonen, zakpijpen, mosdiertjes en hydroïdpoliepen. Vooral in het Deltagebied bieden ook dijken en steenstortingen langs dijkvoeten hard substraat.

In gebieden met zachtere bodems wordt de bodemfauna gedomineerd door verspreid levende wormen, schelpdieren en kreeftachtigen. Door hun grootte en/of talrijkheid als voedsel voor vogels belangrijke soorten zijn onder meer wormen zoals Wadpieren Arenicola marina en Zeeduizendpoten Nereis spp., tweekleppige schelpdieren zoals Kokkels Cerastoderma edule, Nonnetjes Macoma balthica en Slijkgapers Scrobicularia plana, en Slijkgarnalen Corophium volutator. Ook Gewone Garnalen Crangon crangon en Strandkrabben Carcinus maenas worden door veel soorten vogels gegeten.

De aantallen van bepaalde soorten biobouwers, zoals Zeegrassen en Mosselen, zijn in de Waddenzee in de afgelopen eeuw dramatisch afgenomen. Geheel of vrijwel verdwenen zijn de Zeecypres Sertularia cupressina, waarvan in het begin van de vorige eeuw jaarlijks ca. 10.000 kg werd geoogst vanaf de Waddeneilanden, en de Platte Oester die in het Deltagebied op grote schaal werd gekweekt, maar ook in de diepere delen van de Waddenzee veel voorkwam tot hij verdween door overbevissing en een ziekte. Andere soorten, zoals de uitheemste Japanse Oester en Amerikaanse Zwaardschede Ensis directus, zijn echter toegenomen.

Banken van Mosselen vormden van oudsher wellicht de belangrijkste biogene structuren in de Waddenzee, mede vanwege hun grote directe rol als voedsel voor vogelsoorten, zoals Eider Somateria mollissima en Scholekster Haematopus ostralegus. Ze komen zowel voor in het sublittoraal als op de droogvallende platen, en werden intensief bevist. Droogvallende mosselbanken zijn rond het eind van de jaren ‘80 bijna geheel uit de Waddenzee verdwenen door overbevissing. De frequentie van ‘zaadval' (waarbij de in de waterkolom zwevende larven zich als jonge mosselen aan het substraat vasthechten) op littorale banken is relatief laag, gemiddeld eenmaal per vier jaar. In jaren met weinig zaadval nemen de arealen af, onder meer als gevolg van winterstormen. Na het vrijwel stopzetten van de visserij op droogvallende banken sinds 1994 heeft op de platen van de oostelijke Waddenzee een aanzienlijk herstel plaatsgevonden, maar in de westelijke Waddenzee nauwelijks. Hier laat de zaadval het op de droogvallende platen (maar niet in het sublittoraal) afweten en zijn veel banken inmiddels door Japanse Oesters overgroeid. Andere numeriek belangrijke schelpdiersoorten zoals Kokkel en Nonnetje, die eveneens sterke fluctuaties in zaadval kennen, vertonen met Mossels vergelijkbare contrasterende trends in de oostelijke en westelijke Waddenzee. Een (door bodemberoerende visserij en/of morfologische veranderingen) veranderde sedimentsamenstelling en factoren die samenhangen met klimaatverandering en vermindering van eutrofiëring zijn geopperd als oorzaak van de afname van deze soorten.

Vissen
Het natuurtype herbergt een grote variatie aan benthische en pelagische vissen, waarvan sommige permanent aanwezig (resident) zijn. Andere vissen benutten estuariene gebieden gedurende een bepaald seizoen, een bepaald deel van hun levenscyclus (groei, opbouw van reserves, reproductie), of op doortrek van open zee naar paaigebieden in zoet water of omgekeerd.

De ontwikkeling in de totale biomassa aan vis in de estuariene wateren sinds ca. 1970 vertoont een koepelvorm, met een toename tot ca. 1985 gevolgd door een afname tot het begin van deze eeuw. Deze wordt gedomineerd door veranderingen bij mariene vissen waarvan de juvenielen zich in estuariene wateren ontwikkelden; tegenwoordig wordt het visbestand gedomineerd door residente soorten. Schol Pleuronectus platessa en Tong Solea solea zijn soorten waarvoor de Waddenzee veel van zijn ‘kraamkamerfunctie' heeft verloren. De oorzaak is nog niet goed begrepen, maar opwarming van het zeewater en veranderingen in het seizoenspatroon van het voedselaanbod kunnen een rol spelen. Tot in de vorige eeuw paaiden in de Waddenzee (en de voormalige Zuiderzee) enkele soorten roggen en haaien die thans zijn verdwenen als gevolg van overbevissing op (voornamelijk) de Noordzee. Gewone Zeehond Phoca vitulina en Grijze Zeehond Halichoerus gripus (de laatste alleen permanent in de Waddenzee) zijn nu de toppredatoren van de vis-voedselketen.

Vogels
Vissen en de benthische ongewervelde fauna vormen het voedsel voor vele vogelsoorten die zich in grote aantallen in waddengebieden concentreren. Vis- en garnaleneters zoals futen Podiceps spp., Aalscholver Phalcracorax carbo, Kleine Zilverreiger Egretta garzetta, Lepelaar Platalea leucorodia, zaagbekken Mergus spp., sterns Sterna spp. en sommige meeuwen Larus spp. foerageren op het open water of in geulen op de droogvallende platen. Duikeenden, zoals Eider, Topper Aythya marila en Zwarte Zee-eend Melanitta nigra benutten de schelpdier­concentraties in het sublittoraal,  en foerageren tijdens hoogwater ook op de overstroomde platen in het littoraal. De ongewervelde fauna op deze platen wordt daarnaast benut door honderdduizenden steltlopers en tienduizenden meeuwen en zwemeenden (de laatste ook foeragerend op diatomeeënlagen op het wadoppervlak). Voor Rotganzen Branta bernicla zijn macroalgen zoals Zeesla en (vroeger) zeegrassen van belang als voedselbron.

Een deel van deze vogelsoorten (vooral viseters en Scholekster) broedt in het wadden­gebied, doorgaans op predatorarme plaatsen, zoals permanent droogvallende platen, wadden­eilanden, vastelandskwelders en binnendijkse inlagen en karrenvelden in het Deltagebied. Buiten het broedseizoen zijn de aantallen en soortenrijkdom nog veel groter, doordat zeer veel vogels van elders in het gebied overwinteren, pleisteren tijdens de trek of de rui van het verenkleed doormaken.

De meeste vogelsoorten die foerageren op de droogvallende slikken en platen kunnen daar alleen bij laagwater terecht. Hun foerageeractiviteit volgt daarom meer de getijcyclus dan een dag- en nachtritmiek; ook als laagwater 's nachts valt, wordt er volop gefoerageerd. Als de vloed de platen overstroomt vliegen de vogels naar ‘hoogwatervluchtplaatsen' op hooggelegen platen, kwelders en binnendijkse akkers en graslanden, dikwijls op vele kilometers afstand. Hier wordt vooral gerust, maar soorten zoals Wulp Numenius arquata en Scholekster benutten ook wel binnendijkse graslanden om hun voedselopname te verhogen. Rotganzen halen het leeuwendeel van hun voedsel van deze graslanden en van kwelders.

De recente ontwikkeling van de aantallen watervogels in Waddenzee, Oosterschelde en Wester­schelde verschilt per gebied, maar vooral tussen vogelgroepen met een verschillend dieet. Planteneters zijn vrijwel overal toegenomen, vermoedelijk vooral door een verbeterde voedselkwaliteit in binnendijkse graslanden waar deze soorten ook veel foerageren. Viseters van het open water zijn tot in de jaren '90 toegenomen, maar vertonen sindsdien een lichte afname, behalve in de Oosterschelde. Bij de bodemfauna-eters zijn de aantallen van de groep soorten die voornamelijk schelpdieren eten (Eider, Scholekster, Kanoet Calidris canutus en Zilvermeeuw Larus argentatus) in de Westelijke Waddenzee aanvankelijk toegenomen, maar na 1990 weer sterk gedaald. In de overige gebieden zijn de aantallen veel minder veranderd, behalve bij de Scholekster die overal is afgenomen. Steltlopers die vooral wormen eten, nemen als groep sinds ca. 1990 juist in alle gebieden toe, om nog niet goed begrepen oorzaken.

Met bijdragen van:
Hans Schekkerman en Bruno Ens, november 2010.

Literaratuur:
Anonymus 2010. Bouwstenen behorende bij het Programmaplan 2010 ‘Naar een rijke Waddenzee'. Waddenacademie, Leeuwarden.

Anonymus 2010. Plan van Uitvoering Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee: Transitie mosselsector. 3 februari 2010.

Camphuysen, C.J., Berrevoets, C.M., Cremers, H.J.W.M., Dekinga, A., Dekker, R., Ens, B.J., van der Have, T.M., Kats, R.K.H., Kuiken, T., Leopold, M.F., van der Meer, J., & Piersma, T. 2002. Mass mortality of Common Eiders (Somateria mollissima) in the Dutch Wadden Sea , winter 1999/2000: starvation in a commercially exploited wetland of international importance. Biological Conservation 106: 303-317.

Verhulst, S., K. Oosterbeek, A. L. Rutten, and B. J. Ens. 2004. Shellfish fishery severely reduces condition and survival of oystercatchers despite creation of large marine protected areas. Ecology and Society 9: 17.

Ens B.J., E. van Winden, C.A.M. van Turnhout, M.W.J. van Roomen, C.J. Smit & J. Janssen 2009. Aantalontwikkeling van wadvogels in de Nederlandse Waddenzee in de periode 1990-2008: verschillen tussen Oost en West. Limosa 82: 100-112.

Geurts van Kessel A.J.M. 2004. Verlopend getij. Oosterschelde, een veranderend natuurmonument. Rapport RIKZ/2004.028, Rijkswaterstaat Rijksinstituut voor Kust en Zee, Middelburg.

van Gils, J. A., Piersma, T., Dekinga, A., Spaans, B. & Kraan, C. 2006. Shellfish-dredging pushes a flexible avian toppredator out of a protected marine ecosystem. PLoS Biology 4

Hustings F., K. Koffijberg, E. van Winden, M. van Roomen, SOVON Ganzen- en Zwanenwerkgroep & L. Soldaat 2009. Watervogels in Nederland in 2007/2008. Sovon-monitoringrapport 2009/02, Waterdienst-rapport 2009.020. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.

Jonker S. en M. Menken 2008. Voortoets bestaand gebruik Waddenzee - Hoofdrapport. Rapport RWS 2008.054, RWS Waterdienst/ Dienst Noord Nederland.

van de Kam J., B. Ens, T. Piersma & L. Zwarts 1999. Ecologische Atlas van de Nederlandse Wadvogels. Schuyt & co., Haarlem.

Maclean I.M.D., G.E. Austin, M.M. Rehfisch, J. Blew, O. Crowe, S. Delany, K. Devos, B. Deceuninck, K. Günther, K. Laursen, M. Van Roomen & J.S Wahl 2008. Climate change causes rapid changes in the distribution and site abundance of birds in winter. Global Change Biology 14: 2489-2500.

Ministerie van LNV 2005. Natuurprogramma Westerschelde. Ministerie van LNV, Den Haag.

Piersma, T., Koolhaas, A., Dekinga, A., Beukema, J.J., Dekker, R., & Essink, K. 2001. Long-term indirect effects of mechanical cockle-dredging on intertidal bivalve stocks in the Wadden Sea . Journal of Applied Ecology 38: 976-990.  

van de Pol M., B.J. Ens, D. Heg, L. Brouwer, J. Krol, M. Maier, K.-M. Exo, K. Oosterbeek, T. Lok, C.M. Eising & K. Koffijberg 2010. Do changes in the frequency, magnitude and timing of extreme climatic events threaten the population viability of coastal birds? Journal of Applied Ecology 47: 720-730.

Slijkerman D.M.E., J.E. Tamis, O.G. Bos, H.M. van Overzee, R.G. Jak 2008. Voortoets visserijeffecten Waddenzee. Rapport C093/08, Imares, Wageningen.

Troost, K. 2009. Doelendocument Natura 2000 Deltagebied. Rijkswaterstaat Directie Zeeland en Waterdienst, Middelburg.

Programmateam Naar Een Rijke Waddenzee 2010. Naar een rijke Waddenzee: programma­plan voor natuurherstel in de Waddenzee. Versie 2.1. Waddenacademie, Leeuwarden.

van Roomen, M. C. van Turnhout, E. van Winden, B. Koks, P. Goedhart, M. Leopold & C. Smit 2005. Trends van benthivore watervogels in de Nederlandse Waddenzee 1975-2002: grote verschillen tussen schelpdiereters en wormeneters. Limosa 78: 21-38. 

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website