Pad: Landschapstypen / Duin- en kustgebied

Duin- en kustgebied

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS

KENSCHETS
Duinvorming en kweldervorming, kustaangroei en kustafslag
Successie
Verschillen in kalkgehalte: Renodunaal district en Waddendistrict
De zoetwaterbel onder het duin
Overgangen naar kwelders aan de duinvoet
De typologie van Doing en het ontstaan van duinlandschappen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS
Zonder onze kustduinen zou de helft van Nederland niet bestaan: de eerste functie van het duin- en kustgebied is bescherming te bieden tegen de zee. Toch heeft de kuststrook een voor Nederlandse begrippen grote mate van natuurlijkheid. Een groot deel van het landschap, de duinenrij en het strand ervoor, is bewaard gebleven. En zonder onze kustduinen zouden we het bovendien zonder een belangrijk deel van onze biodiversiteit moeten doen.

De natuur van onze kustduinen en zoutmoerassen is zeer waardevol, ook in internationaal opzicht. In slechts weinig landen komen zulke grote oppervlakten met kweldervegetatie voor als in Nederland en de soorten die er thuishoren, komen vrijwel niet in andere milieus voor. Delen van onze duinen behoren tot de best ontwikkelde en meest soortenrijke duingebieden van Europa.

Ons land is klein en er zijn maar weinig plantensoorten waarvan het voorkomen in ons land een belangrijk aandeel vormt van hun totale verspreidingsgebied. De bijdrage van duin- en kustplanten aan het selecte groepje van soorten die op grond van dit criterium een bijzondere beschermingsstatus verdienen, is opvallend groot; een aantal ervan noemen we bij de bespreking van de natuurtypen. Voorbeelden van zulke soorten zijn Drienervige zegge (Carex trinervis) in duinvalleien en Kruipend moerasscherm (Apium repens) in brakke en zoete poelen.

Achter de duinenrij bevindt zich een van de dichtst bevolkte gebieden van Europa. De kust is voor de bevolking van de Randstad het meest populaire gebied aangaande recreatie en natuurbeleving. Verder heeft het duinsysteem, vaak kortweg aangeduid als het duin, ook een belangrijke functie in de drinkwatervoorziening. Een groot deel van het drinkwater voor onder andere Noord- en Zuid-Holland wordt er na externe voorzuivering ontdaan van bacteriën en virussen en op de voorgeschreven temperatuur gebracht.

KENSCHETS

Duinvorming en kweldervorming, kustaangroei en kustafslag
Van oorsprong vormt ons duin- en kustgebied de rand van een delta, een gebied dat voortdurend in beweging is en ingesloten ligt binnen de monding van een rivier die zich vertakt. De rivieren zorgen voor een aanvoer van klei- en zanddeeltjes. Zandaanvoer vindt ook plaats via de zee, door een zeewaterstroming vanuit het Kanaal in de richting van Denemarken.
De grote zandplaten die de basis vormden voor ons huidige kustgebied, zijn door zijdelingse verplaatsing van gigantische zandmassa's ontstaan. Die verplaatsing kwam op gang nadat het Nauw van Calais was doorgebroken en daar een verbinding van de zee met de noordelijke Noordzee bij de Doggersbank tot stand was gekomen. In die lang vervlogen tijden vond op de grens van zee en land alsmaar vorming van lage duinen plaats, of zogenoemde strandwallen. Bij doorgaande zandlevering vanuit zee ontstonden kilometers brede stranden, waarop onder gunstige omstandigheden, dicht bij zee, weer nieuwe strandwallen ontstonden. Zo zijn de min of meer evenwijdige bundels van strandwallen ontstaan waarop onze grote steden tot ontwikkeling kwamen, van Alkmaar tot Den Haag.

Ongeveer 700 voor begin van de jaartelling vond er een omslag plaats van kustaangroei naar kustafbraak, waarvan de oorzaak nog steeds niet bekend is. In de nu volgende periode zijn de meest westelijke van de oude strandwallen en -vlakten weer door de zee verzwolgen. Ondertussen werd het weggespoelde zand opnieuw over de resterende kust afgezet: zo zijn de huidige duinen ontstaan die ook ‘jonge duinen' worden genoemd. De afslag van onze westkust gaat tot op de dag van vandaag door en het uiterlijk van onze vastelandsduinen is er door bepaald. In het waddengebied vindt behalve afslag ook kustaangroei plaats, dit essentiële proces met de daarbij horende duinvorming wordt behandeld onder embryonale duinen en witte duinen.

Verreweg het belangrijkste proces om het uiterlijk en het functioneren van vooral de vastelandsduinen te begrijpen is de vorming van ‘mobiele duinen' bij afslag in de buitenste duinenrij, de ‘zeereep'. Bij winterstormen wordt de begroeide duinvoet weggeslagen en ontstaat een kale zeereepklif waarop de stormwind een makkelijk aangrijpingspunt vindt. Windkuilen groeien dan uit tot hoefijzervormige, zogenoemde ‘microparaboolduinen'. Die duintjes kunnen zich onder gunstige omstandigheden van de buitenste duinenrij afsnoeren en aan een reis over het bestaande duingebied beginnen. Hoe verder ze daarbij van het strand vandaan komen, hoe groter zij worden: macro- of zelfs megaparaboolduinen vormend. In het midden van de huidige duingebieden komen paraboolduinen voor met een breedte van meer dan 1 km. In geval van vorming van mobiele duinen zijn dus constant geweldige zandmassa's in beweging door het landschap, waarbij aan de voorzijde, de ‘lijzijde', de bestaande begroeiing, inclusief bossen, verzwolgen wordt. Aan de achterzijde, de ‘loefzijde' ontstaat daarbij echter telkens opnieuw pioniermilieu, en dat is meestal een nat milieu omdat een massieve verstuiving in ons land altijd tot aan het grondwater doorgaat. In kalkarme duinen, maar ook onder invloed van extreme roofbouw kunnen anders gevormde mobiele duinen ontstaan, zogenoemde ‘loopduinen'.

In de 19de en tot in 20ste eeuw zijn alle grootschalige mobiele duinen dichtgeplant met Helm en naaldbos om de duinen productief te maken. De laatste mobiele duinen zijn in de jaren 1920 bij Schoorl vastgelegd.

In de beschutting van de duinenrijen vond via de zeegaten over grote oppervlakten afzetting van zand en slib plaats. Vroeger kwamen er meer zeegaten voor, zoals het Oer-Y bij Castricum. Op de zand en slikplaten ontstonden uitgestrekte zoutmoerassen, ook aangeduid als kwelders. Op den duur, bij voortgaande isolatie van de zee, gingen deze kwelders verzoeten en ontwikkelden zich hoogvenen, laagveenmoerassen of bossen. Deze ontwikkelingen konden door afzetting of ‘sedimentatie' en wegslijting of ‘erosie' van materiaal tijdens overstromingen worden teruggezet of afgebogen, waardoor er een ingewikkeld ruimtelijk patroon van vegetatiestructuren kon ontstaan. Net als de duinvorming is de kweldervorming afhankelijk van een dynamisch evenwicht op grootschalig niveau. Als de natuur haar gang kan gaan, vindt op de ene eerder opgebouwde kustplek honderden jaren van aaneensluitende vegetatiesuccessie plaats, terwijl andere plekken bijvoorbeeld bij flinke stormen afkalven. De afbraak van een kustplek levert weer materiaal om elders een duin of kwelder te laten ontstaan.

In het water vinden van nature soortgelijke processen plaats. Vanouds vond op luwe plaatsen afzetting van materiaal plaats waardoor zich grote Zeegrasvelden vormden (Zostera sp.). Hier tussendoor ontstond een fijnmazig patroon van geulen en geultjes die onder meer verschilden qua diepte, stroomsnelheid, getijdenverschil en bodemsamenstelling. Waar bovendien een riviermonding aanwezig was, nam het aantal van de onderwater biotopen nog verder toe vanwege de milieuovergangen van zoet naar zout. Zo ontstond ons bijzonder grote zoetwatergetijdengebied in de Zeeuwse delta.

Op het vasteland bestaat het gebied dat wij gemakshalve aanduiden als ‘de duinstreek' in feite uit drie heel verschillende landschappen: de oude strandwallen, de oude strandvlakten en de jonge duinen. De meest reliëfrijke duinenstrook is direct langs de kust gelegen en dit is wat we gewoonlijk met duinen bedoelen. Deze duinen zijn niet ouder dan ca. 1200 jaar. Grote delen van de veel oudere strandwallen- en strandvlaktelandschappen zijn in landbouwgebruik of verstedelijkt, maar er is in die landschappen vrij veel bos. Voor meer informatie - ook over de drie landschapstypen - zie ‘Duinbos'.

Beschrijvingen van landschaps- en natuurtypen van kustmilieus met sterke invloed van zeewater zijn nog in voorbereiding, bijv. ‘Kwelders en slikken', ‘Afgesloten zeearm' en ‘Brakke plas'. Daarom ligt in de vervolg tekst van deze webpagina en haar subpagina's nu de nadruk op de kustduinen terwijl de kwelders en brakke milieus - voorlopig - onderbelicht zijn gebleven.


Groote Keeten, foto: Bas Arens

Successie
In de loop van de duinvorming vindt - tenzij afslag plaatsvindt - van nature een vegetatiesuccessie plaats, waarbij kaal zand begroeid raakt en zich via een reeks van begroeiingsstadia op gunstige plaatsen gesloten bos vormt. De duinheiden en duingraslanden kunnen zich lange tijd handhaven. Enerzijds gebeurt dat onder invloed van abiotische stress door zout en stuivend zand. Anderzijds kunnen ze door geregeld vegetatie te oogsten of te verwijderen voor beheersdoelen lange tijd in stand worden gehouden. De meest waardevolle stadia voor zowel flora als fauna zijn de jongere stadia van de successiereeks: embryonale duinen , Helmduinen die ook aangeduid worden als witte duinen en de ijl begroeide kruidenrijke gedeelten van grijze duinen en kalkrijke duinvalleien . Op den duur, naarmate de successie voortschrijdt, onderscheidt zich de soortensamenstelling van de duingemeenschappen steeds minder van die van hun tegenhangers in het binnenland. Er zijn slechts heel weinig oude begroeiingsstadia onaangetast bewaard gebleven. Daarom is het onduidelijk in welke mate bijvoorbeeld oude duinvalleien en duinbossen gekenmerkt worden door eigen soortcombinaties.

De hierboven beschreven dynamiek met enerzijds opbouw en anderzijds afbraak, is nodig om de jonge stadia van het duinvormingsproces in het duingebied te behouden en er de grote ruimtelijke afwisseling niet te verliezen. Die afwisseling is zeer belangrijk voor veel diersoorten.

Verschillen in kalkgehalte: Renodunaal district en Waddendistrict
Er worden in het Nederlandse duin twee floradistricten onderscheiden waarbij de flora van elkaar afwijkt in relatie tot het kalkgehalte: het kalkarme Waddendistrict in het noorden en het kalkrijke Renodunaal district in het zuiden. De grens tussen beiden ligt in de Hollandse vastelandsduinen en loopt door het Noord-Hollands Duinreservaat bij Bergen. Het gaat hier om een belangrijke geologische grens: een ‘kalkgrens' of ‘kalkdrempel' waarbij het zand ten zuiden van deze grens rijker is aan kalkresten en mineralen zoals ijzer en magnesium. In dit zuidelijke gebied is de bijdrage van mineraalrijk zand uit het Rijnsysteem groter geweest dan in het noordelijke. De verschillen in het zand van de beide gebieden hebben verder te maken met verschillen aangaande de mariene schelpenfauna voor de kust. In het zuiden is een soortenrijke fauna tot ontwikkeling gekomen met schelpen die gemakkelijk vergruizen, zoals de stevige strandschelp (Spisula subtruncata). In het noorden is de schelpenfauna armer aan soorten en bestaat ze vooral uit kokkels (Cardium spp) die moeilijker versplinteren.

De zandplaten waarmee de duinvorming begint, zijn in het zuiden dus rijk aan schelpresten die een bron zijn van kalk en ze zijn tevens rijk aan mineralen. Een duinsysteem wordt opgebouwd met materiaal dat van de zandplaten komt en is dus van begin af aan een kalkrijk duin of kalkarm duin. Dit verschil in kalkgehalte en mineralenrijkdom in de beide districten heeft veel invloed op de successie in het duin. Niet alleen komen er andere soorten voor in duinlandschappen met een verschillend kalk- en mineralengehalte, ook de vegetatiestructuur is anders. In kalkrijke duinen vindt veel eerder struweelvorming plaats dan in kalkarme duinen. De verschillen in kalkgehalte, plantensamenstelling en vegetatiestructuur hebben uiteraard ook grote invloed op de samenstelling van de fauna.

De zoetwaterbel onder het duin
De Nederlandse kustduinen vormen het hoogste punt in het regionale landschap; het achterliggende land ligt laag, vaak zelfs beneden zeeniveau. Zout water is zwaarder dan zoet water en dat heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste dringt het zeewater ver landinwaarts door in de ondergrond; in de hele kuststreek van ons land - en zelfs daarbuiten - bevat de ondergrond brak of zout water. Het tweede effect is dat er zich dankzij het neerslagoverschot en wegzijging van regenwater in de zandbodem een bolvormige ‘zoetwaterbel' of ‘lens' vormt in het duinsysteem, die als het ware op de zilte onderlaag drijft. Naarmate het duin breder is, bolt deze bel sterker op en wordt het zilte water ook dieper weggedrukt in de ondergrond. De vorm van de lens hangt verder af van de verspreiding van slecht- of ondoorlatende bodemlagen.

Voor alle natuurlijke of nagenoeg natuurlijke natte duinlandschappen is deze zoetwaterbel essentieel. Als de bel eenmaal gevormd is, gaan duinbeekjes zorgen voor de afvoer van het neerslagoverschot, of treedt grondwater uit aan de randen van de duingebieden. Doordat de bel afhankelijk is van het neerslagoverschot, neerslag minus verdamping, krimpt deze in de zomer enigszins en zet in de winter weer uit. In een natuurlijke situatie treedt in de centraal gelegen duingebieden een wisselende waterstand op, terwijl aan de randen van de duinsystemen, bij een vrij stabiele waterstand, permanent water weglekt via kwel of via duinbeekjes. Naarmate het duingebied smaller en lager is, is de zoetwatervoorraad in het duin kleiner en hiermee gevoeliger voor allerlei verstoringen in de waterhuishouding. In een breder wordend of aangroeiend duin zal de grondwaterwaterstand stijgen en dan kunnen duinvalleien veranderen in duinmeren. In een duingebied dat smaller wordt, bijvoorbeeld door kustafslag, zal juist verdroging van natte systemen optreden.

Ameland, foto: Bas Arens


Overgangen naar kwelders aan de duinvoet
In een natuurlijk duin zijn vrijwel altijd gaten aanwezig in de buitenste duinenrij. In die bijzondere gevallen waar de achterliggende duinvalleien niet veel hoger liggen dan het strand en de zee af en toe door die gaten heen stroomt, vormen zich achter de gaten overstromingsvlakten die onder invloed staan van zout water. Ons land kende vroeger overstromingsvlakten van heel verschillend formaat; de omvang varieerde van enkele vierkante meters tot de omvang van de vroegere Zuiderzee. In de grote systemen was plaats voor uitgestrekte kwelders, Zeegrasvelden en begroeiingen van brakke wateren. De grote overstromingsvlakten zijn gekrompen door ingrepen zoals bedijkingen. Maar ook de hele kleine overstromingsvlakten kunnen een zeer bijzondere overgang van zout naar zoet ontwikkelen. We kennen diverse plantengemeenschappen die alleen voorkomen aan de duinvoet op de overgang naar kwelders. Hier vindt enerzijds toestroming van zoet en vaak ijzerhoudend grondwater plaats en anderzijds incidentele overstroming met zeewater.



Kaloot, Zeewinde, foto: Bas Arens


De typologie van Doing en het ontstaan van duinlandschappen
Door de grote dynamiek in de duinen is de ontstaansgeschiedenis vaak gecompliceerd. Deze ontstaansgeschiedenis is mede bepalend voor de samenstelling van de huidige flora en fauna. Henk Doing heeft geprobeerd om deze complexe ontstaansgeschiedenis te ordenen via zijn typologie van landschappen.

Deze typologie is heel bekend geworden en wordt veel gebruikt. Voor een deel komen deze typen overeen met natuurtypen van dit websitesysteem: ‘Witte duinen' komen overeen met het ‘Helmduinenlandschap' van Doing, ‘Duinheide' met ‘Kraaiheidelandschap', en ‘Duinbos' en ‘Kalkrijke duinvalleien' komen in beide systemen voor. Vijf van de door Doing onderscheiden landschapstypen hebben hoofdzakelijk betrekking op duingebieden die nu tot de ‘Grijze duinen' behoren, dit zijn Duindoornlandschap, Dauwbraamlandschap, Zeedorpenlandschap, Fakkelgraslandschap en Buntgraslandschap. Deze vijf landschappen worden nader beschreven bij de kenschets van de ‘Grijze duinen .

Ook in een duingebied van het ‘Witte duinen' type kunnen overgangen naar een of meer van die vijf landschappen voorkomen. De Doing landschappen zijn niet alleen bepaald door natuurlijke processen, maar ook in belangrijke mate door het menselijk gebruik. De teksten op deze website voor natuurkwaliteit zijn vooral gericht op de huidige karakteristieken van standplaats en landschap. Daar waar het nuttig is, zijn echter verwijzingen opgenomen naar de door Doing onderscheiden landschapstypen. Wij bevelen aan om bij de keuze van het beheer aan te sluiten op de manier waarop de Doing-landschappen tot stand zijn gekomen en in stand werden gehouden.


Ameland, foto: Bas Arens

Met bijdragen van:
Rienk Slings, september 2007, Bas Arens, september 2007, Emiel Brouwer, juli 2007; Henk Beije, september 2006.

Literatuur:
Doing, H, 1988. Landschapsecologie van de Nederlandse kust. Stichting Duinbehoud en Stichting Publikatiefonds Duinen, Leiden.

Luisa Martinez, M & N.P. Psuty, 2007. Coastal dunes. Ecology and Conservation. Springer-Verlag, Berlijn. Ecological studies 171.

Til, M. van & J. Mourik, 1999. Hiëroglyfen van het zand. Vegetatie en landschap van de Amsterdamse waterleidingduinen. Gemeentewaterleidingen Amsterdam.

Westhoff. V.W. & M.F. van Oosten, 1991. De Plantengroei van de Waddeneilanden. Koninklijke Natuurhistorische Vereniging.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website