Pad: Landschapstypen / Laagveen en zeeklei

Laagveen en zeeklei

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Echt Nederlands
Biodiversiteit op landschapsschaal

KENSCHETS
Het open water
Verlandingsvegetaties
Elementen uit het cultuurlandschap
Locaties in Nederland
Ontstaan en historisch gebruik van het landschap
Natuurlijk landschap tot het begin van de jaartelling
Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen
        Toenemende invloed van de mens vanaf de Middeleeuwen
        Grootschalige verveningen vanaf de Gouden Eeuw
        Ontstaan en inpoldering van grote laagveenplassen
        Versnippering en verstedelijking van het landschap
Grootschalige abiotische processen
        Overstroming en droogvallen als natuurlijke catastrofe
        Kwelstromen hebben een gunstige invloed op het landschap
Met bijdragen van
Literatuur 
 
BETEKENIS
 
Echt Nederlands
Geen regio ligt zo laag en is dus meer ‘Neder'lands dan het laagveen- en zeekleilandschap. Dit lage deel van Nederland is voor een groot deel door veenvorming, zeeafzettingen en inpolderingen op de kaart gezet. De voorheen zeer dynamische processen zijn door de mens gaandeweg beteugeld door de aanleg van dijken en inrichting van polders. Binnen het laagveen- en zeekleilandschap zijn de volgende eenheden te onderscheiden:


Bij deze gebieden horen ook allerlei overgangen naar situaties met brak grond- of oppervlaktewater en naar gebieden met rivierklei en zand. Ook in dit soort overgangssituaties kunnen belangrijke natuurwaarden aanwezig zijn of hersteld worden. Hier is afstemming en samenwerking van OBN-deskundigenteams aan de orde.

Biodiversiteit op landschapsschaal
Het laagveen- en zeekleilandschap herbergt een groot aantal soortenrijke planten- en faunagemeenschappen. Dat heeft vooral te maken met de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende successiestadia in én de voor veel soorten gunstige abiotische omstandigheden. In goed ontwikkelde en gevarieerde moerassen kunnen in het water en op het land zeer veel verschillende soorten van verschillende soortsgroepen voorkomen: o.a. mossen, vaatplanten, insecten, vissen en vogels. De variatie in successiestadia hangt samen met verschillen in de natuurlijke waterkwaliteit (van voedselarm tot voedselrijk, van minder naar meer zuurgebufferd, van zoet tot brak, stromend of stilstaand). Ook verschillen in (historisch) beheer hebben bijgedragen aan de diversiteit in ecotopen en successiestadia binnen het laagveen- en zeekleigebied.

KENSCHETS

Het open water
Het laagveen- en zeekleigebied omvat onder meer verschillende watertypen. Daar horen bijvoorbeeld diverse typen van meren en plassen bij. Lijnvormige wateren zijn alom aanwezig in de vorm van sloten en kanalen. De watergemeenschappen zijn veelal het soortenrijkst wanneer er een duidelijke kwelinvloed is. Door verlanding van open water ontstaan bijvoorbeeld begroeiingen die horen bij natuurtypen van het moeras en natuurbos. Een bekende en belangrijke plantensoort van het begin van de verlanding is Krabbenscheer (Stratiotes aloides). Beginnende verlandingen in brakke wateren zijn vrij soortenarm, maar bevatten wel karakteristieke soorten zoals Ruwe bies (Scirpus lacustris tabernaemontani) en Zilte waterranonkel (Ranunculus baudotii). 
 
Verlandingsvegetaties
In de loop van de verlanding vormen zich drijftillen en kraggen die steeds steviger worden. Onder invloed van maaibeheer kunnen zich binnen het moeras begroeiingen ontwikkelen van verschillende natuurtypen zoals trilveen , veenmosrietland en moerasheide (bij zomermaaibeheer) of gemaaid rietland (bij wintermaaibeheer). Basenminnende mossen zoals Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides) zijn karakteristiek voor trilveenvegetaties. Kenmerkend zijn verder Grote vuurvlinder (Lycaena dispar), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris) en Groenknolorchis (Liparis loeselii). In een later stadium nemen Veenmossen de overhand en gaat trilveen over in veenmosrietland . Hier wordt onder meer Veenmosorchis (Hammarbya paludosa) aangetroffen. Bij langdurige toepassing van maaibeheer neemt de invloed van veenmossen en regenwater steeds verder toe. Zo ontstaat moerasheide , een natuurtype met een aantal typische hoogveensoorten. Op veel plaatsen in het laagveengebied is een pril begin van hoogveenvorming waarneembaar, maar voor het ontstaan van een hoogveensysteem zijn uitgestrekte gebieden nodig met een grote mate van hydrologische isolatie. Waar maaibeheer achterwege blijft zal zich natuurbos vormen, van het natuurtype broekbos , gedomineerd door Zwarte els (Alnus glutinosa) of het natuurtype bossen op oude klei. Broekbos kan bij voortgaande verschraling en verzuring overgaan in veenbos waarin Zachte berk (Betula pubescens). Afbeelding 1 geeft een overzicht van de belangrijkste successiereeksen binnen het laagveenlandschap. 
 
  
Afbeelding 1
: Schema met de belangrijkste vegetatiesuccessie-reeksen in laagveenwateren, bij verschillende uitgangssituaties (onderaan weergegeven) en beheerstypen (links weergegeven). Uit: Verhoeven & Bobbink (2001). 
 
Elementen uit het cultuurlandschap
Zowel in het laagveengebied als in het zeekleigebied kunnen extensief gebruikte graslanden grote aantallen weidevogels herbergen. Verder komt er cultuurhistorisch bos voor, bijvoorbeeld van het natuurtype wilgengriend. Ook komen er diverse landschapselementen voor zoals eendenkooien, knotbomen en rietzomen. In het zeekleigebied vinden we ten slotte nog akkers en stenen elementen in de vorm van dijken. De teksten van al deze natuurtypen zijn nog in voorbereiding. Deze landschapselementen bieden een vestigingsplaats aan soorten die in een geheel natuurlijk laagveen- of zeekleilandschap wellicht zeldzaam of afwezig zouden zijn. Bovendien kunnen elementen uit het cultuurlandschap optreden als verbindende schakels tussen meer natuurlijke eenheden. 
 
Locaties in Nederland
De natuurwaarden van het laagveengebied zijn tegenwoordig vooral geconcentreerd in enkele grote natuurgebieden zoals Noordwest-Overijssel, Nieuwkoopse Plassen en Vechtplassen. In Noord-Holland komen ten noorden van het IJ restanten van brakwatervenen voor. Het Hol (Vechtplassen) kenmerkt zich door een rijke vegetatie, inclusief verlandingsgemeenschappen, en het ontbreken van blauwalgenbloei. Voor macrofauna vormen De Wieden (Noordwest-Overijssel) een goed referentiegebied. Hier komt een aantal zeldzame en bedreigde soorten voor.
Vermeldenswaard is de zeer grote totale lengte van de sloten in het laagveengebied. De natuurwaarde van het slotenstelsel is vaak sterk achteruitgegaan, vooral in gebieden met een agrarische hoofdfunctie. Vaak herbergt het ‘haarvatennet' van sloten in de natuurgebieden echter nog steeds een hoog aantal van soorten. Dat hangt samen met een relatief grote hydrologische isolatie van deze sloten ten opzichte van gebiedsvreemd water.
In de gebieden met zeekleibodems zijn natuurelementen betrekkelijk schaars en versnipperd aanwezig. Een gedetailleerde beschrijving van het zeekleilandschap is nog in voorbereiding als ‘OBN preadvies laagveen- en zeekleilandschap'. Informatie uit dit preadvies zal later ingevoegd worden in het systeem van deze website. 
 
Begrenzing
Het laagveen- en zeekleigebied wordt in het noorden begrensd door de Waddenzee en in het westen door het duin- en kustgebied. Aan de oost- en zuidkant grenzen ze aan het rivierengebied en het droog zandlandschap en nat zandlandschap. De overgangen naar de duinen, de Waddenzee en de landschappen van de pleistocene zandgronden zijn duidelijk zichtbaar in het landschap. De overgangen naar het rivierengebied zijn niet altijd duidelijk waarneembaar in het terrein. Laagveengebieden en zeekleigebieden zijn ook soms moeilijk van elkaar te onderscheiden. Verder liggen op de hogere zandgronden van Nederland hier en daar kleinere laagvenen. Ook die vertegenwoordigen belangrijke natuurwaarden. 
 
Ontstaan en historisch gebruik van het landschap
Het laagveen- en zeekleilandschap is geleidelijk ontstaan tijdens het Holoceen. Dit is het geologische tijdvak dat aan het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, begon. Aanvankelijk speelden alleen natuurlijke processen een rol van betekenis. Sinds het begin van de jaartelling en zeker sinds de Middeleeuwen heeft de mens een belangrijk aandeel gehad in de vorming van dit landschap. 
 
Natuurlijk landschap tot het begin van de jaartelling
Onder invloed van een snel stijgende zeespiegel ontstaan bij het einde van de laatste ijstijd rond 10.000 jaar geleden getijdenbekkens in wat nu Laag Nederland is. Met de zeespiegelstijging stijgt ook de grondwaterspiegel in het achterland. Rond de getijdenbekkens vormen zich kustmoerassen, het zogenoemde ‘basisveen'.
Tussen 6000 en 4000 jaar geleden ontstaat een aaneengesloten gordel van strandwallen, die alleen onderbroken wordt door de mondingen van de grote rivieren. Hierdoor valt de invloed van de zee vrijwel weg in het Zeeuwse en Zuid-Hollandse achterland. Er treedt veenvorming op van het type ‘Hollandveen'. Aanvankelijk is in een relatief voedselrijk milieu vooral sprake van riet- en broekveen. In gebieden waar het water minder minerotroof was, zoals in de contactzone met de hogere zandgronden, zijn verscheidene overgangstypen van laag- naar hoogveen aanwezig. Meer westelijk vormen zich vanuit het laagveen ook hoogveenmoerassen op plaatsen waar het veenoppervlak uitgroeit boven het niveau van de directe invloed van mineraalrijk water. Langs de rivieren blijft de minerotrofe, voedselrijke situatie met broekveen gehandhaafd. In Noord-Holland bestaat dan het zeegat van Bergen nog, een circa 100 km lange getijdengeul die landinwaarts tot Schokland reikt.
Met het zwakker worden van de zeespiegelstijging en de gestage aanvoer van zeeklei en andere sedimenten slibt het getijdengebied van West-Friesland steeds hoger op. Het oostelijk daarvan gelegen huidige IJsselmeergebied ontvangt juist netto te weinig sediment voor opslibbing. Hier ontstaat na de sluiting van het zeegat van Bergen, rond 3200 jaar geleden, een plassengebied, waarvan de ondiepe delen verlanden door veenvorming.
Ruim voor het begin van de jaartelling komt er een einde aan de kustopbouw en beginnen de riviermondingen zich te verwijden. Hierdoor verbetert de afwatering van de veenkussens en treedt een natuurlijk proces van inklinken, van krimpen en dalen van het bodemoppervlak op. In Zeeland en in de Maasmond kan de zee dan steeds vaker ons land binnendringen. De venen worden overstroomd, veenvorming stopt en er ontstaan klei-op-veen-afzettingen. Kort voor het begin van de jaartelling komt zo een einde aan een periode van 2000 jaar grootschalige veenvorming in Zuidwest-Nederland. 
 
Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen
De komst van de Romeinen, ongeveer 50 voor begin van de jaartelling, vormt een keerpunt in de relatie tussen mens en landschap. Voor het eerst ontstaat een geordende infrastructuur inclusief verharde wegen, ingrepen in rivierlopen en verdedigingsgrachten. Een voorbeeld van zo'n gracht is de huidige Vliet tussen Leiden en Rijswijk.
In de Romeinse tijd heerste een relatief warm klimaat. Op veel plaatsen komt een eind aan de massale veengroei op de kustvlakte door natuurlijke drainage en beginnende veenontginning, onder andere voor zoutwinning. De natuurlijke bodemdaling die eerder is ingezet wordt hierdoor versterkt. Het zuidwestelijke veengebied was in de tweede eeuw nog goed bewoonbaar. Na het jaar 300 ongeveer is de bodemdaling zover gevorderd dat het de zee steeds vaker lukt door de kustzone heen te breken. Onder meer via de Oosterschelde, de Maas- en de Rijnmond krijgt de zee weer toegang tot het achterland. In korte tijd verdwijnen daar dikke veenpakketten en wordt zeeklei op het veen afgezet. Zeeland verandert weer in een waddengebied doorsneden door getijdengeulen.
Waar nu het IJsselmeer ligt wordt in die tijd het Almere een rivier die gaat afwateren via het zeegat de Vlie. Het grootste deel van het Nederlandse kustgebied blijft in het eerste millennium van de jaartelling vooral bestaan uit veen, moeras, meren en wadden. Tussen Zeeland en Vlieland biedt een vrijwel gesloten zeewering de venen een vrij goed bescherming tegen zeeoverstroming en erosie door de zee. In de vroege Middeleeuwen heerst een relatief vochtig klimaat zodat de venen goed gedijen. 
 
Toenemende invloed van de mens vanaf de Middeleeuwen
Vanaf 800 na Christus werd de invloed van de mens op het landschap steeds groter. De venen werden nu op grotere schaal en systematisch ontwaterd en ontgonnen. De met veen begroeide kustvlakte lag op dat moment zo'n drie meter boven zeeniveau. De ontginning gebeurde onder leiding van landsheren en vooral de bisschop van Utrecht. Zij gunden de ontginning van de ‘wildernis' aan vrije boeren. Aanvankelijk lag nieuw ontgonnen veen hoog genoeg voor akkerbouw. De venen werden bij eb ontwaterd met behulp van sluisjes. Door oxidatie en inklinken daalde het maaiveld steeds verder. In de 15e eeuw was de gemiddelde maaiveldhoogte al gedaald tot zeeniveau. Hierdoor werden de percelen steeds vochtiger zodat akkerbouw onmogelijk werd en ze alleen nog als weiland of hooiland gebruikt worden. Voor akkerland was men steeds meer aangewezen op nieuwe verder afgelegen percelen, die door recente ontginning waren vrijgekomen. Soms werd de afstand tot de nederzetting zo groot dat men zich genoodzaakt zag nieuwe nederzettingen te stichten.
Tussen 800 en 1250 werden veel van de laag- en hoogvenen van West-Nederland overstroomd door zeespiegelstijging in combinatie met inklinken en oxidatie van veen als gevolg van ontginningen. De meeste van de grote Nederlandse laagvenen, inclusief de meren, die dan ontstaan, hebben zich ontwikkeld in gedegenereerde, zogenaamde ‘verdronken' hoogvenen. Door de daling van het maaiveld werd drainage van de veengronden steeds moeilijker. Pas met de uitvinding van de windmolen, aan het begin van de vijftiende eeuw, konden de veenboeren dit probleem aanpakken.
In gebieden die door de zee beïnvloed bleven, bijv. in Noordwest-Nederland, waren venen ontstaan onder brakke omstandigheden. 
 
Grootschalige verveningen vanaf de Gouden Eeuw
De periode tussen 1600 en 1850 was een periode met veel dynamiek en op veel plaatsen veranderde het laagveen- en zeekleilandschap aanzienlijk. Vanaf de 17de, zogenoemde Gouden Eeuw, werden er talloze nieuwe wateren gecreëerd door vervening. Anderzijds werden ook veel wateren ingepolderd. Eeuwenlang was veen de belangrijkste brandstof voor de Nederlanders. Het veen werd op twee manieren gewonnen: door ‘droge vervening' of door ‘natte vervening'. Bij droge vervening werd het veen boven de grondwaterspiegel verzameld. Deze werkwijze werd in Overijssel, Friesland en Groningen toegepast. Bij natte vervening werd veen uit het water, uit petgaten of trekgaten gedregd en in een schuit of op legakkers of ribben gedeponeerd. Na het drogen op de legakker werd het veen in blokken gesneden en afgevoerd. Deze wijze werd vooral in Holland en Utrecht toegepast, maar kwam na 1750 ook in andere laagveenprovincies voor. Het karakter van het Nederlandse laagveenlandschap is in hoge mate bepaald door natte vervening.
Als uitvalsbasis voor ontginning en vervening werden vaak riviertjes en stroompjes in het gebied gekozen. Daarnaast werden ook weteringen gegraven om de veengebieden te ontsluiten. Door natuurlijke omstandigheden of bestuurlijke grenzen zijn zeer gevarieerde patronen van ontginningen, verveningen en nederzettingen ontstaan. De Ronde Venen ten zuiden van Amsterdam gingen bijvoorbeeld uit van een cirkelvormig veen, begrensd door veenstroompjes. Hierin ontstond een stervormige verkaveling vanuit het middelpunt. 
 
Ontstaan en inpoldering van grote laagveenplassen
Doordat veel legakkers zo smal waren dat ze verwoest werden door stormen, ontstonden grote ondiepe laagveenplassen. Sommige plassen hebben een andere, meer natuurlijke onstaanswijze. Zo is het Naardermeer ontstaan doordat de Zuiderzee via de monding van de Vecht grote delen van het veen afsloeg. Grote ondiepe plassen gingen vaak een bedreiging vormen voor nederzettingen en landbouwgronden. Een berucht voorbeeld is de Haarlemmermeer. Deze is deels ontstaan door vervening maar voornamelijk door afslag van onvergraven veenrestanten. Vanaf de 13e eeuw werden kleinere plassen bedijkt. Pas in de 17de eeuw kwam genoeg geld beschikbaar om grotere meren droog te malen. Voorbeelden zijn de Schermer en de Beemster. Deze droogmakerijen boden nieuwe landbouwgronden, een verbeterde veiligheid en verbeterde afwatering. 
 
Versnippering en verstedelijking van het landschap
In de 19e eeuw veranderde het uiterlijk van het laagveen- en zeekleigebied door toenemende verstedelijking en de aanleg van nieuwe kanalen, wegen en spoorlijnen. De uitvinding van het stoomgemaal maakte snelle drooglegging van de Haarlemmermeer mogelijk.
In de 20e eeuw vonden nog drastischere veranderingen plaats in het landschap: de aanleg van de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders en de uitvoering van de Deltawerken. In het landschap is nu verregaande versnippering van natuurgebieden en verstedelijking opgetreden. De landbouw is in sterke mate geïntensiveerd. De daarvoor gewenste drainage heeft gezorgd voor verdere bodemdaling door inklinken. 
 
Grootschalige abiotische processen
Met betrekking tot de abiotiek zijn in het laagveen- en zeekleigebied het waterregime en de waterkwaliteit bijzonder bepalend voor de natuur, de levensgemeenschappen en flora en fauna. De processen die op landschapsniveau een belangrijke rol spelen zijn: periodieke overstromingen met zee- of rivierwater en ondergrondse kwelstromen.
 
Overstroming en droogvallen als natuurlijke catastrofe
Een groot aantal plant- en diersoorten van laagveen en rivieren is gebaat bij het optreden van natuurlijke ‘verstoringen' van de vegetatiesuccessie die een pioniermilieu creëren van waaruit de natuurlijke successie opnieuw kan beginnen.
Overstromingen met zee- of rivierwater tijdens stormen en hoogwaterperioden hebben in het laagveen- en zeekleigebied lange tijd een belangrijke rol gespeeld voor de natuur, al heeft de mens de watersnood steeds meer onder controle gebracht. Overstromingen zijn natuurrampen, natuurlijke catastrofes die leefgemeenschappen wegvagen en meestal tot een verandering in milieuomstandigheden en soortensamenstelling op systeem- en standplaatsniveau leiden. Dat kan zowel op kleine als op grote schaal gebeuren afhankelijk van de omvang van de ramp. Andere voorbeelden van zulke natuurlijke catastrofes zijn het droogvallen of dichtvriezen van oppervlaktewater. In het laagveen- en zeekleilandschap treden zowel overstroming als het droogvallen in vergelijking met vroeger nauwelijks meer op; deze rampen worden door een kunstmatige waterhuishouding, peilregulatie van het water en dijkbeheer voorkomen. In het beheer worden nu soms met opzet ‘catastrofes' op beperkte schaal teweeg gebracht om een betere uitgangssituatie te scheppen voor het herstel van leefgemeenschappen. Zo kan het zogenoemde ‘actief biologisch beheer' in de vorm van het wegvangen van bodemwoelende vissen helpen bij het ecologische herstel van laagveenwateren. 
 
Kwelstromen hebben een gunstige invloed op het landschap
Landschapecologische processen die tegenwoordig nog een gunstige invloed hebben op de natuurlijke variatie zijn ondergrondse kwelstromen. In laagveen- en zeekleilandschappen kan toestroming en kwel van zoet, ijzerrijk grondwater vanuit de hogere zandgronden optreden. Zout water kan opwellen vanuit fossiele lagen in diepe ondergrond en vanuit de zee. Toestroming en kwel van zoet grondwater vanuit regionale hydrologische systemen is in het verleden opgetreden als een landschapsvormend proces, waarbij zich laagveen en later vaak hoogveen ontwikkelde. Op de kustvlakte steeg de grondwaterspiegel mee met zeespiegelstijging. Toen zich eenmaal grote veenlichamen ontwikkeld hadden op de kustvlakte, beperkte regionale kwel als systeemvormende factor zich tot de randzones van de hogere zandgronden.
Door grootschalige hydrologische ingrepen in het landschap zoals aanleg van polders en droogmakerijen en de peilregulatie zijn in de loop van de tijd grote veranderingen opgetreden in kwelpatronen. Dit heeft geleid tot een keten van andere ruimtelijke processen en ingrepen met negatieve effecten op natuurwaarden. Deze processen en effecten worden toegelicht onder Bedreigingen en Beheeropgaven'. 
 
Met bijdragen van:
Henk Beije, november 2006; Maurice Paulissen, juni 2007 (met gebruikmaking van teksten van Leon Lamers e.a.); Leon Lamers en Wilco Verberk, september 2007.
 
Literatuur:
Berendsen, H.J.A. 1997. Landschappelijk Nederland. Fysische geografie van Nederland, deel 4. Van Gorcum, Assen.
 
De Mulder, E.F.J., Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E. 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
 
Lamers, L., M. Klinge & J. Verhoeven, 2001. OBN Preadvies laagveenwateren. Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij, Wageningen.
 
Lamers, L.P.M., P.J.J. van den Munckhof, M. Klinge, M. & J.T.A. Verhoeven, 2004. Verdroogd, vermest, verstard en versnipperd; hoe moet dat nu met onze laagveenwateren? - Een onderzoeksplan voor systeemherstel. In: Van Duinen G-J, Bobbink R, Van Dam Ch, Esselink H, Hendriks R, Klein M, Kooijman A, Roelofs J & Siebel H. (Red.), Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit; 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. Rapport Expertisecentrum LNV nr. 2004/305, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ede. Pag. 109-170.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website