Pad: Landschapstypen / Beekdallandschap

Beekdallandschap

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Idyllisch en herkenbaar
Andere functies

KENSCHETS
Ontstaan van het beekdallandschap
Kwelgevoed, maar niet altijd beken aanwezig
Diverse onderdelen of natuurtypen
Karakteristieke soorten
Variaties afhankelijk van diverse processen
Met bijdragen van


BETEKENIS:

Idyllisch en herkenbaar
Stromend water, van nature vruchtbare gronden en een idyllisch landschap. Mensen hebben vanouds iets met de beekdalen op de hogere zandgronden. Aan de rand van de beekdalen werden de nederzettingen gevestigd. De beekdalen zelf werden voornamelijk gebruikt als hooiland, in het algemeen in een zeer kleinschalig landschap. Qua grondgebruik en landschap week het beekdallandschap daarmee sterk af van de omgeving: een zandlandschap met droge en natte heide en bijv.akkers. Restanten van het eeuwenoude beekdallandschap zijn op diverse plaatsen nog goed herkenbaar en worden hoog gewaardeerd. Een centrale plek daarbij heeft de beek. Verschillende beken worden gevoed door één of meer bronnen. Regionale herstelplannen beogen opvallend vaak een ambitieus beekherstel ten behoeve van mens en natuur.

Andere functies
Beken hebben in de regel een functie ten behoeve van de waterafvoer vanuit landbouwgronden en bebouwde omgeving. Deze afvoer betreft water én de met het water meegevoerde stoffen; het merendeel daarvan komt uit rioolwaterzuiveringsinstallaties. Verontreinigingen van het beekwater zijn deels van ‘diffuse herkomst', dus afkomstig uit een groter gebied, daarbij gaat het met name om landbouwgebieden. Verder komen verontreinigingen vanuit specifieke vervuilingspunten voor. Riooloverstorten veroorzaken vaak een grote aantasting van de waterkwaliteit. Echter, in veel beken is de instroming van water uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties, van het zogenoemde effluent, het enige dat voorkomt dat ze in droge periodes droogvallen. De afvoerende functie stelt bepaalde eisen aan de beek, in het bijzonder met betrekking tot de waterstand en de afvoercapaciteit tijdens natte perioden. De eisen die voortkomen uit de afvoerfunctie zijn vaak moeilijk in evenwicht te brengen met de eisen die de natuur van beken en beekdalen stelt.

KENSCHETS

Ontstaan van het beekdallandschap
Tijdens de laatste ijstijd lag Nederland in het hart van een poolwoestijn, die zich uitstrekte over het gebied rond de huidige Doggersbank tot in het Nauw van Calais en van de Ierse Zee tot aan Berlijn. In het huidige noordelijke Canada liggen soortgelijke uitgestrekte zandgebieden: het is er het hele jaar door zo koud dat de ondergrond nooit ontdooit. Waar nu Nederland ligt, vonden tijdens het merendeel van de laatste ijstijd zandverstuivingen plaats over een ondergrond die grotendeels permanent bevroren was. De dikte van de bevroren laag varieerde daarbij van ca. 15 meter in Drenthe tot ca. 2 meter in Noord-Brabant.

Het poolwoestijnkarakter bepaalde veel van de terreinkenmerken van het hoge deel van ons land, ook aangeduid als dekzandlandschap of pleistocene zandgronden. Dekzand draagt die naam omdat het als een deken oudere afzettingen bedekt. De dekzandlaag varieert van enkele centimeters tot ca. 15 meter dikte. De dikte van het dekzandpakket en de hydrologische eigenschappen van dit pakket zijn samen met de sporen van de voorlaatste ijstijd bepalend geweest voor veel van de terreincondities, het reliëf en de jongere afzettingen bovenop het dekzand. Sporen van de ijstijd zijn stuwwallen, erosiegeulen en rechte ruggen zoals de Hondsrug. Ook zogenoemde ‘tektonische' activiteit, verband houdend met de verstoring in de ligging van de aardlagen, liet in sommige dekzandlandschappen duidelijke sporen achter.

Grote delen van het dekzandlandschap zijn inmiddels ‘verdronken'. In het lage deel van Nederland is het onder latere afzettingen van zand, klei en veen komen te liggen. Enorme hoeveelheden grof en fijn materiaal verwaaiden in de poolwoestijn en vele duizenden kubieke kilometers van het fijnste materiaal belandden als löss in zuidelijkere en oostelijkere streken.

Tijdens de laatste ijstijd kwamen verschillende warmere perioden voor. Dan begon het water plassen te vormen of het stroomde naar lager gelegen delen van het landschap via de ondergrond of via natuurlijk gevormde beken. Vochtig zand verwaait niet en vochtige plaatsen waar grondwater uittrad of waar water stagneerde, vingen veel zand in. Door dat invangen van zand raakte het landschap op grote schaal ‘verstopt' wat de afvoer van water aangaat. Na het stijgen, in het voetspoor van de zeespiegel, van de grondwaterstanden bij afloop van de ijstijd ontstond in de natter wordende laagten op grote schaal veen. Het proces van veenvorming werd bevorderd door kap van bossen ten behoeve van landbouw.

Kwelgevoed, maar niet altijd beken aanwezig
Een deel van die venige laagten die sinds de laatste ijstijd zijn ontstaan, wordt als beekdalen aangeduid. We vinden hier meestal wat voedselrijkere typen van veen of resten van zulke venen. In vrij veel van die oorspronkelijke venen zijn geen oude beekafzettingen of andere sporen van beken aanwezig. Daar werd in het verleden het water voornamelijk via de flexibele bovenlaag van het veen afgevoerd; het waren zogenoemde doorstroom-systemen. De meanderende beekstelsels die wij nu kennen, zijn veelal ontstaan doordat boeren deze venen ondiep begonnen te ontwateren voor grasproductie. Vooral beken die grotendeels in minerale bodems liggen en veengebieden met elkaar verbinden of doorsnijden, zijn in de middeleeuwen gegraven.

Het hedendaagse beekdallandschap betreft de relatief laaggelegen gebieden aan weerszijden van de beken en de omringende hogere zandgronden. In de laaggelegen gebieden treedt veelal voeding met grondwater op, net zo als in de beken zelf. Mede daardoor zijn de bodems hier veel minder zuur dan in de hoger gelegen gebiedsdelen, van waaruit ze worden gevoed. In diverse beekdalen in Limburg, Gelderland en Twente treedt ook grondwater uit via bronnen. Tot het beekdallandschap rekenen we ook de grote vochtige, lemige gebieden waarin beken ontbreken, maar wel de karakteristieke natuurtypen van beekdalen voorkomen (zie volgende alinea). Zulke gebieden kennen we vooral in Overijssel en in de Achterhoek.

Het beekdallandschap wordt vooral begrensd door het ‘Droog zandlandschap' en ‘Nat zandlandschap'. Benedenstrooms kan het grenzen aan het ‘Rivierenlandschap'.
Voor de beekdalen met snelstromende beken van het Heuvelland wordt verwezen naar het ‘Heuvellandschap'.

Diverse onderdelen of natuurtypen
In dit landschapstype zijn grofweg drie soorten van natuurtypen van natte en vochtige plaatsen aanwezig: moeras, grasland, en natuurbos. Daar komen dan nog natuurtypen van het open water bij, bijv. Beek en Bron (deze beschrijvingen zijn nog in voorbereiding). Natuurtypen van de eerste groep, het ‘Moeras', komen voor in de laagste delen van het beekdallandschap waarin een zó geringe ontwatering plaatsvindt, dat bosvorming hier achterwege blijft. Veelal overheersen hier grote zeggensoorten; heel soms is het Kalkmoeras(deze beschrijving is nog in voorbereiding). Waar deze natte plaatsen veraf van de beek liggen, gaat het soms om zwak gebufferde vennen . De iets minder natte delen van het beekdallandschap raken van nature bedekt met broekbos, en nog iets minder natte, vochtige delen met alluviale bossen (deze beschrijving is nog in voorbereiding). Waar deze bossen in het verleden zijn vervangen door grasland, zijn dotterbloemgraslanden en natte schraalgraslanden ontstaan. Op de open overgangen naar het droge en het natte zandlandschap zijn in de regel zones aanwezig met heischraal grasland .

Karakteristieke soorten
In beekdallandschappen zijn van nature grote variaties aanwezig wat betreft voedselrijkdom, zuurgraad en bodemsubstraat. Zand-, leem- en veenbodems komen voor. Ook het waterregime is afwisselend: matig droge omstandigheden heersen op de overgang naar hoger gelegen landschappen en vochtige tot zeer natte in de lagere delen. Open water is aanwezig in de beken en poelen en soms ook in bronnen. Lokaal is vaak sprake van kwel en van stroming en overstroming van het beekwater. Al deze factoren maken dat de graslanden, moerassen, wateren, struwelen en bossen in het beekdallandschap in beginsel zeer soortenrijk zijn. De soortenrijkdom wordt bovendien nog bevorderd door de kleinschalige afwisselingen binnen het landschap.

In beekdallandschappen zijn bijvoorbeeld foeragerende dassen (Meles meles) te vinden en vleermuizen, de Grauwe klauwier (Lanius collurio) en Kwartelkoning (Crex crex). De genoemde soorten laten zien dat de beekdalsoorten lang niet allemaal exclusief zijn voor beekdalen. Andere soorten zijn dat wel min of meer, zoals de Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) en de IJsvogel (Alcedo atthis), evenals uiteraard een reeks van vissoorten, zoals Beekforel (Salmo trutta fario), Beekprik (Lampetra planeri) en Bermpje (Noemacheilus barbatulus). Ook vele soorten slakken, kokerjuffers, haften en libellen, zoals de Gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii) en Bosbeekjuffer (Calopterix virgo) zijn min of meer afhankelijk van de beken in de beekdalen. Karakteristieke soorten voor wie de aan de beek grenzende natuurtypen belangrijke leefgebieden vormen zijn onder meer de Grote weerschijnvlinder (Apaturis iris) en het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius). Bij de vaatplanten vallen bijv. diverse zeggensoorten op, Zwartblauwe rapunzel (Phyteuma spicatum nigrum) en Spaanse ruiter (Cirsium dissectum). Kenmerkend voor het bronmilieu zijn o.a. Goudveilsoorten (Chrysosplenium sp.), het slakje Bythinella dunkeri en de vlokreeft Gammarus fossarum.

Variaties afhankelijk van diverse processen
In de beekdalen hebben zich vanouds subtiele patronen van levensgemeenschappen ontwikkeld, als gevolg van een reeks van gestapelde processen. Zo vindt bijvoorbeeld stroming van beekwater plaats en dat leidt tot wegslijting en afzetting van materiaal, zogenoemde erosie en sedimentatie. Daardoor kan kronkeling, zogenoemde meandering, optreden en kunnen oeverwallen worden gevormd. In de beekloop zelf zijn verschillen in stroomsnelheid te onderscheiden. Het water stroomt langzaam in de binnenbocht en sneller in de buitenbocht. Ook zijn er verschillen waar te nemen in de afmetingen van de beek van bovenloop tot riviertje. Waar de beek periodiek overstroomt, is er lokale variatie wat betreft de overstromingsduur, de frequentie, de waterkwaliteit en de mate waarin slib bezinkt. Slib bestaat uit fijne deeltjes met daaraan gebonden voedingsstoffen. De onderdelen van het beekdallandschap worden ook beïnvloed door de min of meer constante aanvoer van grondwater vanuit de hogere gronden. Dit grondwater is meer of minder rijk aan kalk en ijzer. Bepalend zijn hierbij het kalkoplossende vermogen van het geïnfiltreerde water en de chemische eigenschappen van de afzettingen waar het ondergrondse water doorheen gestroomd is.

Een natuurtype zoals nat schraalgrasland is, behalve van regenwater, ook afhankelijk van grondwater en eventueel van oppervlaktewater. Binnen het natte schraalgrasland zijn verschillende subtypen te onderscheiden: het komt voor op plekken die vrijwel volledig worden gedomineerd door neerslagwater, op plekken met een gelaagdheid van neerslagwater op basenrijk grondwater en op plekken die vrijwel volledig beïnvloed worden door toestroming van basenrijk grondwater. In andere natte schraalgraslanden is een bepaalde overstroming met beekwater nodig, om voldoende buffering van de zuurgraad in stand te houden. Ten slotte zijn er ook nog natte schraalgraslanden waar kalk in de ondiepe bodemlaag aanwezig is die zorgt voor een hoog basengehalte in de wortelzone.

Met bijdragen van:
Henk Beije, juni 2006; Gert Jan Baaijens en Ab Grootjans, mei 2007.

Namens OBN-deskundigenteam beekdallandschap, Renée Bekker, juli 2007.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website