Pad: Landschapstypen / Rivierengebied

Rivierengebied

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Begrenzing
Aardkundige, cultuurhistorische en ecologische waarden
Het rivierengebied is zeer divers
Ook andere functies dan natuur

KENSCHETS
Natuurlijke processen
Veel verschillende leefgebieden
Rivierdynamiek
Rivierwaterbiotopen
Nevengeulen: weelderige water- en moerasvegetatie
Overstromingsvlaktes: natte graslanden of bossen
Oeverwallen: open pioniervegetaties en stroomdalgraslanden
Randen van het rivierdal: stabieler milieu
Ook hier bloemrijk grasland en rietlanden
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Begrenzing
Het rivierenlandschap omvat de huidige en voormalige overstromingsvlaktes van Maas, Waal, Rijn en IJssel vanaf de Nederlandse grens tot waar deze rivieren in het IJsselmeer of het zoute estuarium uitmonden. Het gaat dus ook om de gebieden, die door de aanleg van dijken zijn afgeschermd van de directe overstromingsinvloed. Daarnaast worden ook enkele kleinere takken tot het rivierengebied gerekend, zoals de benedenloop van de Overijsselse Vecht.

Aardkundige, cultuurhistorische en ecologische waarden
De gebieden zijn rijk aan landschappelijke ‘geomorfologische' structuren zoals stroomruggen, komgronden en rivierduinen. Er zijn ook tal van cultuurhistorische patronen in de vorm van dijken, ‘kromakkers' en grienden. Kromakkers zijn akkers met een kromme, gebogen vorm, zodat je er makkelijk met de ploeg kon keren. In de bodem worden veel bewoningssporen uit vroegere tijden aangetroffen. Het aantal natuurgebieden in het rivierengebied is naar verhouding nogal gering. Echter, vooral in de uiterwaarden wordt het oppervlak aan natuur tegenwoordig in belangrijke mate uitgebreid.

Het rivierengebied is zeer divers
Het rivierengebied kent een zeer groot aantal verschillende leefgebieden. De hoofdstroom, nevengeulen en geïsoleerde wateren vormen de rivier (zie natuurtype ‘Rivier'). Verder is er moeras met rietlanden en grasland dat natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, overstromingsgraslanden en stroomdalgraslanden omvat. Ook zijn er natuurlijke bossen aanwezig: wilgenvloedbossen, elzenbroekbossen en op wat drogere grond alluviale bossen met Zomereik (Quercus robur) en Es (Fraxinus excelsior). Al deze verschillende typen van natuur zijn op de website natuurkwaliteit apart beschreven. Allerlei pioniervegetaties en struwelen zijn er te vinden en bovendien komen deze elementen allemaal in een kleinschalige afwisseling met elkaar voor. In beginsel is het rivierengebied daarom zeer rijk aan soorten; de natuurlijke ‘potentie' is groot. Vanwege het lintvormige karakter van rivieren kunnen soorten hier over grote afstanden migreren. Daarvan profiteert allereerst de natuur in het rivierengebied zelf, maar ook de landschappen waar de rivier doorheen stroomt.

Ook andere functies dan natuur
De hoofdfunctie van een rivierdal in het hedendaagse landschap is de veilige afvoer van water en ijs. Omdat grote stukken van de rivierdalen tegenwoordig permanent bewoond worden, is deze afvoerfunctie nu geconcentreerd op een gedeelte van het rivierdal. De natuurlijke dynamiek van de rivierdalen wordt tegenwoordig sterk gereguleerd omdat maatschappelijke functies zoals veiligheid, scheepvaart en landbouw nauwe kaders stellen.

KENSCHETS

Natuurlijke processen
Het meest karakteristieke in het rivierenlandschap - los van planten, dieren en mensen - is uiteraard de invloed van de rivier. Haar invloed op de natuur in het rivierdal heeft drie hoofdaspecten: de aanvoer van water en daarin opgeloste stoffen uit het bovenstroomse gebied, de morfologische en hydrologische invloed van het stromende water en de zijwaartse toestroming van grondwater.
De door de rivier gevormde structuren kennen een snelle opeenvolging van pioniervegetaties naar graslanden, struwelen en bossen. De vegetatie successie met al haar variatie in tijd en ruimte wordt gestuurd door de samenstelling van bodem en water, maar ook door het beheer. Op plekken waar de mens niets doet ontstaat bos. Waar een maai- of graasbeheer wordt toegepast ontstaat of handhaaft zich grasland. Waar de mens niet ingrijpt in een deel van een rivierdal en het vegetatiepatroon niet bepaalt, is een meer natuurlijke situatie met bossen mogelijk. In de meest natuurlijke situaties in de rivierdalen zorgen grote planteneters als edelhert, paard en rund ervoor dat er in de bossen plekken langdurig open blijven. Bevers (Castor fiber) zijn in staat om oeverbossen open te breken. In zulke gebieden beïnvloeden de hoefdieren en de bevers samen de vegetatiestructuur. Die omvat naast een boscomponent, meestal ook struwelen, ruigtes en graslanden die een belangrijk deel van de biodiversiteit van het rivierengebied herbergen.

Veel verschillende leefgebieden
In een natuurlijke situatie slijpt een rivier voortdurend bodemmateriaal uit en verandert ze zo haar verloop. De delen van het rivierdal die al lang geleden door het rivierwater zijn gevormd en hooguit nog af en toe overstroomd worden hebben een andere flora en fauna dan de delen met dynamiek waar regelmatig materiaal wegslijt - dat is erosie- of wordt afgezet - dat is sedimentatie (zie figuur 1). Waar eerst een rivier stroomt, kan later een ooibos groeien en weer later een verse grindbank liggen. Veranderlijkheid in ruimte, tijd en intensiteit van de rivierinvloed hoort bij de aard van het rivierecosysteem en het is goed om dit in het achterhoofd te houden bij het lezen van de beschrijving die hier volgt.

In de rivierdaldelen die de meeste dynamiek kennen, vindt een constante aanvoer van voedingsstoffen plaats. Een groot deel van deze voedingsstoffen die worden aangevoerd zijn gebonden aan de fijnste sedimentfractie, het slib. Dit slib slaat vooral neer in laagten of vlakke kommen in het landschap nabij de rivier. Dit zijn dus ook de meest voedselrijke delen van het ecosysteem. Tussen de voedselrijke rivier en de slibvlakten ligt vaak een oeverwal waar vooral afzetting van grof zand plaatsvindt. Aan zand zijn minder voedingsstoffen gebonden dan aan slib en bovendien spoelen ze makkelijker uit. Hierdoor liggen de meest schrale bodems van het rivierdal vaak direct langs de rivier.

De delen van het rivierdal die meer stabiliteit kennen, liggen het verste van de rivier vandaan. Daar vindt nog altijd enige slibafzetting plaats, maar de hoeveelheid voedingsstoffen die met het slib wordt aangevoerd is daar in de natuurlijke situatie vrij gering. In deze gedeelten van het rivierdal heeft de kwaliteit van het lokale grond- en oppervlaktewater invloed op de vegetatiesamenstelling.

Rivierdynamiek
Bij rivierhoogwater worden delen van het rivierdal overstroomd. De Nederlandse rivieren hebben over het algemeen een brede overstromingsvlakte. Omdat die vlakte breed is, bedragen de natuurlijke verschillen tussen de hoogste en laagste waterstand in het rivierdal niet meer dan een tot twee meter. Alleen het Limburgse Maasdal kent een aantal vernauwingen met grotere peilfluctuaties. In vernauwingen van het rivierdal treden van nature grotere verschillen in de peilfluctuatie op dan in brede delen. Bovendien is de Maas, anders dan de Rijn, een regenrivier. Terwijl de Rijn het hele jaar door met gletsjerwater wordt gevoed, kan in droge zomers het water in de Maas flink dalen. Hydrologen zeggen dat de Maas ‘sterk in zijn debiet kan terugvallen'.
De wisselende waterstanden in het rivierengebied leiden tot een afwisseling in de onderlinge verbinding van land- en waterbiotopen. De verbinding is bij lage waterstanden anders dan bij hoge waterstanden.

De afslijtende kracht van het water kan tijdens hoogwaterperiodes enorm zijn, zeker in combinatie met ijsdammen of op drift geraakte ijsschotsen. Stort het water zich over een rug in het landschap, dan kunnen door terugschrijdende erosie enorme geulen ontstaan. Maar ook buiten hoogwaterperiodes vindt erosie plaats. Bij matig hoge waterstanden kan de rivier oevers ondermijnen, waardoor langgerekte steilranden ontstaan.

De Grensmaas in Midden-Limburg is het stuk rivier in Nederland dat de steilste helling heeft. Het natuurlijke verhang, de gemiddelde helling van het stroombed van de rivier, bedraagt hier bijna 40 centimeter per kilometer. Dat is bijna vier keer zo steil als bijvoorbeeld in het traject van de Rijn bij Lobith. Omdat die helling groot is, verplaatst de Grensmaas bij hoogwater relatief grof grind dat ze uit de ondergrond opgepakt heeft. Bovendien wordt fijner grind van bovenstrooms aangevoerd. Langs de Rijntakken vinden we grindbanken tot in de Gelderse Poort. Zand en vooral slib vormen echter de hoofdmoot van het afzettingsmateriaal in de rivierdalen. Van oorsprong heeft een groot deel van het Nederlandse rivierengebied een sterk zandig karakter. Het meeste slib werd door de rivier helemaal meegevoerd naar het estuarium van de riviermondingen en de Waddenzee.

Onze rivieren vormen van nature een grillig stelsel van geulen, nevengeulen, oeverwallen en kleiige laagtes die op een ondergrond van grind (Grensmaas) of zand voortdurend van plaats verwisselen. Ze kronkelen en vertonen een patroon van ‘meandering'. Mede door de traditionele begrazing en zijdelingse toestroom van grondwater ontstaan grote overgangen in milieuomstandigheden (= gradiënten) aangaande vochtvoorziening, zuurgraad en mate van dynamiek en dus een zeer grote variatie in biotopen (zie schematisch plaatje situatie rond 1600). De sturende processen in de biotopen worden hieronder per hoofdbiotoop, van rivier tot rivierdalranden, kort beschreven.


Schematische doorsnede door een rivierdal, met een onderscheid tussen jonge delen met veel dynamiek - vooral erosie en sedimentatie - en oudere delen met meer stabiliteit.

Figuur 1: Schematische doorsnede door een rivierdal, met een onderscheid tussen jonge delen met veel dynamiek - vooral erosie en sedimentatie - en oudere delen met meer stabiliteit.

Schematisch plaatje van een rivierdalsysteem rond 1600, dat wil zeggen met enige menselijke bewoning maar voor het grootschalig aanleggen van rivierdijken.
Figuur 2: Schematisch plaatje van een rivierdalsysteem rond 1600, dat wil zeggen met enige menselijke bewoning maar voor het grootschalig aanleggen van rivierdijken.


De rivierwaterbiotopen
In het stromende water van het rivierbed is de afwisseling aan biotopen groot. Het water kan over korte afstanden diep of ondiep zijn, snel of langzaam stromen, de bodem kan grinderig, zandig of kleiig/slibbig zijn, er kan wel of geen vegetatie groeien. Zo is de grindige Grensmaas met zijn overwegend ondiepe en zandige bedding rijk aan bodemleven. Het is een paai- en leefgebied van tientallen vissoorten, waaronder trekvissen als Steur (Acipenser sturio), Barbeel (Barbus barbus) en Zeeforel (Salmo trutta trutta).

In het water vormen dood hout en velden met waterplanten aparte biotopen voor bijvoorbeeld ongewervelde dieren. Een extra dimensie wordt nog toegevoegd door zijrivieren en beken; de mondingen bieden vaak weer heel andere biotopen dan de rivier of de zijstroom zelf. Ook de monding van de rivier, de overgang naar de zee kent geheel eigen biotopen. Tenslotte bevinden zich in het vloedmerk zaden van honderden plantensoorten uit het bovenstroomse gebied, die wachten op geschikte omstandigheden om te kiemen. De rivier vormt een apart ecosysteem dat binnenkort ook als apart natuurtype op de OBN website wordt beschreven.

Nevengeulen: weelderige water- en moerasvegetatie
Een rivier kent van oorsprong een grote variatie aan nevengeulen: van permanent tot slechts sporadisch ‘meestromend' met de stroomgeul die als hoofdgeul dient; van benedenstrooms aangetakt op de rivier tot volledig daarvan afgesneden en al of niet gevoed met grondwater. De oevers van de nevengeulen zijn minder zandig en zijn daardoor sterker begroeid dan de oevers van de hoofdgeul. Ook het water van de nevengeulen kan een rijke begroeiing hebben van vooral fonteinkruiden en planten met drijfbladeren zoals Witte waterlelie (Nymphaea alba) en Watergentiaan (Nymphoides peltata). Door hun weelderige moeras- en waterbegroeiing zijn nevengeulen goede opgroeigebieden voor riviervissen, broedplaatsen voor watervogels en leefgebieden voor bevers.
Als een nevengeul alleen benedenstrooms is aangetakt aan de rivier, is de waterstand in de nevengeul lager dan in de rivier direct naast de nevengeul. Dan kan een ondergrondse stroming van water op gaan treden van de hoofdstroom naar de nevengeul toe, een verschijnsel dat rivierkwel heet. Deze rivierkwelstromen vertegenwoordigen een geheel eigen watertype binnen het overstromingsgebied en ze voeden aparte biotopen.

Overstromingsvlaktes: natte graslanden of bossen
De vruchtbare slib- en kleibodem van de overstromingsvlaktes kennen een weelderige maar vaak soortenarme vegetatie. De productie van biomassa is groot. Hier zijn overstromingsgraslanden, bijv. dotterbloemgrasland, aanwezig of bossen; wilgenvloedbossen op de laagste delen en hardhoutooibossen op de minder lage delen. Na hoogwaterperiodes kan langdurig water op het land blijven staan. Die plassen vormen belangrijke biotopen voor amfibieën, steltlopers en reigerachtigen.

Oeverwallen: open pioniervegetaties en stroomdalgraslanden
In vergelijking met de overstromingsvlaktes zijn de zandige oeverwallen voedselarmer en kennen ze een grotere afslijtende werking van de rivier. Daarom heeft hier de vegetatie een meer open structuur en zijn er plekken met kaal zand. De laaggelegen zandeilanden die in de rivier liggen zijn veelal standplaatsen van een open pioniervegetatie. Het zijn belangrijke broedplaatsen voor vogels zoals Zwarte stern (Chlidonias niger), meeuwen en plevieren. Ook zandstranden kennen pioniervegetaties.

Op de begraasde, hoge delen van de zandige oeverwallen ontwikkelt zich het rivierduingrasland dat ook als stroomdalgrasland bekend staat. Vooral tijdens perioden met hoogwater kan de begrazingsdruk hier hoog zijn. Kenmerkend zijn warmteminnende en kalkminnende plantensoorten die open plekken nodig hebben om te kiemen, bijvoorbeeld Sikkelklaver (Medicago falcata) en Gulden sleutelbloem (Primula veris).

Op minder of niet begraasde delen ontwikkelt zich op de lagere delen zachthoutooibos (wilgenvloedbos) met Zwarte populier (Populus nigra) en diverse wilgen. Op hogere delen kan een soortenrijk hardhoutooibos ontstaan met Zomereik (Quercus robur), Gewone es (Fraxinus excelsior), Gladde iep (Ulmus minor) en Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus). Dit bostype wordt binnenkort als apart natuurtype ‘Alluviale bossen'op de OBN website beschreven. De ontwikkeling naar soortenrijk rivierduin of hardhoutooibos kan snel gaan, omdat de rivier ruime hoeveelheden diasporen aanvoert.
Rivierduinen zijn ook belangrijk voor dieren, bijvoorbeeld als hoogwatervluchtplaats voor amfibieën, grote grazers en andere zoogdieren. Ze vormen een leefgebied en een verbindingsroute voor dieren van warme leefmilieus zoals reptielen en insecten. Op sommige plaatsen kunnen aan de rivierzijde afkalvende steilranden ontstaan die een heel eigen vogel- en insectenwereld huisvesten.

Randen van het rivierdal: stabieler milieu
In delen van het stroomdal waar de zich verleggende rivierloop lange tijd niet komt gaan andere processen de vegetatieontwikkeling bepalen. Meestal is dit aan de rand van de dalen, maar het kan soms ook bijna direct aan de rivieroever zijn. Op de droge gronden is de uitloging van het zand een belangrijke factor en op de natte gronden is dat vooral de stroming van grondwater naar het stroomdal. Op de hoogste, droge delen van de rivierdalranden ontstaan in eerste instantie - net als op de oeverwallen - stroomdalgraslanden en droge, alluviale bossen (hardhoutooibossen) met een ondergroei van kalkminnende plantensoorten. Afhankelijk van het kalkgehalte van de bodem vindt echter na korte of lange tijd oppervlakkige ontkalking en strooiselophoping plaats en breiden zuurminnende soorten zich uit.

Ook hier bloemrijk grasland en rietlanden
In de iets lager gelegen, vochtige zones of gedeeltes van de rivierdalranden vindt nog met enige regelmaat overstroming plaats en is er ook vaak sprake van toestroming van ijzerhoudend grondwater. Op deze plekken ontwikkelen zich dotterbloemgraslanden en elzenbroekbossen. Het bodemvocht bevat op deze standplaatsen minder sulfaat en minder opgeloste kalk dan op de standplaatsen van deze natuurtypen in rivierdaldelen met meer dynamiek van de rivier. De afbraak van organisch materiaal verloop hier in de buitenrandzones van het rivierdal langzamer en er vindt hier enige veenvorming plaats. Ook wordt hier geen humus afgevoerd door erosie. Zeer kenmerkend voor de vochtige zone van de rivierdalranden is het bloemrijke grasland dat hier op de OBN website een apart natuurtype vormt. Heel bijzonder zijn in delen van het benedenrivierengebied, op een bodem die bestaat uit veen, klei en ook vaak zand, de bloemrijke graslanden met Kievitsbloem (Fritillaria meleagris). In het Limburgse Maasdal vinden we enkele van de mooiste Elzenbroekbossen van Nederland in deze zone.

In de natte zones of gedeeltes van de rivierdalranden, die vrijwel permanent ondiep onder water staan, is evenals op de vochtige plaatsen de invloed van ijzerhoudend grondwater van belang. De ijzeraanvoer voorkomt de vorming van giftige sulfiden en bindt fosfaat, waardoor het systeem voedselarm blijft. In een natuurlijke situatie is hier weinig stikstof aanwezig, waardoor ook ammonium zich niet te sterk kan ophopen in de bodem. Onder dergelijke omstandigheden kunnen op plaatsen die niet of pas laat in het seizoen droogvallen uitgestrekte rietlanden ontstaan. Deze zijn van groot belang voor veel moerasvogels.

Ook in ogenschijnlijk geïsoleerde plassen van de rivierdalrand vindt enige toevoer van ijzerhoudend grondwater plaats. Vanwege deze grondwaterinvloed en de afwezigheid van bemesting zijn deze plassen vaak van groot belang voor de regionale flora en fauna. Er kan zich daar een rijke waterplantenvegetatie ontwikkelen met fonteinkruiden, kranswieren en waterplanten met drijfbladeren zoals Witte waterlelie (Nymphaea alba) en Watergentiaan (Nymphoides peltata). Vanuit luwe delen, waar zich organisch materiaal ophoopt op de bodem, kunnen zich velden van Krabbenscheer (Stratiotes aloides) uitbreiden.

Met bijdragen van:
Henk Beije, september 2006 en Wouter Helmer, Emiel Brouwer & Rob Leuven, juni 2007

Literatuur:
Bakker, C., A. Breukelaar, R. Foppen, N. Geilen, W. Liefveld, R. Pouwels & J. Simons, 1999. Ecologische netwerken, basis voor de inrichting van grote rivieren. RIZA rapportr 99.035. RIZA, Arnhem.

Buijse A, Klijn F, Leuven RSEW, Middelkoop H, Schiemer F, Thorp J, Wolfert H (Eds), 2005. Rehabilitating large regulated rivers. Archiv für Hydrobiologie Suppl. 155(1-4): 1-738.

Duel, H., Arts, G.H.P. & Pedroli, G.B.M., 1996. Watersysteemverkenningen. Een stroom natuur. Natuurstreefbeelden voor Rijn en Maas. Achtergronddocument B: Ontwikkelingsmogelijkheden voor doelsoorten.. RIZA werkdocument 95.173X. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Den Haag (in Dutch).

Lenders, H.J.R., M.A.J. Huijbregts, B.G.W. Aarts & C.A.M. van Turnhout, 1999. Assessing the degree of landscape, natural and cultural-historical values in river dike reinforcement planning in the Netherlands. Regulated Rivers: Research and Management, 15: 325-337

Leuven, R.S.E.W., Gerig, Y., Poudevigne, I., Geerling, G.W., Kooistra L. & Aarts, B.G.W., 2002. Cumulative impact assessment of ecological rehabilitation and infrastructure facilities in the middle reach of the river Waal. In: Leuven, R.S.E.W., Poudevigne, I. & Teeuw, R.M. (Eds.). Application of geographic information systems and remote sensing in river studies. Backhuys Publishers, Leiden, the Netherlands. pp. 201-216.

Peters, B.W.E., E. Kater & G.W. Geerling, 2006. Cyclisch beheer in uiterwaarden - Natuur en veiligheid in de praktijk.Radboud Universiteit, Nijmegen. 206 p.

Reeze, A.J.G., A.D. Buijse & W.M. Liefveld, 2005: Weet wat er leeft langs Rijn en Maas. Ecologische toestand van de grote rivieren in Europees perspectief. RIZA rapport 2005.010. RIZA, Lelystad.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website