Pad: Landschapstypen / Droog zandlandschap

Droog zandlandschap

Inhoud van deze pagina

 

BETEKENIS
Aantrekkelijk en historisch
Natuurwaarden
Leverancier van schoon en vuil grondwater

KENSCHETS
Historisch perspectief
Natuurtypen in het droge zandlandschap
Zure bodems en zwak gebufferde bodems
Buffering en uitloging
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

Aantrekkelijk en historisch
Het droge zandlandschap heeft in meer dan de helft van Nederland gedurende een millennium letterlijk de achtergrond gevormd van het maatschappelijk leven. Zo heeft de beleving ervan overal sporen achtergelaten, bijvoorbeeld in de vorm van veldnamen en gezegden zoals ‘een dag op de hei gaan zitten'. In fysieke vorm zijn tal van cultuurhistorische en aardkundige elementen zoals hessenwegen, grafheuvels, dekzandruggen, enz. nog aanwezig. Deze ‘natuurlijke' restanten van het droge zandlandschap zijn volop in trek bij recreanten, vanwege hun esthetische, cultuurhistorisch-informatieve of sportieve aspecten.

Natuurwaarden
Het landschapstype dat we hier aanduiden met ‘droog zandlandschap' omvat een groot deel van de natuurgebieden op de hogere zandgronden in de oostelijke helft van ons land. Daar horen aangeplante bossen van dennen en sparren bij, eiken- en beukenbossen met weinig of geen ondergroei en soortenarme droge heiden. In zulke natuurterreinen van het droge zandlandschap zijn de natuurwaarden op dit moment niet bijzonder hoog. Toch hebben deze terreinen alleen al door hun voor Nederland grote afmetingen een grote betekenis als leefgebied voor bijvoorbeeld Edelhert (Cervus elaphus), Wild zwijn (Sus scrofa), Boommarter (Martes martes) en Raaf (Corvus corax).
De schaars begroeide onderdelen van het droge zandlandschap met een aandeel van kale, zandige bodem warmen net als in het open duin gemakkelijk op in de zon. Hier voelen zich warmteminnende dieren thuis, zoals Gladde slang, Zandhagedis, mieren, bijen en sprinkhanen. Vooral op de minder zure delen van de droge zandgronden groeit ook een bijzondere vegetatie. Dat kan bijvoorbeeld een heischraal grasland zijn met Valkruid (Arnica montana) of Rozenkransje (Antennaria dioica) of een zuur droog bos met Wintergroen (Pyrola sp.), Wolfsklauwen (Lycopodium sp.) en veel bijzondere paddenstoelen die zich verbinden met mycorrhiza (= schimmels die als het ware een link tussen bodem en plant vormen). 

Leverancier van schoon en vuil grondwater
Een bijzondere landschapsecologische betekenis van droog zandlandschap is, dat het fungeert als inzijggebied voor andere gebieden die worden gevoed door kwelwater. Vanuit de natuurgebieden in het hoger gelegen droge zandlandschap stroomt schoon grondwater naar lager gelegen gebieden, meestal ‘nat zandlandschap' of ‘beekdallandschap'. Vooral de natuurtypen ‘zandverstuiving' en ‘droge heide' leveren in dit opzicht een grote bijdrage: open natuur méér dan bossen. Bossen vangen namelijk een groot deel van de neerslag op, waarna de neerslag verdampt en dus niet in de grond kan wegzakken. Bossen vangen bossen overigens ook veel stikstof uit de lucht ‘in', dat soms ook uitlekt naar het grondwater.
Vanuit de landbouwgebieden op de hoge zandgronden stroomt hoofdzakelijk met stikstof en vaak ook sulfaat verontreinigd water naar de kwelgebieden; dit is momenteel één van de grootste problemen in het Nederlandse natuurbeheer.

KENSCHETS

Historisch perspectief
Een groot deel van het droge zandlandschap ziet er nog ongeveer net zo uit als bij het einde van de laatste ijstijd. Echter, de vers afgezette dekzanden waren veel minder zuur dan nu het geval is, en waarschijnlijk geldt dat ook voor een deel van de inmiddels sterk geërodeerde stuwwallen. De stuwwallen zijn geleidelijk aan begroeid geraakt met bos. Vermoedelijk had dat oerbos een veel minder schraal en zuur karakter dan de bossen die er nu groeien. Omdat de mens de bossen al vroeg zeer intensief ging gebruiken, waren ze al tussen de vroege bronstijd en de middeleeuwen verdwenen. Met het bos ging ook de humuslaag verloren waarin de meeste buffer- en voedingsstoffen van de bodem lagen opgeslagen. Op de armste bodems werd het bos vervangen door heide en stuifzand. Rijkere gronden werden meestal ontgonnen en omgezet in landbouwgrond. In de 19e en 20e eeuw werd een groot deel van de heiden alsnog omgezet in landbouwgrond en werden de meeste stuifzanden beplant met dennen. Later kregen veel heiderestanten en dennenaanplanten een functie als natuurgebied of multifunctioneel bos. In de natuur van het droge zandlandschap zijn de meest droge en zure bodems dus sterk oververtegenwoordigd.

Natuurtypen in het droge zandlandschap
Droog zandlandschap bestaat uit de onderdelen droge heide , zandverstuiving , heischraal grasland , jeneverbesstruweel en zuur droog bos . Ruimtelijk vormen deze begroeiingstypen of natuurtypen vaak complexen. Vooral voor diersoorten is het belangrijk dat de ruimtelijke overgangen geleidelijk van aard zijn en dat de natuurtypen elkaar kleinschalig afwisselen. In de praktijk komen ook veel overgangen naar het cultuurlandschap voor. Bij die grenssituaties gaat het echter meestal om scherpe grenzen. Anders dan de geleidelijke overgangen zijn zulke grenzen niet bijzonder soortenrijk. Daar liggen wellicht nog wel mogelijkheden om de natuurwaarden te verbeteren. In het droge zandlandschap vormen zure droge bossen het eindstadium van de natuurlijke opeenvolging van begroeiingen, de zogenoemde successie. De andere natuurtypen zijn vervangingsstadia daarvan, die alleen in stand kunnen blijven via ingrijpen door de mens. Die activiteiten van de mens hoeven niet per definitie op vaste locaties te gebeuren. De mens kan zandverstuivingen en op termijn droge heiden ook opnieuw laten ontstaan vanuit bossen op arme zandgronden of vanuit uit productie genomen landbouwgronden. In de voedselarme bossen zoals die nu zijn ontstaan vanuit heide of zandverstuivingen, vindt een voorzetting van de natuurlijke successie plaats, waarbij onder meer de vervanging van naaldhout door loofhout hoort. Het is mogelijk dat daarbij, zoals dat in het verleden gebeurde, de omstandigheden minder voedselarm worden en in het droge zandlandschap bostypen terugkeren die nu zeldzaam zijn in Nederland.
Binnen het droge zandlandschap zijn bijna altijd vochtige elementen (o.a. vennen, natte hei) aanwezig; deze worden apart besproken onder het nat zandlandschap . Aan de ‘buitenkant' grenst het droge zandlandschap vaak aan het beekdallandschap en sporadisch ook aan het rivierengebied, het laagveen- en zeeklei landschap en het duin- en kustgebied.


Zure bodems en zwak gebufferde bodems
In zandbodems die buiten het bereik van het grondwater liggen, spoelen tijdens perioden met een neerslagoverschot alle oplosbare verbindingen geleidelijk uit naar de ondergrond. Gemakkelijk oplosbare verbindingen, zoals natrium, kalium en chloride, spoelen snel uit. Maar ook minder goed oplosbare verbindingen, zoals calciumverbindingen, spoelen op den duur uit, waardoor de buffercapaciteit tegen verzuring afneemt. In het huidige droge zandlandschap zijn grofweg twee typen bodems te onderscheiden op grond van de buffercapaciteit. De sterk uitgeloogde bodems bevatten nauwelijks meer uitwisselbaar calcium en magnesium. De dominante stikstofvorm is ammonium en vaak begint aluminium in oplossing te gaan. Op deze zure bodems groeien soortenarme heide- en stuifzandvegetaties of soortenarme naald- en loofbossen. Minder uitgeloogde bodems worden enigszins gebufferd door calcium en magnesium. Aluminium gaat hierdoor niet in oplossing en ammonium kan in de bodem worden omgezet in nitraat. Op deze zwak gebufferde bodems ontwikkelen zich in principe dezelfde vegetaties als op de sterk uitgeloogde zure bodems, maar ze zijn veel soortenrijker. Dit komt omdat veel soorten van voedselarme bodems gevoelig zijn voor sterk zure bodem, aanwezigheid van opgelost aluminium of voor mineraal stikstof dat alleen in de vorm van ammonium aanwezig is. Op zwak gebufferde bodem komen in de heiden en stuifzanden allerlei elementen van heischrale graslanden voor en in de bossen is de diversiteit aan vaatplanten, varens, mossen, wolfsklauwen en paddenstoelen veel hoger. Voorbeelden onder de vaatplanten zijn Tandjesgras (Danthonia decumbens), Valkruid (Arnica montana), Rozenkransje (Antennaria dioica) in de heide; en Dubbelloof (Blechnum spicant), Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum) en Hengel (Melampyrum pratense) voornamelijk in het bos.

Buffering en uitloging
Met name op de overgangen naar het beekdallandschap, nat zandlandschap en het rivierengebied kan sprake zijn van een wat hogere voedselrijkdom en/of basenverzadiging. De iets gebufferde plekken in het droge zandlandschap zijn schaars omdat ze gevoelig zijn voor verzuring, zowel door natuurlijke uitloging van de bodem als door zure depositie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld kwelsituaties, zijn er in droge situaties nauwelijks processen werkzaam die de zuurbuffering van de bodem in stand houden.
Een zwakke buffering is vooral in stand gebleven in fijnzandige bodems met een zeker leemgehalte. Hoe kleiner de bodemdeeltjes, hoe hoger de capaciteit om kationen vast te houden en daarmee een buffer tegen verzuring te vormen. Verstuiving is een natuurlijk proces dat voor enige buffering kan zorgen. Door verstuiving kunnen minder zure bodems bloot komen te liggen en mogelijk draagt de verstuiving ook bij aan een snellere verwering en dus het vrijkomen van kationen. In bossen dragen bepaalde boomsoorten bij aan de instandhouding van de buffering door veel kationen uit de diepere bodem op te nemen, die vervolgens met het gevallen blad in de humuslaag terecht komen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus) en Linde (Tilia sp).
Veel traditionele menselijke activiteiten hadden ook invloed op de mate van buffering. Door lichte bemesting en bekalking werd heischraal grasland gevormd of in stand gehouden. Allerlei kleinschalige graafactiviteiten zorgden ervoor dat ‘maagdelijke' grond aan de oppervlakte kwam, die nog zwak gebufferd was. Een soortgelijk effect trad op door incidentele toevoer van bufferstoffen op tijdelijke akkertjes of door concentraties van vee. Een tijdelijke buffering treedt ook op direct na branden van de vegetatie; veel kationen blijven in de as achter. Het effect van branden op de lange termijn is overigens onbekend.
Echter, alleen een deel van de menselijke activiteiten bevorderden de buffering. Aan de andere kant leidde het verwijderen van humus, bijvoorbeeld door plaggen in heide en strooiselroof in bossen, tot een versnelde uitloging van de bodem.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer en Joost Vogels, mei 2008 & Henk Beije, juli 2006.

Literatuur:
Bijlsma, R.G. (2006). Effecten van menselijke verstoring op grondbroedende vogels van Planken-Wambuis. De Levende Natuur 107 (5): 191-198

Brouwer, E (2002). Indicatieve waarde van bedreigde paddestoelen op de zandgronden. Natuurhistorisch Maandblad 91 (4): 53-58.

Hendriks, R.J.J. (2004) Effectgerichte maatregelen tegen verzuring, verdroging en vermesting (EGM) op landschapsschaal: aanbevelingen voor terreinbeheer en beleid. Rapport 2004/299-O, Ministerie LNV, Directie Kennis.

Prins, D., Jonge, M. de, Noordijk, J. & Vermeulen, H.J.W. (2006). Effecten van de Hoogeveenseweg op loopkevers. De Levende Natuur 107 (5): 218-222

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website