Pad: Landschapstypen / Nat zandlandschap

Nat zandlandschap

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Landschap met verschillende verschijningsvormen en veel historie
Leverancier van schoon grond- en oppervlaktewater
Relatief veel karakteristieke soorten

KENSCHETS
Landschapsvorming begon met poolwoestijn
Variatie in ondergrond is ontstaan door waterstroming
Kleinschalig en grootschalig
Ruimtelijke relaties
Karakteristieke soorten
Soortenrijke overgangen
Met bijdragen van
Literatuur


BETEKENIS

Landschap met verschillende verschijningsvormen en veel historie
Het merendeel van oostelijk en zuidelijk Nederland bestaat uit zandgebieden. Het natte zandlandschap omvat die gedeelten daarvan die niet droog zijn en buiten de beekdalen liggen. De beekdalen worden apart beschreven als Beekdallandschap en de droge gedeelten van de zandgebieden vormen het Droog zandlandschap.
Bij het natte zandlandschap horen zowel natte gebieden met zandbodems, als natte gebieden waar veen is afgezet op de zandondergrond. Het natte zandlandschap heeft verschillende verschijningsvormen. Vennen omzoomd met natte heide vormen vaak de parels in het landschap op de hogere zandgronden en spreken een breed publiek aan. De restanten van de grote hoogveengebieden echter ademen een geheel andere sfeer met hun soms schijnbare eentonigheid. Verder komen in het natte zandlandschap vochtige en natte bossen (natuurtypen broekbos en veenbos), multifunctionele bossen van Beuk, Zomereik, berken, Grove den en andere naaldboomsoorten, natte schraalgraslanden en bronnen voor. De moderne mens recreëert graag in het natte zandlandschap. De vroegere mens was er vooral uit bittere noodzaak, voor het winnen van hout, plaggen en turf voor brandstof, om er zijn koeien en schapen te laten grazen, maar ook om bijvoorbeeld schapen te wassen of vlas te roten. Het vroegere gebruik heeft de biodiversiteit van het landschap sterk beïnvloed en de sporen ervan zijn nu nog in velerlei vorm herkenbaar.

Leverancier van schoon grond- en oppervlaktewater
Hoewel vooral het dróge zandlandschap het infiltratiegebied voor de beekdalen is, fungeren ook grote delen van het nátte zandlandschap in hydrologisch opzicht als (lokaal) inzijggebied. Dat geldt vooral voor de natte heide. Vanuit deze gebieden stroomt schoon grondwater naar grondwatergevoede gebieden elders in het natte zandlandschap en in het beekdallandschap. De kwaliteit van het uittredende grondwater is afhankelijk van de samenstelling van de ondergrond waar het doorheen gestroomd is en van de verblijftijd in de grond. Dit betekent dat deze gebieden een landschapsecologische relatie met elkaar hebben. In hoogvenen sijpelt van nature slechts nauwelijks neerslag door naar het grondwater. Het neerslagoverschot stroomt hier voornamelijk zijwaarts weg, aan de oppervlakte van het veen, en voedt daarbij beken, meren en sloten in de randzones van het veen.

Relatief veel karakteristieke soorten
In de natte zandlandschappen gaan natte omstandigheden van nature samen met min of meer zure, hooguit zwak gebufferde, condities en voor het merendeel ook met voedselarmoede. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat relatief veel van de aanwezige soorten karakteristiek voor dit landschapstype zijn en niet in andere landschapstypen voorkomen

Het natte zandlandschap is daarnaast rijk aan geleidelijke milieuovergangen (=gradiënten) van zuur naar meer gebufferd, van droog naar nat en van voedselarm naar voedselrijk. Ook waar natte zandlandschappen grenzen aan droge zandlandschappen, beekdallandschappen of rivierenlandschappen komen zulke overgangssituaties voor, zoals grenzen tussen zones waar kwel optreedt en zones waar inzijging van water optreedt. In overgangssituaties zijn vaak soorten aanwezig die afhankelijk zijn van specifieke milieuomstandigheden die bijna uitsluitend in geleidelijke overgangen aanwezig zijn. Bijvoorbeeld in zure of zwakgebufferde vennen waar vanaf één kant gebufferd grond- of oppervlaktewater toestroomt en zo een overgang van zuur naar gebufferd creëert, kunnen zulke soorten heel talrijk zijn. Ook in een aantal (hoog)veenrestanten komen milieuovergangen voor waar contact is met een kalkrijkere ondergrond of gebufferd grondwater toestroomt. De grootste soortenrijkdom wordt in het natte zandlandschap bereikt bij iets gebufferde omstandigheden en in gradiënten en mozaïeken van verschillende natuurtypen. (Zie verder de alinea Karakteristieke soorten).

KENSCHETS

Landschapsvorming begon met poolwoestijn
Het natte zandlandschap omvat de natte delen van het hogere deel van Nederland, ook aangeduid als dekzandlandschap of pleistocene zandgronden. Dekzand draagt die naam omdat het als een deken oudere afzettingen bedekt. De dekzandlaag varieert van enkele centimeters tot ca. 15 meter dikte. De dikte van het dekzandpakket en de hydrologische eigenschappen van dit pakket zijn samen met de sporen van de voorlaatste ijstijd bepalend geweest voor veel van de huidige terreincondities, het reliëf en de vorming van jongere afzettingen bovenop het dekzand. Sporen van de voorlaatste ijstijd zijn stuwwallen, erosiegeulen en rechte ruggen als de Hondsrug. Ook zogenoemde ‘tektonische' activiteit, verband houdend met de verstoring in de ligging van de aardlagen, liet in sommige natte zandlandschappen duidelijke sporen achter. Voorbeelden daarvan zijn de Peelrandbreuk met aan weerszijden de Centrale Slenk en de Peelhorst. Het ontstaan van de Peelvenen heeft te maken met deze geologische verschijnselen.

Tijdens de laatste ijstijd lag Nederland in het hart van een poolwoestijn die zich uitstrekte over het gebied rond de huidige Doggersbank tot in het Nauw van Calais en van de Ierse Zee tot aan Berlijn. In het huidige noorden van Canada liggen soortgelijke uitgestrekte zandgebieden: het is er het hele jaar door zo koud dat de ondergrond nooit ontdooit. Waar nu Nederland ligt, vonden tijdens het merendeel van de laatste ijstijd zandverstuivingen plaats over een ondergrond die grotendeels permanent bevroren was. De dikte van de bevroren laag varieerde daarbij van ca. 15 m in Drenthe tot ca. 2 m in Noord-Brabant. Enorme hoeveelheden grof en fijn materiaal verwaaiden in deze poolwoestijn en vele duizenden kubieke kilometers van het fijnste materiaal belandden als löss in zuidelijkere en oostelijkere streken.

Tijdens de laatste ijstijd kwamen verschillende warmere perioden voor. Dan begon het water plassen te vormen of het stroomde naar lager gelegen delen van het landschap via de ondergrond of via natuurlijk gevormde beken. Vochtig zand verwaait niet en vochtige plaatsen waar grondwater uittrad of waar water stagneerde, vingen veel zand in. Door dat invangen van zand raakte het landschap op grote schaal ‘verstopt' voor de afvoer van water. Het reliëf weerspiegelt daardoor in hoge mate verschillen in grondwaterstanden en capillaire stijghoogten en, daarmee, van eigenaardigheden van de ondergrond die daarvoor bepalend waren. Feitelijk werd de dekzandvlakte destijds overal ongeveer even vochtig. Alleen hoogten die door een bestrooiing met grof materiaal (grind en keien) minder weggesleten waren en resten van stuwwallen e.d. staken daar als droge eilanden boven uit. In navolging van de stijging van de zeespiegel stegen na de ijstijd de grondwaterstanden in het hogere deel van Nederland; vervolgens ontstond hier, in de natter wordende laagten, op grote schaal veen. Het proces van veenvorming werd bevorderd door kap van bossen ten behoeve van landbouw, omdat door de verkleining van het bosoppervlak minder water door verdamping verdween.

Variatie in ondergrond is ontstaan door waterstroming
Voor begrip van het huidige functioneren van het landschap is inzicht in het ontstaan van de vormen en de variatie in de ondergrond essentieel. Tijdens warmere perioden in de laatste ijstijd verplaatste water grof en fijn zand, leem en grind door het op de ene plaats weg te slijten om het op een andere plek weer af te zetten. Vermoedelijk bestonden veel stromingsstelsels slechts tijdelijk. In de poolwoestijn bepaalde de stroomsnelheid van het water in de afvoerstelsels de korrelgrootte van het afgezette materiaal. Op plekken waar het snel stroomde, bleef het grofste materiaal liggen en op de rustigste plaatsen het fijnste. Die verschillen van de processen tijdens de ijstijd bepalen de huidige hydrologische eigenschappen van de ondergrond van natte zandlandschappen. Grondwater kan gemakkelijker door ‘beter doorlatende' grofzandige bodemlagen heen stromen dan door leem. Lemige afzettingen zijn in het algemeen gebonden aan uitgestoven laagten, dus wordt toestroming van grondwater en kwel in die laagten door leemlagen bemoeilijkt. De stromingsrichting van het water in de oppervlakkige stromingsstelsels van de poolwoestijn bepaalde de oriëntatie van de landschapsstructuren, de afzettingen (sedimenten) en de verschillen in doorlatendheid in verschillende richtingen. Omdat tijdens de laatste ijstijd verschillende warmere perioden voorkwamen, traden de processen van wegslijting en afzetting van materiaal door water herhaaldelijk op. In die warmere perioden kon ook veen worden gevormd, dat later de hydrologie weer beïnvloedde.

Omdat afzetting van materiaal door water soms stopte en dan weer opnieuw begon, werden lagen van verschillende korrelgrootte afgezet. Daarom vertoont de ondergrond nu grote verschillen in doorlatendheid. De ondergrond heeft veel weg van een stapel tamelijk los gestorte ‘buizen' gevuld met grover materiaal en tussenruimten die met fijner en dus slechter doorlatend materiaal zijn dichtgeslibd. Die ‘buizen', voorkeursplekken voor grondwaterstroming, werden door onze voorouders als "welaren" aangeduid, aders van het watertransportsysteem. Plaatsen waar die aders aan de dag treden, zijn vaak eenvoudig te herkennen, omdat ze iets vruchtbaarder zijn dan hun directe omgeving: men kan er Adelaarsvaren, Riet en besdragende, in de bomen klimmende, Klimop vinden.

Kleinschalig en grootschalig
Natte zandlandschappen komen voor op relatief lage, vochtige plekken die midden in en langs de randen van droge zandlandschappen liggen, dus grenzen aan droge dekzandgebieden en stuwwallen. Een aantal van deze natte zandlandschappen zijn geïsoleerde natuurgebieden die zijn uitgespaard bij vroegere ontginningen. Deze gebieden omvatten in de regel kleinschalige natte heiden en vennen. Enkele grotere aaneengesloten natte heiden met vennen treft men aan op de Kampinasche heide in Brabant en in het Dwingelerveld in Drenthe, waar vennen in de volksmond veenties (veentjes) genoemd worden.

De natte plekken in drogere omgeving kunnen op twee manieren tot stand komen. In het ene geval gaat het om laaggelegen plaatsen waar grondwater naar toe stroomt vanuit een groter grondwatersysteem en dit grondwater het maaiveld of de wortelzone bereikt. In het tweede geval gaat het om plaatsen waar regenwater en lokaal grondwater blijft staan, ‘stagneert', bovenop een waterkerende laag in de ondiepe ondergrond. In dat geval spreken we over een schijngrondwaterspiegel, omdat de ‘echte' spiegel van het grotere grondwatersysteem dieper in de ondergrond ligt. Vaak bestaat de waterkerende laag uit ingespoelde organische humus, afkomstig van een voormalig hoogveen (een organische B-horizont), met daarbovenop een laagje organische modder (‘gliede') dat het resultaat is van beginnende veenvorming in open water. Een enkele keer bestaat de laag uit een hele dunne verkitte ijzeroerlaag die ook vrijwel ondoorlatend is. In Noord-Nederland liggen de meeste vennen boven keileemlagen en vaak hebben zich daar in de ondergrond zowel verkitte B-horizonten als gliedelaagjes gevormd. Resten van niet uitgegraven veen zorgen voor nog meer weerstand tegen ‘lekken' en behoud ervan is dus van noodzakelijk indien men de veenvorming weer op gang wil brengen. Sommige vennen liggen op plaatsen waar de keileem is weggeërodeerd en waar hoogveenvorming is begonnen onder invloed van de druk van een ‘sterk' grondwatersysteem. Zulke vennen hebben soms alleen een gliedelaag. De omvang van de natte elementen in de drogere omgeving is afhankelijk van de omvang van de lokaal aanwezige waterkerende lagen in de ondergrond, maar vaak ook van de stijghoogte (kweldruk) van het grondwater. In de afgelopen eeuwen en vooral in de laatste eeuw is de omvang van de natuurtypen van natte zandlandschappen sterk afgenomen door drainage, beregening en waterwinning en door ontginning en turfwinning.

Vroeger kwam het natte zandlandschap ook op grote schaal voor aan de voet van de stuwwallen; daarvan is maar weinig overgebleven. Periodiek gevoed met enige kwel en gelegen op de overgangen naar lemige gronden, moeten in deze gebieden veelal natuurtypen aanwezig zijn geweest zoals soortenrijk trilveen, vochtig heischraal grasland of nat schraalgrasland, (Veldrusschraallanden) en broekbos. Ze stonden veelal bekend als broekgronden.

Verder komt het natte zandlandschap als hoogveensystemen voor op en langs waterscheidingen van grote dekzandplateaus of op de flanken van die plateaus op de overgangen naar beekdalen. De geringe afvoer van het neerslagoverschot in deze gebieden heeft ervoor gezorgd dat hier in het verleden op grote schaal veenvorming optrad. Laagveen ging veelal op den duur over in hoogveen en er ontstonden uitgestrekte hoogveensystemen. Voorbeelden van deze grootschalige hoogvenen liggen op de huidige provinciegrenzen van Drenthe en Friesland (Fochteloërveen), van Brabant en Limburg (Peelvenen) en op de grens van Nederland en Duitsland (Bargerveen, Haaksbergerveen, Wooldse Veen, Aamsveen). Daarnaast zijn er de kleine hoogveentjes in depressies, zoals in het Dwingelerveld. Door ontwatering, ontginning en turfwinning zijn zowel kleine veentjes als grote hoogvenen sterk aangetast of verdwenen. In de overgebleven, geheel of gedeeltelijk uitgeveende veentjes en vooral in de grotere veenrestanten probeert men nu de hoogveengroei weer op gang te brengen door middel van vernatting.

Ruimtelijke relaties
Het natte zandlandschap omvat diverse natuurtypen, die we ook ‘begroeiingstypen' kunnen noemen: natte heide, heischraal grasland, nat schraalgrasland, broekbos, veenbos, vennen en hoogveen. Hun onderlinge relatie bestaat vooral uit het feit dat ze dikwijls als complexen bij elkaar liggen en elkaar zodoende beïnvloeden. Welk type op een plek voorkomt, hangt allereerst af van het onderliggende geohydrologische systeem. Ondergrond, waterkwaliteit - vooral zuurgraad, buffering, voedselrijkdom en mineralengehalte - reliëf en fluctuatie van de waterstand spelen samen een sleutelrol.

De verschillen tussen natte heide, vochtig heischraal grasland en nat schraalgrasland worden voor een deel veroorzaakt door verschillen in grondwaterregime en de basenrijkdom van het grondwater (zuurbuffering). Die invloed van basenrijk grondwater is het sterkst in natte schraalgraslanden. Daarnaast speelt hierbij ook successie en haar ‘tegenhanger', het reguliere beheer, een rol. Indien heischrale graslanden minder goed worden gemaaid of begraasd, veranderen ze op den duur in de richting van natte heide. Het voorkomen en de soortensamenstelling van broekbossen, veenbossen, vennen, trilvenen, veenmosrietlanden en hoogvenen worden eveneens gestuurd door de mate van beïnvloeding door grondwater en regenwater én door de basenrijkdom van het grondwater.

Vennen vormen de ‘putjes' in het zandlandschap, waardoor ze erg gevoelig zijn voor veranderingen in de omgeving, met name in de toestroming van water. Dat geldt vooral voor de zeer zwak gebufferde vennen, die naast regenwater, (zeer) zwak gebufferd grondwater uit een lokaal systeem ontvangen. natte heide, vochtig heischraal grasland en nat schraalgrasland zijn een prima omgeving voor vennen, omdat ze de vennen voeden met relatief veel en schoon regenwater en lokaal grondwater. De hoeveelheid en kwaliteit van het toestromende lokale grondwater zijn sturend in de waterkwaliteit van het ven en de daarin voorkomende planten- en diersoorten. Daarnaast staan de lage begroeiingen van de natte heide, het vochtig heischraal grasland en nat schraalgrasland garant voor windinvloed op de vennen, waardoor er golfslag optreedt. Dit is gunstig voor o.a. het voortbestaan van natuurlijke pioniermilieus (met Oeverkruidvegetaties). De op grote schaal uitgevoerde bebossing rondom vennen heeft echter een negatieve invloed op vennen. Het beperkt namelijk de windinvloed, leidt tot bladinval en stuifmeelinwaai in het ven, vermindert de inzijging van regenwater en toestroom van grondwater naar de vennen.

De begroeiingstypen van het natte zandlandschap hebben ook in de tijd relaties met elkaar: de begroeiingen veranderen in de loop van de natuurlijke successie en gaan daarbij van het ene type in een ander type over. Zo kunnen vennen bijvoorbeeld, evenals sommige natte heiden met een zeer constante, hoge grondwaterstand, vroeg of laat overgaan in kleine hoogveentjes. In een natuurlijk functionerend systeem kan hoogveen op den duur - heel langzaam - in zijwaartse richting over de natte heide heen gaan groeien of het veenbos ‘oprollen'. Zoals hiervoor reeds werd beschreven, zijn kleine hoogveentjes in het verleden in sommige situaties zo uitgegroeid en aaneengegroeid dat grootschalige hoogveenlandschappen zijn ontstaan. Als dat gebeurt, gaan hoogvenen als zelfstandig hydrologisch systeem functioneren. Dan is het grootste deel van het hoogveen dus bijna niet meer afhankelijk van wat er gebeurt in de omgeving, zolang het veen zelf niet wordt vergraven.

Het karakter en het functioneren van de overgangszone (gradiënt) tussen het hoogveen en de mineraalrijkere omgeving -de zogenaamde lagg zone- blijft uiteraard wél gevoelig voor wat daar omheen gebeurt. Zo zal bij afname van de aanvoer van gebufferd grondwater de invloed van het zure water uit het hoogveen in die zone toenemen. Ook de door grondwater gevoede poelen die in het hoogveen aanwezig kunnen zijn, blijven gevoelig voor veranderingen in het lokale of grotere grondwatersysteem.

Karakteristieke soorten
De grootste soortenrijkdom wordt in natte zandlandschappen bereikt bij iets gebufferde omstandigheden en in gradiënten en mozaïeken van verschillende natuurtypen (zie ook alinea Relatief veel karakteristieke soorten). Beroemd zijn de vele bijzondere soorten uit de Oeverkruidklasse in zeer zwak gebufferde vennen zoals Oeverkruid (Littorella uniflora), en Waterlobelia (Lobelia dortmanna). In hoogvenen zijn met name verschillende veenmossoorten beeldbepalend, naast soorten zoals Kleine veenbes (Oxycoccus palustris), Lavendelheide (Andromeda polifolia), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia)  en Veenpluis (Eriophorum angustifolium). Natte heide wordt gedomineerd door Gewone dopheide (Erica tetralix), terwijl op specifieke plaatsen ook o.a. Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Gewone veenbies (Scirpus cespitosus) en Beenbreek (Narthecium ossifragum) optreden. Natte heischrale graslanden kunnen zeer soortenrijk zijn met onder andere Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Liggende vleugeltjesbloem (Polygala serpyllifolia), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Welriekende nachtorchis (Plantanthera bifolia), een vijftigtal mossoorten en een rijke paddenstoelenflora. Op pionierplekken ontstaan geheel eigen vegetaties met o.a. Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) , snavelbiezen en Kleine zonnedauw (Drosera intermedia).
Ook in de dierenwereld zijn vele soorten sterk gebonden aan onderdelen van het natte zandlandschap. Voorbeelden zijn Heikikker (Rana arvalis), libellen zoals Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Noordse Glazenmaker (Aeshna subarctica), Hoogveenglanslibel (Somatochlora arctica) en vlinders zoals Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon), Veenbesblauwtje (Plebeius optilete), Veenbesparelmoervlinder (Boloria aquilonaris), Zilveren maan (Boloria selene) Veenhooibeestje (Coenonympha tullia). Wat de vogels aangaat is de Wulp (Numenius arquata) karakteristiek. In het verleden was het Korhoen (Tetrao tetrix) een gewone broedvogel van de randen van heiden en hoogvenen. Op natte heiden was ook de Grutto (Limosa limosa) vaak een gewone broedvogel.

Soortenrijke overgangen
In de wereld van overwegend zure, voedselarme omstandigheden betekent een geringe verhoging van het voedingsstoffen- en basenniveau een duidelijke toename van de soortenrijkdom. Zo is vochtig heischraal grasland in feite een soortenrijke overgang tussen natte heide op de arme zandgronden en nat schraalgrasland in de beekdalen. Binnen de natte heide zijn de meeste doelsoorten aanwezig op leemrijke bodems of op plaatsen waar enige kwel uittreedt. Iets dergelijks geldt ook voor vennen en hoogvenen. Zwakgebufferde vennen zijn veel soortenrijker dan zure vennen en hoogveengebieden herbergen extra soorten langs randen waar enige zuurbuffering optreedt door de invloed van basenhoudend grondwater. Hoogveenglanslibel (Somatochlora arctica), Veenbesblauwtje (Plebeius optilete) en Veenbesparelmoervlinder (Boloria aquilonaris) komen vooral voor aan de randen van hoogvenen of in overgangsvenen (=successiestadium tussen laag- en hoogveen) met invloed van lokaal grondwater. De soortenrijke hoogveenranden zijn bij ontginning als eerste op de schop gegaan en verder is hier door ontwatering de toevoer van grondwater vaak sterk afgenomen.
De zwak gebufferde onderdelen van het landschap hebben weliswaar een hogere soortenrijkdom en kwetsbaarheid, maar dit betekent overigens niet dat men alléén zwak gebufferde omstandigheden in stand zou moeten houden of herstellen. Zure voedselarme situaties hebben hun eigen waarde; bovendien is hun aanwezigheid vaak ook een voorwaarde om op lange termijn de gradiënten naar de iets rijkere omstandigheden in stand te kunnen houden. Om een toename van voedingsstoffen in voedselarme situaties tegen te gaan, is het soms van belang dat de omgeving voorziet in de afvoer van voedingsstoffen of in de toevoer van voedselarm water.

Met bijdragen van:
Henk Beije, juni 2006; Gert Jan Baaijens, april 2007; Gert-Jan van Duinen, juni 2007; André Jansen, oktober 2007

Literatuur:
Bobbink, R., E. Brouwer, J.G. ten Hopen & E. Dorland (2004). Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Van Duinen G.A. e.a. (red.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 Jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. Pp. 33-70. Expertisecentrum-LNV, Ede.

Jansen, A.J.M., J.H.J. Schaminée, P.C. Schipper & M.G.C. Schouten (2000). Plantengemeenschappen van waterrijke gebieden - Standplaatscondities, sturende processen en bedreigingen. In: Weeda, E.J. e.a. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland, Deel 1: Wateren, moerassen en natte heiden. KNNV Uitgeverij.

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website