Pad: Landschapstypen / Heuvellandschap

Heuvellandschap

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Een apart stukje Nederland
Zuid-Limburgse soorten
Volop aardkundige, cultuurhistorische en ecologische waarden

KENSCHETS
Overgangen in zuurgraad en voedselrijkdom
Kalkrijke bodems
Natte natuur in het heuvelland
Akkers
Zomen trekken veel planten en dieren aan
Groeven en mijnafvalbergen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Een apart stukje Nederland
Het heuvellandschap in Zuid-Limburg is een bijzonder stukje Nederland. Over korte afstanden zijn er grote verschillen in bodem, klimaat en reliëf. Nergens anders in ons land is het landschap zo nadrukkelijk verdeeld in plateaus, hellingen en beekdalen. Nergens anders zijn krijt-, löss- en grindbodems zo aanwezig als hier. Niet verwonderlijk dus dat de wereld van de mensen, planten- en dieren er nogal afwijkt van die elders in Nederland. En bepaald niet in negatieve zin. Het heuvelland heeft een opmerkelijk rijke natuur. Als we er tenminste goed mee omgaan.

Ook vanuit een internationale invalshoek zijn er redenen om zuinig te zijn op het Zuid-Limburgse heuvellandschap. Ten eerste is het de meest noordwestelijke uitloper van een Midden-Europees ecosysteem. Veel soorten bereiken hier de rand van hun verspreidingsgebied. Dit komt tot uiting in afwijkende biotoopvoorkeuren en soortcombinaties, en soms zelfs in aparte ondersoorten of variëteiten zoals Zinkviooltje (Viola lutea ssp. calaminaria). Ten tweede is de natuur in de meeste andere Europese kalkregio's net zo hard of soms nog harder achteruit gegaan dan in Zuid-Limburg. Veel terreinen bezitten al sinds vóór de tweede wereldoorlog een beschermde status.

Een hele serie van begroeiingstypen die we hier natuurtypen noemen, komen in Nederland op zijn best of uitsluitend in het heuvellandschap voor, denk aan kalkgraslanden, kalkhellingbossen, bronnen, beken, groeven, akkers en landschapselementen zoals graft en holle weg. Allerlei zoomgemeenschappen zijn er te vinden. Veel van deze leefgebieden zijn sterk door de mens beïnvloed. De vruchtbare Zuid-Limburgse löss werd al duizenden jaren voor de Romeinse tijd voor het eerste benut voor de landbouw en in de snelstromende beken werden toen al watermolens gebouwd. In de loop van de eeuwen heeft zich hier een kleinschalig cultuurlandschap ontwikkeld, waarin tal van verschillende leefgemeenschappen ieder een eigen plaats hadden.

Zuid-Limburgse soorten
Het heuvelland herbergt een groot aantal soorten die niet in onze andere Nederlandse landschappen voorkomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om planten van graslanden zoals orchideeën, Aarddistel (Cirsium acaule) en Kuifvleugeltjesbloem (Polygala comosa). Er zijn ook veel bosplanten bij, bijv. Kranssalomonszegel (Polygonatum verticillatum) en Mannetjesorchis (Orchis mascula). Van de paddenstoelen komen vooral veel soorten Aardsterren (Geastrum), Parasolzwammen (Lepiota) en Wasplaten (Hygrocybe) voor. Van de mossen die in ons land alleen in Zuid-Limburg voorkomen groeien de meeste in kalkgrasland, op kalkrotsen en in bronnen. Binnen de meeste van de dier- en plantensoortengroepen die in ons land voorkomen is een speciaal groepje van Zuid-Limburgse soorten te onderscheiden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan vogels zoals de Rode wouw (Milvus milvus) en Oehoe (Bubo bubo). Van de amfibieën noemen we hier de Geelbuikvuurpad (Bombina variegata) en Vuursalamander (Salamandra salamandra) en van de vleermuizen de Ingekorven vleermuis en Bechsteins vleermuis (Myotis emarginatus, M. bechsteinnii). Ook vlinders horen erbij, Kalkgraslanddikopje (Spialia sertorius) en Boswitje (Leptidea sinapis), en de slakken Wijngaardslak (Helix pomatia) en Geruite rondmondhoren (Pomatias elegans).

Volop aardkundige, cultuurhistorische en ecologische waarden
In vogelvlucht bekeken is het heuvellandschap een plateau dat gaande in zuidoostelijke richting geleidelijk oploopt. In geologisch opzicht is dit landschap gevormd door een omhoog plooien van dikke kalksteenlagen en Maasafzettingen, terwijl tegelijkertijd de Maas en haar zijbeken zich hierin insneden. Tijdens de laatste ijstijden is over alles heen een lösspakket afgezet. Löss heet ook wel Limburgse klei; technisch gezien is het ‘siltige leem met mediaan M50 = 20-40 µm'. Hoog gelegen gedeelten zijn hier en daar geheel ontkalkt waarna de in de kalkafzettingen aanwezige vuursteenknollen overbleven; het zogenaamde vuursteeneluvium. De regio werd al vroeg in de prehistorie bewoond. In de loop van de tijd ontstonden open landbouwgebieden op de plateaus. Op de hellingen en in de dalen echter heeft de mens gezorgd voor een kleinschalig landschap. De meeste van de behouden gebleven natuurelementen zijn gelegen op de voor de landbouw minst gunstige plaatsen, zoals de zandige resten van oer-Maasterrassen en de steile hellingen. Deze plekken zijn begroeid met o.a. arme en rijke bossen, alsook kalkgraslanden waar men mergellandschapen liet grazen. Door erosie ontstonden holle wegen, terwijl juist door het tegengaan van erosie graften ontstonden.

Door de lange bewoningsgeschiedenis en de afwijkende bodemsamenstelling kent het heuvellandschap ook een hoge dichtheid aan cultuurhistorische en soms archeologische bijzonderheden, die vaak weer sterk verweven zijn met de natuur. Denk bijvoorbeeld aan de vele oude gebouwen met vaak bijzondere muurvegetaties, allerlei groeven van wisselende ouderdom en de vele ondergrondse groeven. Zelfs de zinkweiden langs de Geul hebben in zekere zin een cultuurhistorische betekenis.

KENSCHETS

Overgangen in zuurgraad en voedselrijkdom
Van hoog naar laag gaande zijn in Zuid-Limburg vaak verschillende bodemtypen te onderscheiden.

Meer informatie over de bossen en graslanden op de hellingen is te vinden onder kalkgrasland en binnenkort ook onder kalkhellingbos .

Kalkrijke bodems
Veel bijzondere begroeiingstypen in het heuvelland zijn gebonden aan kalkrijke bodems. Kalk kan op diverse manieren fosfaat binden. Een deel van dit fosfaat kan weer van kalk worden losgeweekt door hierin gespecialiseerde plantensoorten, vaak met behulp van mycorrhiza-schimmels. Niet gespecialiseerde plantensoorten verliezen de slag om het schaarse fosfaat en moeten het veld ruimen. Vaak is op kalkrijke bodem ook het gehalte aan voor planten beschikbare stikstof gering. De natuurlijke stikstofverliezen naar de lucht, die plaatsvinden via nitrificatie en denitrificatie, worden namelijk sterk vergroot onder kalkrijke omstandigheden. Er vindt daarbij ook nauwelijks ophoping van organisch materiaal plaats omdat organisch materiaal op kalkrijke bodem snel wordt afgebroken. Vanwege de grote doorlatendheid drogen kalkbodems ook snel op, waardoor er een droog en warm microklimaat ontstaat.

Natte natuur in het heuvelland
Naar het hooggelegen zuidoosten van het Zuid-Limburgse plateau toe gaande neemt het jaarlijkse neerslagoverschot flink toe, en daarmee ook het aantal bronnen en bronbeken die zijn beschreven als natuurtype bron en beek . De bronnen zijn vaak kalkrijk en kennen een karakteristieke gemeenschap van macrofauna, hogere planten, mossen en algen. De Zuid-Limburgse beken hebben door hun hoge stroomsnelheid een geheel eigen karakter, met bijvoorbeeld vissen van snelstromend water, vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans) en Waterspreeuw (Cinclus cinclus). Nergens anders in ons land komen zinkweiden voor; we kennen ze alleen in de bovenloop van de Geul. Ze zijn ontstaan door vervuiling met zinkhoudende bodem afkomstig uit de zinkmijnen van La Calamine (Kelmis) in de Voerstreek.

Ook natte graslanden zijn een essentieel onderdeel van het heuvellandschap. Enerzijds gaat het dan om hellingveentjes, waar grondwater uittreedt of net onder het oppervlak afstroomt, anderzijds gaat het dan om graslanden behorende tot het Dotterbloemverbond die voorkomen in delen van de beekdalen die onder invloed staan van grondwater; natuurtype dotterbloemgrasland . In veel gevallen is fosfaat in deze systemen niet alleen gebonden aan kalk, maar ook aan ijzer. Wanneer het grondwater zuurstofhoudend is neemt het aandeel plantensoorten van brongemeenschappen toe, zoals Reuzenpaardestaart (Equisetum telmateia) en Moerasstreepzaad (Crepis paludosa). Fosfaat is dan vaak meer beschikbaar, maar stikstof juist minder.

Akkers
Mede door de lange bewoningsgeschiedenis heeft zich in Zuid-Limburg een soortenrijke akkergemeenschap ontwikkeld. Kenmerkend zijn bijvoorbeeld Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis), Wilde ridderspoor (Consolida regalis), de Spiegelklokjes (Legousia spp.) en diverse soorten Veldsla (Valerianella spp.). Echter, ook dieren zijn kenmerkend zoals Hamster (Cricetus cricetus) en Grauwe gors (Emberiza calandra). Al deze soorten hebben zich aangepast aan landbouwmethoden die gedurende duizenden jaren relatief constant zijn gebleven qua gewaskeuze, seizoen en bemestingsgraad. Verder gebruiken veel grotere diersoorten uit omringende biotopen de akkers als foerageergebied.

Zomen trekken veel planten en dieren aan.
Een biotoop dat nogal eens tussen de wal en het schip valt zijn de zomen. Deze zijn te vinden aan bosranden, in open bossen, in graften en langs holle wegen. Het boegbeeld van de Zuid-Limburgse zoomgemeenschappen is de Hazelmuis (Muscardinus avellanarius). Het leefgebied van dit beestje beslaat een oppervlakte van slechts enkele tientallen vierkante meters die voldoende bessen en andere vruchten heeft. De Hazelmuis vindt gedurende het zomerhalfjaar alleen voldoende eten waar op een klein oppervlak een groot aantal verschillende struiken en bomen aanwezig zijn. Een geschikt leefgebied vormen vooral grazige, niet verruigde zomen met een struikrand langs bos. De struikrand omvat dan ‘aan de buitenkant' een lage struiklaag, heeft meer ‘naar de boszijde' een hoge struiklaag en sluit aan op een boomlaag met bosondergroei. Ook in soortenrijke loofbossen met bijvoorbeeld een bosrandbeheer of middenbosbeheer kan een dergelijke afwisseling aanwezig zijn. Zulke zoom- en struikranden kennen een rijke flora waaronder ook bijzondere planten zoals de Mannetjesorchis (Orchis mascula). Naast de Hazelmuis profiteren ook andere dieren van een dergelijk beheer, bijvoorbeeld de Eikelmuis (Eliomys quercinus), Grauwe klauwier (Lanius collurio), Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), Sleedoornpage (Thecla betulae). Indien er ondergronds dood eikenhout aanwezig is, kan ook het Vliegend hert (Lucanus cervus) aanwezig zijn. Veel dierpopulaties stellen bepaalde eisen aangaande een minimale biotoopoppervlakte en zijn alleen duurzaam aanwezig indien de afstanden naar andere soortgelijke biotopen niet te groot zijn.

Groeven en mijnafvalbergen
Bij het uitgraven van de groeven voor bijv. mergelwinning gaat de actuele biotoop uiteraard verloren. Echter, vooral wanneer er pure krijtbodem bloot komt te liggen die daarna met rust wordt gelaten, ontstaan er ook nieuwe kansen voor de natuur. Enkele voormalige groeven in Zuid-Limburg zijn inmiddels uitgegroeid tot heel belangrijke natuurgebieden: bijvoorbeeld de groeve het Rooth en de Meertensgroeve. Voor soorten als Oehoe (Bubo bubo) en Geelbuikvuurpad (Bombina variegata) vormen de groeven tegenwoordig het belangrijkste leefgebied.
De vaak steile hellingen van mijnafvalhopen kunnen zich wellicht ontwikkelen tot zeer interessante natuurgebieden (zie natuurtype zinkweide ). Enkele van deze hopen zijn bijvoorbeeld al uitzonderlijk rijk aan Parasolzwammen en Aardsterren. De onderaardse groeven, de mergelgrotten, vormen een belangrijke overwinteringsplek voor een tiental soorten vleermuizen. In zulke groeven kunnen in totaal duizenden individuen aanwezig zijn.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, september 2007 en Henk Beije, oktober 2006.

Literatuur:
Bobbink, R. & J.H. Willems, 2001. OBN praeadvies Kalkgraslanden. Expertisecentrum LNV, Wageningen

Hendrix, W.P.A.M., 2005. Zuid-Limburgse bronnen: tussen grond- en oppervlaktewater. Natuurhistorisch maandblad 94 (11): 238-242

| Bedreigingen en Beheeropgaven | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website